Chapter 14
Hoofdstuk 14 van Twintigduizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintigduizend Meilen onder Zee door Jouverne. Hoofdstuk 14, De Zwarte Stroom. Men berekent dat het water op de aardpool een oppervlakte beslaat van 3.751.322.76 m2 of meer dan 37,5 miljoen hectare. De massa water wordt geschat op een hoeveelheid gelijk aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40.000 jaar zouden uitstorten.
Gedurende de geologische tijdperken volgden het tijdperk van het water op dat van het vuur. Eerst was er overal zee. Toen verschenen in het siluurische tijdvak langzamerhand bergtoppen. Eilanden kwamen boven. Verdwenen soms onder de grote waterstromen, kwamen opnieuw boven, verenigde zich en vormde vaste landen zoals wij die nu door kennen. Er was een bewoombijn vast gedeelte ontstaan dat een oppervlakte had van 132.987.377 vierkante kilometer of ruim 13.298 miljoen hectare.
De vorm van dit land doet ons het water in vijf grote wereldzeeën verdelen. De Noordelijke IJszee, de Zuidelijke IJszee, de Indische Oceaan, de Atlantische Oceaan en de Stille Zuidzee. Deze laatste strekt zich van het noorden naar het zuiden tussen de beide pooscirkels en van het westen naar het oosten tussen Azië en Amerika uit. Over een lengte van 145 graden. Het is de kamstezee. Men vindt er brede en langzame stromen in.
Het verval is middelmatig en er vallen overvloedige regens in. Zodanig was de oceaan, welke mij noodlot mij in de vreemdzorgelijkste omstandigheden zouden doen doorreizen. Meneer de professor, zei kapitein Nemel, als ge wilt zullen we eens pooshoogte van onze ligging nemen en het punt van vertrek voor deze reis bepalen. Het is kort voor twaalfen. Ik zal dus weer naar de oppervlakte stijgen. De kapitein drukte driemal op een elektriek klokje.
De pompen dreven het water uit de vergaarbakken. De naald van de manometer wees door verschil in drukking het stijgen van de nautilus aan. Totdat alles stilstond. We zijn er, zei de kapitein. Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde.
Ik besteed de metalen treden en door het geopende luik kwam ik boven op de nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee. De voor- en achtersteven van het vaartuig hadden zulk in vorm dat men het vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte dat de ijzeren platen even overalkande waren geschooven
en enige overeenkomst hadden met de schubben van enig kruipend dier. Ik begreep dus vrij natuurlijk dat dit schip, niet tegenstaande de beste kijkers, altijd voor een zeemolster gehouden werd. In het midden van het plat stak de sloop, welke half in het schip verborgen was, enigermate uit.
Voor en achter bevonden zich twee kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden en voor een deel door grote lensen gesloten. De ene kooi was voor de stuurman die de nautilus stuurde. In de andere schitterde het krachtige elektrische licht dat het schip op zijn weg verlichtte. De zee was kalm en de hemel helder.
Het lange vaartuig voelde nauwelijks iets van de zwarte schommelingen van de oceaan. Een licht oostenwindje rippelde het watervlak. De gezichtseinde was zonnen nevels en liet dus de beste opmetingen toe. Er was niets in het gezicht, geen klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.
Capitain Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon opnemen, waar hij de breedte leerde kennen. Hij wachtte enige minuten totdat de zon zijn grootste hoogte bereikt had. Terwijl hij zijn observatie deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn lichaam en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet onbeweeglijker hebben kunnen zijn.
Middag, zei hij. Ik weerp een laatste blik op die zee, welke enigszins geelachtig gekleurd was door het zand van de Japanse kust. En ik ging weer naar het zandel. Daar bereikende de kapitein de lengte en zei toen,
Meneer Aruna, we zijn op 137 graden, 15 minuten wester lengte. Van welke meridiaan, vroeg ik driftig, hopend dat het antwoord van de kapitein mij misschien zou doen gewaar worden uit welk land hij afkomstig was. Meneer antwoordde hij,
ik heb verschillende chronometers die geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Creelech en Washington, maar ter ure ere zal ik mij van die van Parijs bedienen. Dit antwoord liet mij even wijs. Ik poog en de kapitein vervolgde,
137 graden, 15 minuten wester lengte van Parijs, 30 graden, 7 minuten noordenbreedte, dat is te zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japanse kust. Het is hele 8 november desmiddags dat onze onderzoekingstocht onder water begint. God bewagen ons, zei ik.
