Chapter 19
Hoofdstuk 19 van Twintigduizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintigduizend Meilen onder Zee door Jules Verne. Hoofdstuk 19 van Icorro.
Dit vreselijke schouwspel was de voorbode van een menigde zee rampen, welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Zedat wij in meer bezochte zeeën kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke drijvende bijna geheel verrot waren. En dieper op de bodem lagen kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen
die door de roest werden verteerd. Altijd meegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd van de wereld leefden, kregen wij 11 december de Pomotu-archipel in het gezicht. Het waren de gevaarlijke eilanden van Bouaïville, die zich over een ruimte van 2000 kilometer van het oost-zuidoosten naar het west-noordwesten tussen 253 graden 50 minuten en 30 graden
30 minuten zuidenbreedte en 151 graden 30 minuten en 125 graden 30 minuten westerlengte uitstrekken van het eiland Duchi tot aan het eiland Matahiva, Lazaref. Deze archipel bedekt een oppervlakte van bijna 6000 vierkante kilometer en wordt gevormd door een zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de Gambier-eilanden welke onder bescherming staan van Frankrijk.
Het zijn allen coraoeilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam maar voortdurend opgeheven en zullen eens met Alcander verbonden zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de natuurige archipels en zo zal er een vijfde vaste land ontstaan dat zich van Nieuw-Zeeland en Noord-Caledonie tot aan de Markieze eiland
uitstrekt. Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zei hij koetisch, het zijn geen nieuwe vaste landen welke de aarde nodig heeft, maar nieuwe mensen. Het toeval misschien had de Nautilus op haar vaak juist bij het eiland Clermont-Tonorée gebracht, een van de zonnelinksten van deze groep, welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt
werd. Ik kon nu de coralen bestuderen aan welke de eilanden in die oceaan hun ontstaan te hebben. De coralen worden met een kooklaag overtrokken, de kleine diertjes welke ze vormen, leven bij miljoenen in hun cellen.
Het zijn hun kooknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zoals op de kusten van Nieuw-Caledonie en van verschillende eilanden van de Pomoto-archipel. Op andere plaatsen weer, zoals op Reunion en Mauritius, vreffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden die rechtop reizen en naast welke de oceaan onmetelijk diep is.
Het eiland Clermont-Tonorée, op enige kabalengte naderende, bewonderde ik de terreuse werk dat door die microscopische kleide dieren gemaakt was. Ik kon die zonnelingermuren van daarbij beschouwen, want onmiddellijk ernaast peilden wij meer dan 300 meter. Deze prachtige kalkformatie schitterde in ons elektriek licht.
Toen Koenraad mij vroeg hoe lang het wel duurde eerst ook een grote rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat de geleerden meende dat zij gedurende een eeuw slechts een achtste centimeter groeide. Om die muren te vormen, zei hij aanzelend, zijn er dus wel 192.000 jaren nodig geweest kon, waardoor de tijdrekening van de Bijbel wel wat langer wordt.
Overigens is er nog onzachelijker tijdverloop nodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden, welke door zonvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt en tot afkoening van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overflurde bij dat die dagen van de Bijbel tijdvakken voorstellen en geen tijdruimte tussen twee zons opgangt, want volgens de Bijbel zelf dachtekent de
zon niet eens van de eerste scheppingsdag. Toen den Nautilus weer op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en bosrijke eiland Clermont-Tonoré in zijn gehele omvang zien. De korraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar geworden. Eens is zeker een zaadje door een orkaan van de buurige eilanden op deze kookrotsen
overgeweid, waarop verrotte vissen en zeeplanten vruchtbare aarden hadden gevormd. Een kokersnoot werd door de golven voortgestuurd en op deze kust geworpen. De noot ontkiemde en schoot wortels. De boom groeide op en hield de waterdamp tegen, zo ontstond een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe.
