Chapter 17
Hoofdstuk 17 van Twintigduizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintigduizend Meilen onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 17, een onderzeeswoud.
Eindelijk waren wij aan de rand gekomen van het woud, dat zeker een der schoonste was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover aan als de eerste mensen in de eerste tijden na de schepping op alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesgebied betwist hebben?
Welk ander zou evenstaat moeilijk als hij met de bijlende hand het zombere woud zijn komen ontginnen? Dit woud ontstond uit grote boomplanten, en zodra wij erin waren doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door de zonnelinge stand ter takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt. Geen van de grassoorten, welke de grond bedekten, geen van de takken, welke uit de struiken
tevoorschijn groeiden, was bochtig of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar het zeeoppervlak. Geen sprietjes, geen takjes, zó dun, of ze waren de rechten als ijzeren staven en draad. Het zeewier en het riet groeiden lijnrecht naar boven. Als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen die planten onmiddellijk haar voorige stand.
Hier scheed het rijk van de rechtstandigheid te zijn. Weldra raakte ik gewoon aan die zonnelinge stand tegen wassen, evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeilijk konden vermijden. De onderzeeze flora scheen mij hier vrij volledig te zijn, en zelfs rijker dan zij in noordelijke
of kirkringstreken was. Toch gedurende enige minuten waarde ik planten en dieren door een. En wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daaraan de fauna en de flora o'cander in die onderzeeze wereld zou naarbij komen. Ik zag dat al die voornbrengselen van het plantenrijk slechts even aan de oppervlakte van de bodem
gehecht waren, zonder wortels. Bijna niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen zij aan zand of steen, aan schelp of hoeren slecht een steunpunt en geen levenskracht. Die planten groeien slechts uit zichzelf, en het beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt en voet.
De meeste planten hadden in plaats van bladeren langwerpige stelen van grillige vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd waren, namelijk het roze-rood, karmijn, groen, de olijfkleur, het vaal en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van planten en zoophieten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig natuuronderzoeker eens kon uitroepen
– zonderlingen tegen strijdigheid, wonderlijk element waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt en het plantenrijk geen bloemen heeft. Tegen een uur gaf de kapitein een teken om haal te houden. Ik was er zeer blij om, en we strekten ons onder een soort van priël op de grond uit. Dit ogenblik rust scheen mij heerlijk toe.
Wij misten slechts het genoegen om met okander te kunnen praten, maar dit was onmogelijk. Ik kwam met mijn grote kopere helm slechts even tegen die van Coenraad aan. Ik zag de ogen van de brave jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij, ten teken van vreugde, zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewog. Na vier uur gewandeld te hebben was ik verwonderd geen erge honger te gevoeden, waardoor deze
zonderlinge toestand van de maag ontstond, zou ik niet kunnen zeggen. Maar daarentegen had ik een onoverkomelijke lust tot slapen, zoals dit met alle duikers het geval is. Mijn ogen sloten zich wel draar en ik viel in een diepe slaap, welke de beweging van het lopen alleen had kunnen beletten.
Kapitein Nemo en zijn makkers strekten zich ook op de grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld. Hoe lang ik bleef slapen kan ik niet zeggen, doch toen ik wakker werd schede het me toe dat de zon naar de gezichtseinder neigde. Kapitein Nemo was reeds opgestaan en ik begon me uit te rekken, toen een onverwachte verschijning
mij eensklaps overeindjoeg. Op enige schede afstand keek een monsterachtige zeespin van een meter hoog bij met haar loense ogen aan, gereed om zich op mij te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen de beet van dit dier te beveiligen, kon ik een beweging van afgrijzen niet onderdrukken.
Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat ogenblik wakker. De kapitein wees zijn makker het afschuwelijke beest dat door een koolslag werd geveld en ik zag het monster de afgrijzelijke poten in vreselijke stuiptrekkingen vringen. Deze ontmoeding deed mij erop bedacht dat andere, vrij wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewonen en dat mijn scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen.
Ik had er tot op dit ogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijn hoede te zijn. Overigens onderstelde ik dat deze rust het einde onze wandeling aanwees, maar ik bedroog mij en in plaats van naar de Nautilus terug te keren vervolgde de kapitein zijn stoutmoedige tocht. De bodem helde voortdurend, zodat wij nog groter diepte bereikten.