En nu meneer professor, laat ik u de tijd voor uw studieën. Ik heb gelast om oostnoordoost te sturen op een diepte van 50 meter. Hier hebt jij kaarten met grote punten waarop jij onze weg kunt volgen. Het salon is ter ure beschikking,
terwijl ik de vergunning verzoek om mij te verwijderen. De kapitein groette mij, ik bleef met mijn gedachten alleen. Ik dacht slechts aan de kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit te weten komen tot welke natie deze vreemdzorgdige man behoorde,
die er zich op beroemde totgene te behoeren? Wie had die haat bij hem opgewekt, welke hij aan de mensheid gezworen had en die hem misschien op vreselijke wraak bedacht deed zijn? Was het een van die miskende geleerden,
die men volgens een uitdrukking van Koenraad verdriet had aangedaan? Een Nieuwerwetse Galilee? Of een van die wetenschappelijke mannen, zoals de Amerikaan Morrie, wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken?
Ik kon het niet zeggen. Hij ontving mij, die het toeval bij hem aan boord had gebracht. Mij, wiens leven in zijn hand lag, koel, toch gastvrij. Hij had evenwel nimmer mijn hem toegestoken hand aangevat of bij de zijde toegestoken.
Ik bleef een uur in gepijns verzonken zitten en zorgd die voor mij zo geheimzinnige sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het oog op de grote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid. En zette de vinger op de plaats waar de opgegeven breedte en lengte graden
opkandig kruisten. De zee heeft stromen als het vaste land. Het zijn bijzondere stromen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hun kleur, en van welke de bergweiligste de naam van golfstroom draagt. De wetenschap heeft op de aardbol de richting van vijf hoofdstromen aangewezen.
Eén in het noorden en één in het zuiden van de Atlantische Oceaan, twee andere in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee en een vijfde in het zuiden van de Indische Oceaan. Zelfs is het waarschijnlijk dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft toen de Kaspische Zee en het Meer Aarau met de grote Asiatische Meeren verbonden
slechts één grote uitgestrektheid water vormden. Op de plaats der wereldkaart waarop ik de vinger hield, vertoonde zich één van die stromen. De Kuroskivo der Japanezen, de zwarte stroom, welke uit de golf van Manganen komende,
door de straat van Malacca en langs de kust van Azië stroomt, en dan in de Stille Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt. Hij voert kamverboden en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk de onderscheiden van de golven van de Oceaan.
Deze stroom zou de Nautilus volgen. Ik volgde die met het oog op de kaart en zag hem zich in de oneindig grote Oceaan verliezen. Zelfs voelde ik mij een reetstorm mee slepen toen net Lent en Coenraad de zaal binnen traden.
Mijn wakkere lotgenoten bleven ons versteend staan op het gezicht van zovele wonderen als hier, op één gestapeld lagen. Waar zijn wij? riep net uit. In het museum Tequepec? Met meneers goed vinden zou ik eer zeggen dat het bij ons in de galerie de zoologie was, zei Coenraad.
Vrienden, antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen. Je bent nog in Canada, nog in Frankrijk, maar aan boord van de Nautilus, vijftig meter onder het oppervlakte zee. Ik moet meneer geloven omdat hij het verzekert, zei Coenraad, maar op mijn woord de zaal is zo schoon
dat zij zelfs een Vlaming als mij verbaast. Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand die zoveel liefhebberij in de drank schikken en in klassen indelen heeft als gij, is hier werk in overvloed. Ik behoefde hem niet aan te moedigen.
De brave jongen boog zich over de glazen kasten en mompelde allerlei woorden en namen uit de taal der natuurkenners. Weekdieren, koppotigen, gipoua, madagascariensis, enzovoort. Alles doorhoek anders. Gedurende die tijd vroeg net Lent, die niets met schelpen ophad,
mij naar mijn onderhoud met de kapitein. Of ik ontdekt had wie hij was, van waar hij kwam, waar hij heen ging, naar welke diepte hij ons meesleepte, kortom, duizenden vragen waarop ik zelfs de tijd niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of liever, wat ik niet wist,
en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien of gehoord had. Niets gehoord of gezien, antwoordde hij. Ik heb zelfs niemand van de equipage gezien. Zou die misschien ook elektric zijn? Elektric?
