chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 12

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 12 van Twintig Duizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen onder Zee door Jo Verne. Hoofdstuk 12.

Alles door elektriciteit. Meneer, zei kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan de wand wes. Dat zijn de voor de vaart van de Nautilus verrijzte werktuigen. Hier in mijn salon heb ik ze altijd voor ogen. Ze wijzen mij de plaats en de juiste richting in het midden van de oceaan aan.

Sommigen zijn nu bekend als de thermometer, welke mij de temperatuur in de Nautilus aanwijst. De barometer die de drukking van de lucht aanduidt en de verandering van weer voorspelt. De hygrometer die de graad van droogte van de atmosfeer aanwijst. Het stormglas, waarvan het mengsel mij door zijn verandering storm verkondigt.

Het compas dat mij weg regelt. De sextant, die mij de breedte doet kennen. Gronometers, welke mij de lengte laten berekenen. En eindelijk dag- en nachtkijkers die mij dienen om alle punten van de gezichtseindigde te onderzoeken als de Nautilus op de oppervlakte der zee drijft.

Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten, antwoordde ik. Ik ken er het gebruik van, maar er zijn nog andere, welke zonder twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die wijzerplaat daar met de beweegbare naald, is dat geen manometer? Juist, meneer.

Hij staat in verbinding met het water, welk strukking hij aanwijst, zodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig zich beweegt. En die dieploden van nieuwe soort? Het zijn thermometrische dieploden, welke mij de warmtegraad van de verschillende diepte der zee doet kennen.

En die andere instrumenten, welke gebruik ik zelfs niet kan raden? Tans moet ik u een en ander verklaren, meneer de professor, zei kapitein Debo. Hoor mij dus aan. Hij bewaarde gedurende enige ogenblik in het stilzwijgen en sprak daarop het volgende.

Er bestaat een kracht welke mij gehoorzaamt, die snel en met het grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te schikken en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent. Door die kracht geschiet alles. Zij verlicht en verwauwt mij en is de ziel van al mijn werktuigen. Die kracht is de elektriciteit.

De elektriciteit, riep ik ten hoogste verbaasd. Ja meneer, mijn kapitein uw veertuig beweegt zich bijzonder snel, het geen moeilijk te rijmen is met de kracht der elektriciteit. Haar beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, hij heeft terwijl weinig kunnen uitwerken.

Meneer de professor, antwoordde de kapitein, mijn elektriciteit is niet de gewoden, welke elke een kent. Dit is alles wat ik er u van kan zeggen. Ik zal ook niet onbescheiden zijn kapitein en ik zal mij vergenoegen met mijn verbazing over zulke resultaten uiten.

Een enkele vraag even wel, welke je niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden ben. De elementen welke jij voor die wonderbare kracht bezigt, moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt jij het zink, omdat jij geen gemeenschap meer houdt met het bewoonde land? Hoe vaak zal beantwoord worden, antwoordde kapitein Nemo. Ik zal beginnen met u te zeggen dat er op de bodem der zee zink, ijzer, zilver en goud mijnen bestaan,

welke ontginning zeer zeker tot de mogelijkheden behoort. Maar ik gebruik niets van die metalen. En ik heb aan de zee zelf de middelen ontleend om mijn elektriciteit voor te brengen. Aan de zee? Ja professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet. Ik zou bijvoorbeeld elektriciteit hebben kunnen verkrijgen door de verschillende temperaturen,

welke metaaldraden ondervinden als ik ze op verschillende diepte indoppel. Maar ik heb de voorkeur gegeven aan een meer praktisch middel. En welke is dat? Jij kent de samenstelling van het zeewater. Op 1 kg vindt men 0,965 water en ongeveer 0,0267 gloor sodium.

Verder is er zeer geringe hoeveelheid gloor potassium, gloormagnesium, zwaarvolzuren kalk, zwaarvolzuren magnesia, broodmagnesium en koolzuren kalk. Jij ziet dus dat gloor sodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt. Dit sodium haal ik uit het zeewater en ik stel er mijn elementen uit zaben. Uit sodium? Ja meneer, met kwik vermengd vormt het een amalgama

dat in de Bunsense elementen het zink kan vervangen. Het kwik wordt nooit opgelost. Dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert de zee bij telkens weer op. Bovendien moet ik u zeggen dat de sodiumzuinen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat haar elektrische kracht dubbel zo groot is als die van zuilen van zink.

