chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 10

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 10 van Twintigduizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintigduizend Meilen onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 10. De man der Zee.

Hij die zo sprak was de gezagvoerder van het vaartuig. Bij die woorden stond Nederland plotseling op. De bijna geworgde hofmeester ging met wankelende schede de deur uit, toen zijn meester dit met een wink beval. En zo groot was de invloed van de kapitein op zijn onderhorigen,

dat geen enkele trek op het gelaat van de hofmeester de wraak aanduide welke die man tegen de harponier moest koesteren. In de grootste verbazing wachten Koenraad en ik af hoe dit toneel zou aflopen. De kapitein leunde tegen een hoek van de tafel, sloeg de armen over hoekande en bekeek ons met de grootste aandacht.

Aanzoende hij om te spreken of had hij per rouw over de pas in het Frans gesproken woorden? Ik kon het niet geloven. Na enige ogenblikken van een stilzwijgen dat geen onze durfde af te breken, zei hij met bedaarde nog doordringende stem. Meneer heren, ik spreek Frans, Engels, Hoogdaarts en Latijn.

Ik had u dus bij ons eerste samenzijndreeds kunnen antwoorden, toch? Ik wilde u eerst kennen en dan eens nadenken. Uw viervoudig verhaal dat in de grond volkomen gelijk was, heeft bij u toen kennen. Ik weet nu dat de toeval mij samen heeft gebracht met de heer Pierre Arona, hoogleraar in de Natuurlijke Geschiedenis aan het Museum te Parijs, Koenraad zijn bediende

en Ned Lent uit Canada, harponier aan boord van de Ebram Lincoln, een stoomschip van de Nationale Marine der Verenigde Staten. Ik boogde een teken van toestemming. Het was geen vraag welke hij mij deed, de halve was er ook geen antwoord nodig. De man sprak met een bijzondere gemakkelijkheid zonder enig merkbaar accent.

Zijn volzinnen waren afgerond, zijn woorden juist gekozen en hij had een opmerkelijk goede uitspraak en toch gevoelde ik dat het geen landgenoot van mij was. Hierop vervolgde hij althus. Je hebt waarschijnlijk gedacht meneer dat het lang duurde voor ik u een tweede bezoek bracht. Dit was omdat ik, toen ik niet wist wie jij waart, eerst rijpelijk wilde overdenken

welke partij ik ten uw opzichte moest nemen. Ik heb lang geaseld. De meest toevallige omstandigheden hebben u bij een man gebracht die met de mensheid gebroken heeft. Jij zegt mijn leven komen storen. Onwillekeurig, zei ik.

Hoe onwillekeurig, vroeg de onbekende met verheffing van stem. Is het onwillekeurig dat de Abraham Lincoln mij in alle zeeën heeft opgezocht? Is het onwillekeurig dat jij aan boord van dat frigat gekomen bent? Is het onwillekeurig dat de kanonkogels afgestuid zijn op de rom van mijn vaartuig? Is het onwillekeurig dat Dert Lent zijn harpoen op mij heeft afgeworpen?

Ik bemerkte in de woorden een kwalijk bedwongen toren, maar op die beschuldigingen had ik een zeer natuurlijk antwoord en ik gaf dit in deze woorden. Ge weet zeker niet, meneer, welke twistvragen er in Amerika en Europa ten uwe opzichte gerezen zijn. Ge weet waarschijnlijk niet dat verschillende ongelukken, die het gevolg waren van botsingen met uw onderzeesvaartuig, de openbare mening in beide werelddelen hevig geschokt hebben.

Ik zal u niet vermoeien met alle veronderstellingen welke men maakte om daarmee het onverklaarbare verschijnsel te verklaren, waarvan jij alleen het geheim bezit. Maar je zult mij wel willen geloven als ik u verzeker dat, toen de Ebrheim-Lincoln u in het noorden der stelle zaadzee vervolgde, wij een steek zeemonster meenden na te jagen, van het welk wende oceaan, het kosten wat het wilde, moest verlossen.

