Chapter 13
Hofstuk 13 van Twintigduizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintigduizend Meilen onder Zee door Jules Verne. Hofstuk 13, Enige Cijfers. Een ogenblik daarna zaten wij in het salon met een sigaar in de mond. De kapitein legde mij een tekening voor waarop het plan van de nautilus in opstand en doorsteden was uitgewerkt.
Toen begon hij zijn verhaal in deze woorden. Hier heb jij de verschillende afmetingen meneer van het vaartuig waarop jij u bevindt. Het is een lange cilinder met kegelvormige uiteinden. Het ziet er zo ongeveer uit als een sigaar, een vorm welke men telonder reeds bij verscheidenen gelijksoortige constructieën gebruikt heeft. De lengte van dit cilinder, van de ene punt tot de andere, bedraagt juist 70 meter. De
middellijn is op de grootste breedte 8 meter. In mijn vaartuig staat dus niet zoals in uw grote stoomschepen de breedte tot de lengte als 1 tot 10, maar de zijde en de ronding zijn lang genoeg om de verplaatste watermassa geen enkele verhindering in zijn vaart te doen ondervinden. Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de oppervlakte en de inhoud van de nautilus doen vinden. De oppervlakte bedraagt 1011.45 vierkante meter, de inhoud 1500.2
kubikmeter. Dat wil zeggen dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is, er een watermassa verplaatst wordt die ongeveer 1500 ton weegt. Toen ik mijn plannen maakte voor dit onderzeese vaartuig, wilde ik dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negentiende daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom moest het slechts negentiende van zijn volume verplaatsen, de halve 1350.18 kubikmeter,
dat is te zeggen een gewicht van een gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijn constructie dit gewicht niet te boven gaan. De nautilus heeft een dubbele romp welk platen door dwarsijzers verbonden zijn, welke eraan een buitengewone sterkte geven. Door deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen alsof ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt. De ijzeren panserplaten zitten vast tegenopkantig gedrukt
en door zulke bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeën te trotseeren. Die beide omkleedsel zijn van stalenplaten vervaardigd, welke dichtheid in vergelijking met die van het water 7,8 bedraagt. De huid is niet minder dan 5 cm dik en weegt 364,56 ton. De kiel, welke slechts 50 cm hoog en 25 cm breed is, weegt alleen 62 ton. De machine, de pallast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de tussenwanden en de binnenste stutten hebben
te samen een gewicht van 923,62 ton, het welk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd een totaalopleverd van 1350,18 ton. Begrepen? Begrepen, antwoordde ik. Als dus de nautilus drijft, vervolgde de kapitein, dan steekt zij voor een tiendendeel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende gedeelte, dat is van 150,02 ton, en als ik die met water vul, dan zal het vaartuig geheel onder water zijn.
Dit gebeurt, meneer de professor, die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de nautilus. Ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters. Goed kapitein, maar nu stuiten we juist op de grootste moeilijkheid, dat je juist onder het water oppervlakte drijven kunt, begrijp ik. Maar als je lager wilt zakken, ontmoet hoevaartuig dan geen drukking van beneden naar boven van een kilogram op de vierkante
centimeter? Juist meneer. Dan begrijp ik niet hoe jij de nautilus zo diep kunt doen indompelen, of jij moet haar geheel laten vollopen. Jij moet de statica niet met de dynamica verwassen, professor antwoordde kapitein Nemo, want dan begaat jij grove verdwaalingen. Er is slechts weinig arbeidsvermogen nodig om de grootste diepte van de oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben de neiging tot zinken. Volg slechts mijn redenering. Ik ben geheel gehoor kapitein. Toen ik het
toenemende gewicht wilde berekenen dat ik aan de nautilus geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht te geven op de vermindering in volume welke het zeewater ondergaat na mate men dieper in zee daalt. Dat is duidelijk, antwoorde ik. Wel nu, als het water al enigszins kan worden samengedrukt dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate. En inderdaad, volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts 460
10 miljoensten per atmosfeer, of op elke 10 meter diepte. Wil ik dus 1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volume inkrimpt onder een druk van een kolon van 1000 meter hoog, dat is onder die van 100 atmosferen. De vermindering zal dan 436 100 duizendsten zijn. Ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermederen dat het vaartuig 1500 en 6.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton. Het is dus slechts een vermedering van 6.54 ton. Slecht? Wel zeker meneer Arona,
en die berekening is gemakkelijk na te gaan. Nu heb ik nog andere vergaarpakken welke 100 ton inhoud hebben. Ik kan me dus op ontzachelijke diepte laten zinken. Als ik weer stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen en als ik dan alle vergaarpakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een tiende deel van haar hoogte boven het oppervlak aaks. Tegen zoke heelom cijfers gegromde bewijsvoering had ik niets in te brengen.