Het zou omstreeks drie uur geweest zijn toen wij in een nauwe vallei tussen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onze kleding en toestellen waren wij dus 90 meter dieper afgedeeld dan de natuur tot nog toe de mens bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik zeg 150 meter hoewel ik dit met geen enkel werkdaag kan bewijzen, maar ik weet dat zelfs
in het helderste zeewater de zonnestralen niet dieper kunnen doordringen en juist nu begon hier ondoordringbare duisternis te heersen. Op geen 10 pas afstands konden wij enig voorwerp onderscheiden. Ik liep dus op de tast toen ik plotseling een vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn elektriek toestel in werking gebracht.
Zijn bakken volgden zijn voorbeeld, evenals Koenraad en ik. Door een schroefje om te draaien bracht ik de klost met de glazenbuis in gemeenschap en de zee werd door onze vier lantaarns in een omtrek van de 25 meter helder verlicht. Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud, waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd.
Ik merkte op dat de planten eerder ophielden dan de dieren en dat terwijl de bodem bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van allehande soort de rocander krioelde. Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen enige bewoners die sombere diepte naar ons toe moesten lokken, maar als zij ons al naderden, bleven zij toch op een te grote afstand om
een jacht op te maken. Verscheiden malen zag ik Kapitein Nemo aanleggen, maar telkens liet hij het geweer weer zakken en vervoerde zijn wandeling. Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onze merkwaardige tocht. Een muur van schone rotsen van de indrukwekkende gedaante verhief zich voor ons.
Rezachtige blokken graniet waren hier oppelkande gestapeld, met vele donkere holen daartussen, maar toch nergens was een plaats te vinden waar die rotsmuur bestegen kon worden. Het waren de grondvesten van het eiland Crespo. Hier was dus land. De kapitein hield plotseling stil.
Door een beweging met de hand geboot hij ons hetzelfde te doen en hoe begierig ik ook was om over of om die rotswand heen te komen, zo moest ik toch blijven staan. Hier eindigde het gebied van Kapitein Nemo, hij wilde niet verder gaan. Deed hij het, dan kwam hij op een gedeelte van de aardbol dat hij niet meer wilde betreden. Onze terugtocht fing aan.
De kapitein stelde zich weder aan ons hoofd en vervolgde steeds, zonder aarzelen, zijn weg. Ik meende op te merken dat wij niet dezelfde weg volgden als straks om de Douterdustweer te bereiken. Deze nieuwe weg, die vrij stijl en daardoor zeer moeilijk was, bracht ons spoediger naar de oppervlakte der zee.
Evenwel was dit stijgen niet zo snel, dat de druk van het water daardoor plotseling verminderde, waaruit anders nadelen voor ons lichaam konden ontstaan, zoals maar al te dik was bij Duijbers het geval is. Het daglicht verscheed weer en werd sterker. Doch, daardoor de zon ten ondergang neigde, schitterden de voorwerpen door de straalbreking
opnieuw in schone kleuren pracht. Op tien meter diepte gingen wij midden door een zwerm kleine vissen van allerhande soort. Veel talrijker dan de vogels in de lucht en ook vlugger. Doch, geen enkel stuk waterwild dat het schot waard was, had zich nog aan ons voor gedaan toen ik de kapitein plotseling zijn geweer zag aanleggen en daarmee tussen de waterplanten
een beweegbaar voorwerp volgen. Het schot ging af. Ik hoorde een licht gesis en als door de bliksem getroffen viel op enige passen voor ons een dier neer. Het was een prachtige zeeelter, het enige viervoedige dier dat bepaald de zee bewoont.
Het dier was anderhalve meter lang en waarschijnlijk zeer kostbaar. Het vel was op de rug kastalje bruin en aan de buik zilverwit. Het was een prachtige huid, welke op de Russische en Chinese markten zeer gezocht zou zijn geweest. Ik schatte die vracht om haar fijnheid en glans ten minste op 2000 frag. Ik bekeek dit zonnelingenshoogdier nauwkeurig.
Het had een ronde kop, korte oortjes, ronde ogen, witte snorren zoals van een kat, aan de poten zwemvlies en nagels en een dikke staart. Dit kostbare vleesvretende dier waarop de vissers veljacht maken, wordt hoe langer hoe zeldzamer en huisdans voornamelijk in de noordelijke streken van de grote oceaan waar het mogelijk wel dra geheel zou uitsterven.