Een glimlach speelde op de lippen van de kapitein, die op kalmertoon vroeg, meneer Arona, zout gij durven verzekeren dat uw frigat niet evengoed een onderzeesvaartuig als een monster zou hebben vervolgd en beschoten? Deze vraag bracht mij in verlegenheid, want kapitein Fergert zou zeker niet geaarzeld hebben. Hij zou gewis gemeend hebben dat het zijn plicht was om dit toestel evengoed als een

reuzeachtige eenhoorn te vernielen. Jij begrijpt dus, meneer, hervatte de onbekende, dat ik het recht heb om u als vijanden te beschouwen. Ik antwoorde niets en met reden. Waarom zou ik over zulke woorden twisten als het geweld de beste bewijsgronden smoren kan? Ik heb lang geaarzeld, vervolgde de gezagvoerder.

Niet doodzaakte mij om u gasvrijheid te verlenen. Als ik mij van u wilde ontdoen, had ik geen enkel belang om u te houden. Ik had u dan weer op het plat gezet dat u reeds eens tot schuimplaats diende. Ik zou het vaartuig in zee hebben doen zinken en ik zou vergeet hebben dat gij ooit bestaat had. Had ik daartoe geen recht?

Dit was misschien het recht van een wilde, antwoorde ik, maar zeker niet van een beschaafd mens. Ik ben geen beschaafd mens, hernam de kapitein driftig, zoals gij mij geliefd te noemen, meneer de professor. Ik heb met de gehele maatschappij gebroken om redenen welke ik alleen het recht heb te beoordelen. Ik gehoorzaam dus niet aan de wettendiermaatschappij en ik verzoek u die nimmer in mijn tegenwoordigheid interroppen.

Dit was duidelijk. Toren en verachting straalden uit het oog van de onbekende. En ik vermoedde dat die man een vreselijk verleden achter zich had. Niet alleen gehoorzaamde hij niet meer aan de menselijke wetten, maar hij had zich vrij en onafhankelijk gemaakt in de strengste opvatting van het woord, zonder dat iemand hem bereiken kon.

Wie toch zou hem in de diepte der zee durven vervolgen, daar zelfs aan de oppervlakte alle tegen hem in het werk gestelde pogingen een eidelspel bleken te zijn? Welk schip zou weerstand kunnen bieden aan de schok van die onderzeese monitoch? Welke pansring, hoe dik ook, zou in stoot van dit vaartuig weer staan? Geen enkel mens kon hem rekenschap vragen van zijn daden.

De enige rechters welke iets op hem vermochten, waren God, zo hij in hem geloofde, en zijn geweten in die hij erin had. Deze opmerkingen kwamen mij voor de geest, terwijl die vreemde man enige ogenblikken als in zichzelf vergekeerd zweeg. Ik beschouwde hem waarschijnlijk even als oeidepoester Sphinx. Met belangstelling en afgrijzend tevens.

Na een vrij lang stilzwijgen nam hij wederom het woord. Ik heb dus geaarseld, maar dacht eindelijk dat mijn belang wellicht overeenstemde met dat natuurlijke medelijden waarop elke sterveling recht heeft. Ge zul bij mij aan boord blijven, omdat het toevall u daar toch heeft heen gevoerd. Ge zul tevrij zijn, doch in ruil voor die vrijheid,

welke trouwens zeer betrekkelijk is, leg ik u slechts één voorwaarde op. Het is mij genoeg als gij mij daarop uw woord geeft. Spreek, meneer, antwoorde ik. Ik stel me voor dat dit een voorwaarde is welke elke eerlijk man zou kunnen aannemen. Dat is zo, meneer. Het is de volgende. Het is mogelijk dat zekere onvoorziende omstandigheden mij verplichten om

u gedurende enige dagen of uren in uw hut te opsluiten. Daar ik nimmer geweld wil gebruiken verwacht ik van u in dat geval nog meer dan anders leidelijke gehoorzaamheid. Door zo te handelen ont sla ik u van alle verantwoordelijkheid, want het is mijn zaak om u in de onmogelijkheid te stellen van datgene te zien wat gij niet zien mocht. Neemt u die voorwaarde aan?

Dij gebeurde dus aan boord op zijn allerminst zonderlinge zaken, welke niet gezien mochten worden door mensen die zich nog niet geheel en al buiten de wetten der maatschappij gesteld hadden. Onder al de verrassingen welke de toekomst voor ons opleverde zou dit zeker niet de minst belangrijke zijn. Wij nemen haar aan, antwoorde ik. Ik verzoek u echter mij te vergunnen, meneer, u één enkele vraag te doen. Spreek op, meneer.