Ik neem uw berekening aan kapitein, gaf ik ten antwoord, en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik voorzien nog een wezenlijke moeilijkheid. Welke meneer? Als jij op 1000 meter diepte bent dan ondervindt het buitenste bekleedsel van de Nautilus een drukking van 100 atmosferen. Als jij dus op dat ogenblik het water uit uw vergaarpakken wilt verdrijven om weer te stijgen,
dan moeten uw pompen die drukking overwinnen en dat is 100 kilogram op de vierkante centimeter. Jij hebt dus een kracht nodig, welke de elektriciteit alleen mij kon geven, viel kapitein Nemo mij haastig in de reden. Ik herhalen het u meneer dat de dynamische kracht van mijn werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de Nautilus hebben een verbazende kracht. Je hebt dat Tunk mij reeds moeten ondervinden toen haar waterstralen zich als een woedende
stroom op het dek van de Abraham Lincoln neerstortte. Overigens bedien ik mij van mijn hulpvergaarpakken slechts om een gemiddelde diepte van 1500 tot 2000 meter te bereiken en dat wel om mijn toestellen te sparen. Als ik lust heb om de oceaan op een diepte van 2 of 3 kilometer te bezoeken dan heb ik veel langere, toch even onveilbare bewegingen nodig. Welke dan kapitein, vroeg ik. Daarvoor moet ik u noodzakelijk meedelen hoe de Nautilus bestuurd wordt.
Ik brand van ongeduld om het te vernemen. Om het schip naar stuur- of bakbordzijde te wenden, om het te doen laveren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen, daarvoor gebruik ik een gewone hoer dat met een tandrad in beweging wordt gebracht. Maar ik kan de Nautilus ook van boven naar beneden en omgekeerd bewegen in verticale richting. En dit doe ik door middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijde midden uit het schip steken en die
door middel van krachtige hefbomen allerlei standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig gehouden worden, dan gaat het in horizontale richting voort. Worden zij schuins gehouden dan daalt de Nautilus volgens de helling der vlakken en door de werking der schroef naar de diepte of komt op dezelfde wijze naar boven. En zelfs als ik spoediger naar boven wil komen, laat ik de schroef stilstaan en de drukking van het water doet de Nautilus in verticale richting
even spoedig stijgen als een luchtbal die met waterstofgas gevuld zich in de lucht verheft. Bravo kapitein, riep ik uit. Maar hoe kan de stuurman de weg volgen, welke jij hem in het midden der zee aanwijst? De stuurman staat in een glazen kooi, welke bovenop de Nautilus enigszins uitstekt en welke van grote lenzen is voorzien. Glazen? Die bestand zijn om aan zulke drukking weerstand te bieden? Wel zeker. Het kristal dat zo bros is als er tegen gestoten wordt,
heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven welke men in 1864 in de pozee nam om bij elektriklicht te vissen merkte men op dat kristalplaten van 7 mm dik aan een drukking van 16 atmosferen konden weerstand bieden als men een slecht warmte stralen door dit vallen, welke heren een gelijkmatige warmte mededeelden. En de glazen waarvan ik mij bedien zijn in het middelpunt niet minder dan 21 cm dik. Dat is dus 30x zoveel. Ik geloof het kapitein, maar om te
zien moet het licht de duisternis van die diepte toch vervangen en ik vraag mezelf af hoe het mogelijk is om onder in zee achter het stuurhokje is een krachtige elektrieke reflector geplaatst, welke stralen de zee op een kilometer afstands verlichten. Bravo kapitein, nu begrijp ik dat lichten van de reuztachtige eenhoorn die alle geleerde inspanning heeft gebracht. Het is natuurlijk dat ik u hierbij vraag of de botsing tussen de Nautulus en de Scotia,
waarover zoveel gepraat is, door een toevallige ontmoeting werd veroorzaakt, of niet? Geheel toevallig meneer, ik voer op 2 meter onder water toen de botsing plaatsgreep. Overigens zag ik dat het geen noodlottige gevolgen heeft gehad. Geen manier, maar wat u ontmoet ik met de Ebram Lincoln aangaat? Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke Amerikaanse marietemanier, maar men viel mee aan en ik moest mij verdedigen. Overigens heb ik mij slechts ver