Waarrachtig! Wij zouden haast gaan geloven. Maar jij, meneer Arona, vroeg net Lent, die, zowats geen altijd bij zijn denkbeeld van overrompeling bleef, zou jij niet kunnen zeggen hoe sterk ze hier aan boord zijn?
Tien, twintig, vijftig, honderd. Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het ogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilusmeester te maken of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken der Nieuweren Nijverheid,
en het zou mij spijten als ik het niet gezien had. Velen zouden zich in onze toestand schikken, al waren het alleen maar, om ten midden van al die wonderen rond te dolen. Houdt u dus stil, en laat oostrachten te zien wat rond te dolen is. Zien, riep de harpoedier, maar men ziet niets.
Er zal nooit iets zien in die ijzerige vangrijs. We varen in de blinden. Toen het dit zij, werd het eensklaps donker als de nacht. Het licht aan de zoldering verdween, en wel zo snel dat mijn ogen er pijnlijk door werden aangedaan,
evenals dit geschied wanneer men van de diepste duisternits plotseling in het schitterendste licht kon lopen. Ik heb het al eens gezegd, maar ik heb het niet gezegd. Wij bleven verstomd staan en bewogen ons niet, da wij niet wisten welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte.
Toch een schuiver deed zich horen. Men zou gezegd hebben dat de zijwanden van de nautilus in beweging kwamen. Dat is nu het einde van alles, zei Ned. Orde van de Hidrobedesen, mompelde Koen. Plotseling werd de dag aan weerstand gebleven.
Het zeewater was helder verlicht door een stroom-elektrieklicht. Twee dikke glas-schijven scheide ons van de zee. Eerst zitterde ik op de gedachte dat deze brooze wanden konden breken, maar stevige kopere stangen steunde het glas en gaven eraan een bijna onbeperkt weerstandsvermogen.
De zee was op een kilobereld van de zee, maar de grond van het water was in het licht van de zee. De zee was op een kilometer afstandsrondom de nautilus duidelijk zichtbaar. Welk een schauspel! Welke pen zou dit kunnen beschrijven? Wie zou de uitwerking van het licht door deze doorscheidende massa
en het zachte afdeewen en verminderen daarvan in de diepte boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent de doorscheidendheid der zee. Men weet dat haar water helderder is dan bronwater. De mineralen en organische bestanddelen welke er in opgelost zijn, vermeerderen die doorscheidendheid. In enkele gedeelten van de oceaan, bij de Antille bijvoorbeeld,
kan men op een diepte van 145 meter de zandige bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien. En zelfs schijnen de zonnestralen nog tot op een diepte van 300 meter door te dringen. Maar in de stroom waarin de nautilus dreef, werd het elektriklicht in de diepte der zee zelf voortgebracht. Het was geen van licht water meer, maar een stroom van vloeibij licht.
Als men de veronderstelling van Ehrenberg geloven wil, dan zou er in de diepte der zee een phosphoriserende licht bestaan, waardoor de natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schauspel bereid heeft. Ik kon dit in weinig beoordelen door het duizendvoudige spelen van het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoezochde afgronden.
De duisterdis van de zaal deed het licht buiten des te beter uitkomen, en we keken door de ramen alsof het de wanden van een zeer groot aquarium waren. De nautilus scheen zich niet te bewegen. Het was omdat wij vaste punten voor ons oog misten. Sommige weilen echter vloogen strepen water met buitengewone snelheid ons voorbij,
waardoor wij konden zien dat wij inderdaad zeer snel vooruit gingen. Verbaasd leunde wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een onze de stilte nog had afgebroken, toen Conrad zei, —Gewilderd zien, vriend Ned,
—Wel nu, —Zie! —Prachtig, zei Ned, die zijn toren en zijn ontvluchtingsplannen vergetende,
zich onwillekeurig aangetrokken voelde. Men zou er zelfs ver om willen reizen om zulke schauspel te bewonderen. —O, riep ik uit, —Nu begrijp ik het leven van je man.
Hij heeft zich in wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem haar grootste wonderen bewaart. —Maar wij zijn de vissen, merkte de harponier op, ik zie er geen.