U hebt gezegd dat wij vrij zouden zijn. Geheel vrij. Daarom vraag ik u wat gij onder die vrijheid verstaat. Wel, de vrijheid van te gaan, te komen, te zien en alles na te gaan wat hier gebeurt, uitgezonderd in enige, zeer enkele gevallen. Kortom de vrijheid welke mijn makkers en ik zelf genieten. Het was duidelijk dat wij omkande begrepen. Vergeef mij, meneer, hernam ik, maar dit is slechts die vrijheid welke elke gevangenen heeft

om in zijn gevangenis rond te lopen. Dat is voor ons niet genoeg. U zult u daarmee toch de vrede moeten stellen. Wat? Moeten we dan het denkbeeld laten varen om ooit ons vaderland, onze vrienden en bloedverwanten terug te zien? Ja, meneer, maar het is misschien niet zo moeilijk als gij denkt om het onverdragelijke aartjurk af te schudden welke de mensen menen dat vrijheid is. Wel nu, kom aan, riep netlend. Ik zal nooit mijn

woord van ere opgeven dat ik niet eens beproeven zal om te ontvluchten. Ik vraag uw woord van de ere niet, meester Lend, antwoordde de kapitein Koeltjes. Meneer, hernam ik, terwijl ik onweerlijkkeurig driftig werd, gebaakt misbraak van onze toestand. Dat is vreed. Volstrekt niet, meneer, dat is goedheid. Ge bent na de strijd mijn gevangenis geworden.

Ik houd u, of schoon ik u met een enkel woord weer in zee konden werpen. Ge hebt me aangevallen. Ge hebt een geheim ontdekt, het welke geen sterveling ooit mag doorgronden, want het is het geheim van mijn bestaan. En gij gelooft nog dat ik u naar de bewoonde aarde zou terugzenden, welke mij niet meer kennen mag? Nooit. Als ik u hier houd, bewaar ik niet u, maar mijzelf.

Deze woorden duiden genoegzamer aan dat de kapitein een partij gekozen had, tegen welke geen praten iets zou vermogen. Ge geeft ons dus eenvoudig weg te kiezen tussen het leven en de dood, hernam ik. Ja, doodeinvoudig. Vrienden, zei ik. Op zulke vragen is er niet veel te antwoorden, maar ons woord van eer bindt ons niet aan de kapitein van dit vaartuig.

Het is zoals gij zegt, antwoordde de onbekende. Daarop vervolgde hij met zachte stem. Laat ik nu verdergaan met hetgene ik u te zeggen had. Ik ken u, meneer Arona. Gij zult u wellicht niet zozeer als uw bakkers te beklagen hebben over het toevall dat u tot mij heeft gebracht. Gij zult onder de boeken, welke voor mijn lievelingsstudie dieden, het werk vinden, het welk gij over de diepte in de zee hebt uitgegeven. Ik heb het dikwijls gelezen.

Gij hebt in dat werk alles meegedeeld wat de aardse wetenschap kent. Maar gij weet niet alles. Gij hebt niet alles gezien. Ik zeg u, meneer de professor, dat gij u de tijd niet zult beklagen, welke gij bij mij aan boord doorbrengt. Gij zult een reis door een wereld van wonderen doen. Gij zult waarschijnlijk voortdurend verwonderd, ja zelfs verstomd staan. Vermoedelijk zult gij niet spoedig genoeg hebben aan het schouwspel dat welk u voortdurend wordt

aangeboden. Ik ga op een nieuwe onderzeeze reis om de aarde, welke misschien de laatste zou zijn, al datgene nog eens weer beschouwen, wat ik in die zo dik was bezocht de diepte bestudeerd heb. En gij zult erin mijn deelgenoot zijn. Vanaf heden betreed gij een nieuwe wereld. Gij zult zien wat geen mens nog gezien heeft, want ik en mijn equipage behoor niet meer tot de mensen en onze planeet zal u door mij haar innigste geheimen laten zien.