De matroos van de nauwteles nam het dier op, hing het over de schouder en wij vervolgden onze weg. Gedurende een uur hadden we een zandvlakte voor ons. Er waren somwijlen hoogten in die de oppervlakte der zee tot op twee meter naderden. Dan zag ik boven ons hoofd ons beeld zeer nauwkeurig teruggekaatst, doch natuurlijk ondersteboven. Het was een troepje dat onze bewegingen en gebaren volkomen nabootsten, doch het ging
met de benen in de lucht en het hoofd daar beneden voorwaarts. Een ander verschijn zoals dat ik dikwijls dikke wolken zeer snel over ons heen meende te zien drijven. Maar toen ik daarover nadacht begreep ik dat die wolken slechts ontstonden door de zware golven, wie er met schaarbedekte koppen ik uit okander zag starven. Zelfs bemerkte ik van tijd tot tijd het snelle voorbijvliegen van grote vogels, welke over
het watervlak schoren. Bij die gelegenheid was ik getuige van een der schoonste schoten, welke ooit een jagersacht hebben doen kloppen. Een grote vogel met brede vlucht dreef voor de wind op ons af. De makker van de kapitein legde aan en schoot toen de vogel nog op enige meter boven de
oppervlakte was. Het dier viel getroffen neer, dicht bij de behendige schutter die zich van zijn buit meester maakte. Het was een albetos van de schoonste soort. Onze tocht was door dit voorval niet opgehouden.
Gedurende twee uur gingen wij over zandvlakten of wijden van zeegras, waar het lopen moeilijk viel. Om de waarheid te zeggen, ik kon niet meer toen ik op een halve kilometer afstand een flauw licht in de duisternis zag schemeren. Het was de lantaarn van de nautilus.
Binnen twintig minuten moesten wij aan boord zijn en daar zou ik weer vrij kunnen ademhalen, want het scheme er toe dat mijn toestel mij slechts zeer weinig zuurstof houden de lucht meer toevoerde. Ik rekende evenwel buiten een ontmoeting, welke onze komst aan boord eniger mate vertraagde. Ik was ongeveer twintig pas achtergebleven toen ik de kapitein plotseling naar mij zag
toekomen. Met zijn krachtige hand drukte hij mij op de grond, zoals zijn metgezel het Koenraad deed. Eerst wist ik niet wat van die plotselingen aan valt te denken, doch werd gerustgesteld toen ik zag dat de kapitein naast mij ging liggen en onbeweeglijk bleef.
Zo lagen wij achter een bos zeegras uitgestrekt toen ik het hoofd eens even ophief en een verbazend grote gedaante met veel geplas over ons zag heen gaan, welke een lichtglans van zich gaf. Mijn bloed stolde mij in de aderen, want ik had de grote haaien herkend, welke ons bedreigden. Het waren een paar tintoreas, vreselijke zeemonsters met grote staart en een tof en
een glazig oog, die uit de gaatjes rondom hun bek een lichtende stof afscheiden. Het zijn monsterachtige lichtvliegen, die een mens tussen hun ijzeren kaken ineens verpletteren. Ik weet niet of Koenraad bezig was om zich in een zekere klasse te ordenen, toch ik bekeek wat mij aangaat hun zilverkleurige buik, hun vreselijke muil vol scherpe tanden, minder met een wetenschappelijk doel, en ik deed het eerder als slachtoffer dan als natuuronderzoeker.
Gelukkig zien die fraadzuchtige dieren zeer slecht. Ze zwommen voorbij zonder ons te zien, waarbij zij met hun bruinachtige zwemvlies een rakenings over ons heen gingen, zodat wij als door een wonder aan een gevaar ontstapten, dat zeker veel erger was dan de ontmoeting met een tijger in het dichtste van het woud. Een half uur daarna bereikten wij, door het elektrische licht van de nautilusgeleid, het
vaartuig. De buitendeur was opengebleven en de kapitein stoot haar zodra we binnen waren. Daarna drukte hij op een knop. Ik hoorde de pompen in het vaartuig zich in beweging stellen. Ik voelde het water rondom mij weglopen en binnen weinige ogenblikken was de cel leeg.
De binnendeur werd opengedaan en wij traden de kleedkamer binnen. Daar werden wij, niet zonder moeite van onze scaphenders bevrijd, en dood af van vermoeidens en staap bijna in okkanden zakkende, ging ik naar mijn hut, nog verpaasd over de wondervolle tocht in de diepte der Zee. Het einde van hoofdstuk 17