genoegd om het frigat in een toestand te brengen dat het mij geen schade meer kon doen. Het zal zijn averij in de eerste haven de beste wel kunnen doen herstellen. Oh kapitein, riep ik geheel overtuigd uit. Uw Nautulus is waarlijk een wonder. Ja manier, antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening. En ik heb dat schip zo lief alsof het met vlees en bloed waren. Indien op uw gewone schepen gevaren u omringen, indien men op zee allereerst de indruk krijgt van
een gevoel dat u naar de afgrond trekt, zoals Jansen het zo nauwkeurig gezegd heeft, dan heeft de mens in de Nautulus niets te vrezen. Geen lek, want de dubbele huid heeft de sterkte van ijzer. Geen tuig dat door het slingeren en stampen van het schip spoedig vernieuwd is. Geen zeilen, welke door de wind u voor de neus aan fluiden scheurt. Geen ketels die door de hitten verteerd worden. Geen brand, omdat het gehele schip van ijzer en niet van hout gemaakt is. Geen kolen,
welke opraken omdat de elektriciteit zijn grootste kracht uitmaakt. Geen botsingen te vrezen, omdat het alleen in de diepte van de zee vaart. Geen storm te weerstaan, omdat het schip enige meters reeds onder de oppervlakte een volkomen stilte vindt. Dat is nu het schip bij uitnemendheid, meneer. En indien het waar is dat de ingénieur meer vertrouwen in zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester en de bouwmeester meer dan de kapitein zelf, dan kunt u begrijpen met welke vertrouwen
ik voor mijn Nautulus bezield ben als ik u zeg dat ik er de kapitein, de ingénieur en de bouwmeester van ben. De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid. Het vuur van zijn blik, het levenigen van zijn gebaren maakte een ander mens van hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief als een vader zijn kind. Maar een misschien onbescheiden vraag rees u bij mij op en ik kon die ook niet terughouden. Zijn gij dan ingénieurkapitein, vroeg ik. Ja professor,
antwoordde hij. Ik heb te Londen, te Parijs en te New York gestudeerd toen ik nog op het land woonde. Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautulus kunnen bouwen? Elk gedeelte van meneer Arona heb ik onder een verkeerd opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel is te Le Creusot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Penn & Co. te Londen, de ijzeren panzerplaten bij Leert te Liverpool, de schroef bij Scott te Glasgow,
de vergaderbakken zijn bij Keel en Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Kroep te Essen, de spoor in de werkplaatsen van Motala in Zweden, de juistheidsinstrumenten zijn van de gebroeders Hart te New York, enzovoort. En ieder van de leveranciers kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plant te zien. Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in okkander zetten? Ik had mijn werf op een onbewoond eiland midden in de oceaan. Mijn werklieden,
dat is te zeggen mijn dappere makkers die ik onderricht en gevormd heb, hebben daar de Nautulus onder mijn toezicht gebouwd en toen het vaartuig van stapel was gelopen, heeft het vuur elk spoor van ons verblijfd doen verdwijnen. Ik geloof zelfs dat als ik er toen in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen. Ik begin te geloven dat de kosten voor het bouwen van de Nautulus buitensporengroot zijn geweest. Een ijzeren vaartuig meneer Arona kost 1125
Frank per ton. De Nautulus beet 1500.2 ton, zij kost dus 1.687.725 Franken, dus zowat 4 of 5 miljoen met alle kunstwerken en schatten, welke zij bevat. Een laatste vraag kapitein. Vraag meneer, Zijd jij dan zo rijk? Ongelofelijk rijk meneer, ik zou zelfs zonder moeite de gehele nationale schuld van Frankrijk
kunnen betalen. Ik keek de zonderlinge man die zo sprak strak aan. Maakte hij ook misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen. Einde van hoofdstuk 13