Ik wil niet ontkennen dat die woorden van de kapitein grote indruk op mij maakten. Ik was in mijn zwak getast en ik vergat voor een ogenblik dat het zien van al die verheve zaken tegen onze verloren vrijheid toch niet kon opwegen. Overigens rekende ik op de toekomst om die vraag uit te maken. Daarom antwoordde ik, indien gij met de mensheid hebt gebroken, meneer, wil ik toch wel geloven dat gij van elk menselijk gevoel nog geen afstand gedaan hebt.

We zullen het niet vergeten dat gij ons arme schipbreukelingen liefderijk aan boord hebt opgenomen. Ik voor mij wil niet ontvijzen dat als het belang van de wetenschap het verlangen naar vrijheid kon vernietigen, al hetgeen gij mij belooft daarvoor ten minste een grote vergoeding zou aanbieden. Ik dacht dat de kapitein mij de hand zou toesteken om ons verbond te bevestigen, doch dit deed hij niet. Het speet mij voor hem. Een laatste vraag, zei ik, op het ogenblik dat dit

onverklaarbare wezen wegscheen te willen gaan. Spreek op, meneer. Hoe moet ik u noemen? Ik ben voor u kapitein Nemo en gij en uw metgezellen zijn voor mij sterkste passagiers van de Nautilus. De kapitein riep. Een hofmeester verscheen aan wie hij in zijn vreemde voor mij onverstaanbare taalenige bevelen gaf. Daarop wende hij zich naar Netlend en Koenraad en zeiden, eenmaal wacht u in uw hut, volgt u man slecht. Dat weiger ik niet, antwoordde de harpoedier.

Koenraad en hij gingen eindelijk uit de cel, waarin zij meer dan dertig uur hadden opgesloten gezeten. En nu meneer Arona is ons ontbijt ook gereed. Ik zal u slechts voorgaan. Gaan, kapitein. Ik vroeg de kapitein Nemo en zodra ik over de drempel trad kwamen wij in een soort van elektrisch verlichte gang. Na enige schede en voortgegaan te zijn opende zich een tweede deur. Ik kwam toen in een eetzaal, welke met smaak versierd en

gemeubeld was. Aan de beide uiteinden der zaal stonden hoge eikenhoutenbuffetten met ebbenhout ingelegd op weer uitgestulpte planken kostbaar aardewijk, porselein en glaswerk preikten. Het servies schitterde onder de lichtstralen die naar beneden vielen van een zoldering waarvan de zachte kleuren het scherpe licht enigszins temperden. In het midden der zaal stond een rijk voorziene tafel. Kapitein Nemo wees bij een stoel aan. Neem plaatsmeneer en eet als iemand die van de

honger sterven moet. Het ontbijt bestond uit een aantal schotels welke er inhoud door de zee geleverd was en uit enige gerechten waarvan ik de aard en de herkomst niet kende. Ik moet bekennen dat ze goed smaakten, doch ze hadden allen een bijzondere smaak waaraan ik mij slechts langzaam gewende. Die verschillende spijzen scheden vos voorhoudend te zijn en ik meende dat ze uit zee afkomstig moesten wezen. De kapitein keek me aan. Ik vroeg hem niets, maar hij raade mijn gedachten en antwoordde op de

vragen welke ik vragen verlangen branden om tot hem te richten. De meeste van deze gerechten zijn u onbekend, evenwel kunt u er zondevrees van eten. Ze zijn gezond en voedzaam. Zedert lang heb ik afgezien van landvoedsel en ik bevind me er niet slecht bij. De krachtige mannen van mijn equipage voeden zich niets anders als ik. Zijn dus al die spijzen voortbrekselen van de zee, vroeg ik? Ja, meneer de professor, de zee voorziet in al mijn behoeften. Dan eens werp ik mijn netten

uit en haal ze dat scheurenstoegevuld op. Dan weer ga ik op de jacht in dat element het welk voor de mens ongenaakbaar schijnt en ik jaag het wild op dat zich in mijn onderzeesebossen schuilhoudt. Men kunnen grazen, evenals die van de oude herden van Neptunus, zonder enige vrees in de onmetelijke weilanden van de oceaan. Ik heb daar grote domeinen welke ik zelf doorzoek en waarop Seren Hand steeds alle dingen gezijnt heeft. Ik keek kapitein Nemo met grote ogen aan en