Ik begrijp kapitein dat het sodium in uw omstandigheden voor treffelijke diensten bewijst. Jij vindt het in zee, goed. Maar jij moet het er uithalen. En hoe doet je dat? Uw zuilen zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik bij niet bedrieg, dan moet het verbruik van sodium in uw elementen de voortgebrachte hoeveelheid verder overtreffen.

Daarom verschaf ik het niet op die wijze manier en ik gebruik daarvoor zeer eenvoudig steenkolen. Die jij in de grond vindt, vroeg ik. Nee, in zee, antwoordde kapitein Nemo. Kunt je dan uw onderzeeze kolenmijnen ontginnen? Wacht maar meneer Aruna en je zult ons bezig zien. Ik vraag u slechts wat geduld, omdat je daartoe toch de tijd hebt.

Herinner u evenwel voortdurend dat ik alles aan de oceaan verschuldigd ben. De zee verschaft mijn elektriciteit en deze geeft aan de nautilus warmte, licht, beweging, kortom het leven. Maar toch niet de lucht welke jij inademt? Oh, ik zou zelfs de nodige lucht kunnen vervaardigen. Toch, dit behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terugkeer als ik het goed vind.

Wanneer de elektriciteit me niet al de nodige zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch de pompen in beweging, welke de lucht in een vergaarbak te samenbest, waardoor ik als ik wil mijn verblijf in de diepte kan verlengen. Kapitein, antwoord ik, ik kan u slechts bewonderen. Je hebt zeker de ware kracht der elektriciteit uitgevonden,

welke de mensen zonder twijfel later zullen vinden. Ik weet niet of ze die wel zullen vinden, antwoordde de kapitein Koe. Hoor het ook zij, je kent nu het voornaamste gebruik het welke ik van deze kracht maak. Zij verlicht ons met een gelijkmatigheid en een duur, welke het zonlicht niet bezit. Zie hier dit uurwerk.

Het is elektriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers. Ik heb het op de Italiaanse wijze in 24 uur hebben verdeeld, want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar alleen dit kunstlicht dat ik tot de diepte in de zee met mij kan meevoeren. Zie, op dit ogenblik is het 10 uur in de morgen.

Juist. Hier is nog een andere toepassing der elektriciteit. Deze wijzerplaat wijst de snelheid van de nautilus aan. Een elektrische draad stelt haar in verbinding met de schroef en deze naut wijst mij dan de juiste snelheid aan.

Op dit ogenblik bijvoorbeeld lopen we 15 km in het uur. Het is verbazend. En ik zie wel kapitein dat jij gelijk gehaald hebt om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt. We hebben nog niet gedaan meneer Aruna, zei kapitein Nemo terwijl hij opstond.

Als je mij wilt volgen, zullen wij de achterstevend bezoeken. Ik kende nu reeds het gehele voorste gedeelte van dit vaartuig, het welk als men het van midden naar de voorstevend ging, op deze wijze was ingedeeld. De eetzaal 5 meter lang, van de bibliotheek gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen kon dringen.

De boekerij was 5 meter lang. De grote zaal van 10 meter, door in tweede waterdikt beschot gescheiden van de kamer des kapiteins, welke 5 meter lang was. Daarachter lag mijn hut van 2,5 meter en eindelijk een bergplaats van 7,5 meter, die zich tot aan de voorstevend uitstrekte, dus in het geheel 35 meter lang.

In de ondoordringbare beschotten waren deuren aangebracht, die door sluitstukken van K.U. Tsjok hermetisch sloten, waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was voor het geval dat het vaartuig een lek bekwam. Ik vroeg de kapitein door de loopgangen aan bakboord. Ik kwam in het midden van het vaartuig.

Daar was een soort van put tussen twee ondoordringbare beschotten. Een ijzeren trap aan de wand vastgeschoefd leidde naar het bovenste gedeelte. Ik vroeg waarvoor die trap diende. Daar langs bereikt men de sloep, zei hij. Hoe, heb je dan een sloep? vroeg ik vrij verwonderd.

Zonder twijfel, een uitmuntend lichtvaartuigje dat niet zinken kan en voor uitstapjes en voor de visvangst gebruikt wordt. Maar als jij u daarop wilt inschepen, moet je naar de oppervlakte daar zee stijgen? Geen zins. Deze sloep zit aan het boven gedeelte van de Nautilus bevestigd

en wordt bewaard in een daarvoor geschikte ruimte. Ze is van een dek voorzien, volkomen waterdicht en met flinke kaptrollen vastgemaakt. Deze trap leidt naar een manngat in het buitenste omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat dat in de sloep gemaakt is, juist tegen aansluit. Door deze dubbele opening kraap ik in de boot.