—Wat gaat u dat aan, vriend Ned, antwoordde Conrad, omdat gij ze toch niet kent. —Ik, een visser,
zei Ned Lent. En daarop ontstond een soort van twistgesprek tussen de beide vrienden, want beide kennen de vrienden, maar ieder op verschillende wijze. Ned Lent kende er wel onderscheid tussen,
doch Conrad wist er zoveel te meer van. En nu hij de vriend van de harponier geworden was, kon hij niet dulden dat deze minder wist dan hij. Daarom zei hij, —Gij bent een vissendoder, mijn vriend,
een zeer handig visser. Jij hebt een grote menigte van die belangwekkende dieren gevangen, maar ik wet dat gij niet weet hoe mensen in klassen verdeeld. —Wel zeker, antwoordde de harponier ernstig,
in vissen die men eet en die men niet eet. —Dat is de onderscheiding van een vraad, antwoordde Conrad. —Maar zeg me eens of gij wel de onderscheid kent tussen beenachtige en kraakbeenachtige vissen.
—Messchien wel, Con, en de onderverdening van die beide grote klassen? —Ik heb er nooit van gehoord, antwoordde Ned.
—Wel nu, hoor me aan en onthoud het. En daarop begon de vriend van de harponier. En daarop begon hij in geleerde verhandeling over de vissen, waarbij de harponier allerlei uitroepen deed horen,
die genoeg zijn bewezen dat hij al die geleerdheid van Conrad al bijzonder weinig telde, en de vissen alleen uit het oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Conrad aan het einde van zijn dissertatie gekomen was, zei hij,
—Ziet ge bij beste Ned, als gij dat alles nu weet, dan weet ge eigenlijk gezegd nog niets, want de familie worden weer onderverdeeld in soorten. —Onderzoorten,
verscheidenheden, wel nu vriend Coen, viel de harponier hem in de reden, terwijl hij tegen de draam leunde. Daar heb je verscheidenheid genoeg.
—Ja, allerlei vissen, zei Coen raad. Men zou denken dat men voor een aquarium zat. —Nee,
vroeg ik hem toe, want een aquarium is een kooi, en hier zijn de vissen zo vrij als vogels in de lucht. —Wel nu, vriend Coen,
noem ze dan eens op als ge kunt, vroeg Ned Lent. —Ik, antwoordde Coen raad. Daar ben ik niet toe in staat.
Dat is de zaak van mijn meester. En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klasseindelingen de weer doch volstrekt geen natuurkenner. Ik weet niet of hij wel een schelvis van een school had kunnen onderscheiden.
Kortom, hij was het tegendeel van Ned Lent, die al de vissen zonder aanzellen opnoemde. Met hun beiden zouden zij een voormaakt ichthioloog hebben gevormd. Gedurende een paar uur trok een talloos heer van zeebewoners met een doute lust mee.
Ze sprongen en draaide en speelden voor ons oog dat het hun lust was, en wet ijverde in schoonheid, glans en vluchtheid. Ik herkende er de meeste soorten onder van de vissen, welke in de Grote Oceaan gevonden worden. Grote en kleine,
schone en afschuwelijke, en daaronder som wij de zeer zeldzame en prachtige exemplaren. Onze verbazing was voortdurend ten hoogste gespannen. Onze uitroepen verminderden niet. Ned noemde de vissen op en Koeraad deelde ze in klassen in.
Ik was opgetogen op het gezicht van hun bewegingen en de schoonheid hun ervormen. Nooit was mij het geluk te beurt gevallen die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element te aanschouwen. Ik zal al de bescheidenheden niet opnoemen welke voorbij onze verbaasde blikken heen schoten. Het was alles wat de Japansche en Chinese zegen slechts opleverden. De vissen kwamen touwrijker dan de vogels in de lucht op ons af,
waarschijnlijk aangetrokken door het schitterende elektrische licht. Plotsling werd het weer licht in de zaal, de wanden werden dichtgeschoven en het betoverend gezicht verdween. Maar nog lang droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan de muur vestigde.
Het compas wees altijd een noordoostelijke richting aan. De manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus een diepte van vijftig meter, en de elektrische loch deed ons zin dat wij vijftien kilometer in het uur maakten. Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet.
De klok stond op vijf uur. Netlend en Koenraad gingen naar hun hut. Ik naar mijn kamer. Mijn middagmaal stond gereed, het bestond uit een overheerlijke schildpadsoep. Verder uit een in boten gebakken barbeel,
wiens lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde, en uit enige sneden van een gebraden grote vis, waarvan de smaak lekkerder was dan van zam. Ik bracht de avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik slaap kreeg, ging ik naar bed en sliep gerust,
terwijl de nautilus de snelle zwarte stroom volgde. Het einde van hoofdstuk veertien. ***