antwoordde, ik begrijp volkomen meneer dat uw netten u voortreffelijk vis bezorgen. Ik begrijp minder goed dat gij het waterwild in uw onderzeesebossen vervoert, maar ik begrijp in het geheel niet dat een enkel stukje vlees, hoe klein dan ook, op uw tafel komt. Ik gebruik nu meer het vlees van landdieren, antwoordde de kapitein. En dit dan toch, hernam ik, terwijl ik op een schotel wees waarop nog enige plakken vlees lagen. Wat

gij meent dat vlees is, meneer de professor, is niets anders als een stuk gebraad van een zeeschildpad. Hier zijn bijvoorbeeld enige dolfijnenlevers, welke gij misschien voor varkensragoe gehouden hebt. Ik heb een bequame kok die er uit munt een slag van heeft om deze verschillende voortbrengselen van de oceaan toe te bereiden. Proef van al die gerechten. Hier is een gelij van holothurien, welke een Malijer onverbeterlijk zou noemen. Daar heb gij room

van walvissenmelk en suiker uit het grote zeewier van de Noordzee. En vergum me eindelijk u wat geconvijten zeeanemonen aan te bieden, welke zeker tegen de sappigste vruchten kunnen opwegen. En ik proefde meer uit nieuwsgierigheid dan het honger, terwijl kapitein Nemo mij aangenaam bezighield met zijn onwaarschijnlijke verhalen. Maar de zee, meneer Arona, die zo wonderbaar en onuitputtelijk is, voet mij niet alleen, doch zij verschaf mij ook kleding. De stof welke ik draag wordt geweven uit

het bekleedsel van sommige schelpen. Ze worden geverfd met het pulper van de ouden, terwijl er verschillende tinten op worden gebracht door violet dat ik uit een plant der Middellandse zee, de aplisis, haal. De rukwerken op uw toilettafel worden uit zeeplanten getrokken. Uw bed bestaat uit het zachtste zeegras. Een walvisbaard zal uw pen zijn. Uw ingt is het afgescheiden vocht van een weekdier, dat men Spaanse zeekat noemt. Alles komt uit de zee, zoals het er eens naar zal

terugkeren. Bemint jij de zee, kapitein? Ja, ik heb haar lief. De zee is alles. Zij bedekt zeventiende van de aardpool. Haar adem is zuiver en rein. Het is de onmetelijke woestijn waar de mens nimmer alleen is, want hij voelt rondom zich leven. De zee is slechts het voertuig van een bovennatuurlijk en wondervol leven. Zij is slechts beweging en liefde. Ze is het levende oneindige, zoals een uredichters-inseide. En, inderdaad meneer de professor, de natuur openbaart er zich in het

zelfstoffen, planten en dierenrijk. Dit laatste vooral is rijk vertegenwoordigd door geleden en schelpdieren, door gewerfelde en zoogdieren, door kruipende dieren en ontelbare scharen van vissen. Het is een eindeloze rij van dieren waarin meer dan dertienduizend soorten worden aangetroffen, van welke slechts een tiende gedeelte in het zoete water ter huis behoort. De zee is de uitgestrekte vergaderbak der natuur. Het is uit de zee dat de aarde, om zo te zeggen, ontstaan is. En,

wie weet, of ze er niet door haar eindigen zal. Daar heerst weer hevestilte. De zee behoort niet aan de twingenlanden. Op haar oppervlakte kunnen zij hun onbillijke rechten nog uitoefenen, ook kan er aanvallen en verslinden en er al de ijzeligheden der aarde overbrengen. Maar tien meter beneden het oppervlakte houdt hun geweld op. Daar is hun invloed niet dicht en verdwijnt hun macht. O meneer, leef, leef in de diepte der zee. Daar alleen is men onafhankelijk. Daar

alleen heeft men geen meester. Daar ben ik vrij. Kapitein Nemo zweeg plotseling ten midden van zijn geestdrift. Had hij zich buiten zijn gewoonte laten meeslepen? Had hij teveel gezegd? Hij liep gedurende enige ogenblikken hevig ontroerd heen en weer. Daarop werd hij bedaarder. Ze gelaten hernam de gewone kalmte en zich tot mij wendende, zei hij. Als je nu de Nautilus wilt bezoeken, meneer de professor, ben ik geheel tot uw dienst. Het einde van half stuk 10.

CAPTIONS
Loading...