Dan sluit men de ene in de Nautilus en ik de andere in de sloep, ik laat de touwen over de kaptrollen schieten en de boot reist met een vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte. Daar open ik een luik in het dek dat tot nochtoe zorgvuldig gesloten bleef, ik richt de mast op, hij is een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaag.

Maar hoe kom jij aan boord terug? Ik ga niet terug, meneer Arona, de Nautilus komt naar mij toe. Op uw bevel? Op mijn bevel? Een elektrische draad verbindt mij met het vaartuig.

Ik telegrafeer en dat is genoeg. Inderdaad, niet zozeefvoudiger, zei ik, duizelend van het horen van al die wonderen. Na het trapgat voorbij gegaan te zijn, waardoor men op het plat kon komen, zag ik een hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Atlent, verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen.

Daarna opende de kapitein een deur, welke in een drie meter lange keuken uitkwam. Deze was tussen de grote kombuizen gelegen. In de keuken werd de elektriciteit krachtiger en dienstiger dan het gas overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitte daar aangebrachte stukken platina spons, zeer regelmatig.

Even zo werd de hitte onderhouden onder destilleerketels, welke door uitdamping heerlijk drinkwater opleverden. Bij de keuken was de gemakkelijk ingerichte badkamer, waar twee kranen water na verkiezing koud of warm verschaften. Op de keuken vervolgde het verblijf van de equipage,

maar daarvan bleef de deur gesloten zodat ik die inrichting niet kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel mannen voor het besturen van de Nautilus nodig waren. Een vierde waterdicht beschot scheide deze ruimte van de machinekamer. Een deur opende zich en ik bevond me in de ruimte waar kapitein deelde.

De kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingingeur, zijn toestellen voor beweegkracht had geplaatst. Deze heldenverlichte machinekamer was niet minder dan 20 meter lang. Ze was in twee delen afgedeeld. Het eerste bewatte de elementen,

het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de schroefbedeelden. Ik was het eerste ogenblik verwonderd over de bijzondere lucht welke deze ruimte vervulde. De kapitein bemerkte dit. Het zijn enige gasachtige producten, zei hij,

welke het gevolg zijn van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elke morgen het gehele vaardag door er verse lucht in te laten stromen. Ik beschouwde met een licht te begrijpen belangstelling de machines van de Nautilus.

Je ziet, zei kapitein Nemo, dat ik de elementen van Bunsen en niet van Roemkorf gebruik. De laatste zouden niet sterk genoeg geweest zijn. De Bunsense elementen zijn slechts weinig in getal, maar sterk en groot,

uit welk de ondervinding mij geleerd heeft dat beter is. De elektrische stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij door electromagneten van grote afmeting inwerkt op een bijzonder stelsel van hefbomen en raderen, welke de beweging wederover brengen op de schroefstang.

Deze schroef, welke middellijn 6 meter bedraagt, kan 120 omwettingen in de seconde doen. Echijver krijgt al dus? Een snelheid van 50 kilometer in het uur? Er was nog iets geheimzinnigs,

doch ik drong er niet op aan om het te weten. Hoe kon de elektriciteit met zulke kracht werken? Waar nam die bijna onbegrenste macht haar oorsprong? Was het door buitengemene spanning, opgewekt door klossen van een nieuwe soort?

Was het door overbrenging van krachten, ineen tot nu toe onbekend stelsel van hefbomen, dat men dit elektriek vermogen tot in het oneindigen konden toenemen? Dit kon ik niet begrijpen.

Capitain Nero, zei ik, ik zie de resultaten en ik tracht niet ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien bewegen. Ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte haar snelheid kan houden. Maar zich bewegen is niet genoeg.

Men moet kunnen zien waar men heen gaat. Men moet zich rechts en links naar boven en naar beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt jij zulke grote diepte waar jij, D.M., een toenemende weerstand moet ondervinden, die slechts door honderden atmosferen te meten is?

Hoe stijgt jij weer naar boven? In één woord, hoe blijft jij op die diepte welke jij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen? Geen zins, meneer de professor, antwoordde de kapitein naar enige aanzelling,

omdat jij dit vaartuig niet meer zult verlaten. Kom in het salon, dat is onze ware studeerkamer, en daar zult je alles vernemen wat jij om tent in Nautilus weten moet. Het einde van halfstuk 12.

CAPTIONS
Loading...