Enige diertjes, wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind op andere eilanden had losgerukt. Schildpallen kwamen haar eieren leggen. Vogels nestelden zich in de jonge bomen. Zo ontwikkelde zich het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen
de mens. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden. Tegen de avond verdween Clamont Tonneré in de verte en de richting van de nautilus veranderde merkbaar. Na op 135 graden lengte de steenbokskeekring even te hebben aangeraakt, wende zij zich
West-Noord-West. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wij geen rinder van de warmte, daardoor de temperatuur op 30 of 40 meter onder water zich niet boven 10 of 12 graden verhief. Op 15 december lieten wij de schone archipel der Gezelschapseilanden en het bevallige Tahiti, de Koningin der Stille Zuidzee, oostwaarts liggen.
S'morgen bemerkte ik enige kilometer onder de wind de hoge bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voettreffelijke vis voor onze tafel. De nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tussen de archipel van Tonga-Tabu, waar de Argo, de Port-au-Prince en de Duke en die van de Schippers-eilanden, waar Capitaine de Langle, de vriend van La Pérouse, vermoord
werd. Daarna kwamen wij langs de Witte-eilanden, waar de wilden de matrozen van de Union en Capitaine Bureaux van de Ermable Josephine vermoorden. Deze archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over een lengte van 400 en van het oosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt, ligt tussen 6 en 2 graden zuiderbreedte
en 174 en 179 graden westen lengte. Het bestaat uit een groot aantal eilandjes en klippen waaronder de eilanden Witte-Lewoe en Wannaleewoe de voornaamste zijn. Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar waarin Toiselli de barometer uitvond en Lodewijk de Viertiende de troon beklom.
Ik laat daar welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de mensheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Antricastot in 1793 en eindelijk in 1827 Dormont d'Urville, die deze geografische chaos eens goed onderzocht en beschreef. De Nautulus naderde de baai van Wailéa, het toneel van de vreselijke lotgevallen van die Capitaine Dion, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk van La Pérouse.
Deze baai waar wij verscheidende malen de netten uitwirpen, leverde een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk veel en maakten ze volgens Seneca's voorschrift zelf aan tafel open. De oesterbank van Wailéa moet verbazend groot zijn en zonder veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die op een stapeling van schelpdieren eindigen met de gehele baai te vullen, omdat
één dier tot zelfs 2 miljoen eieren kan bevatten. Indien Ned Lent bij die gelegenheid geen berauw over zijn guldsigheid had, dan komt het alleen daarvan daan dat de oesters het enige eten is dat minder een indigestie veroorzaakt. Inderdaad, men moet niet minder dan 16 dozeen van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijks onderhoud van een mens
nodig zijn. De Nautilus voer op 25 december midden door de archipel der Nieuwe Hebriden, welke Kieros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768 nader onderzocht en waaraan Cook in 1773 de tegenwoordige naam gaf. Deze groep bestaat uit negen grote eilanden en ligt in een lijn van 480 kilometer van
het Noord-Noord-Westen naar het Zuid-Zuidoosten tussen 15 graad en 2 graad zuiderbreedte en 164 en 168 graden westerlengte. We gingen dicht genoeg langs het eiland Aorou om te zien dat het bedekt was met bossen, uit welke midden een bergtop hoog uitstak. Het was die dag kerstmis en het scheen mij toen dat Ned Lent het zeer betreurde dat hij
het bij de Engelse zo hooggeerde kerstfeest niet ten midden der zeilen vieren kon. Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien toen hij 27 decembers morgens in het salon kwam met een gezicht als van iemand die u eerst vijf minuten tevoren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart de weg van de Nautilus na. De kapitein naderde mij, wees met een vinger op de kaart en zei slechts één woord.
Faliqoro. Die naam werkte als een toverwoord. Het was de naam van het eiland waar de schepen van La Pérouse vergaan waren. Ik stond plotseling op. — Brengt de Nautilus ons naar Faliqoro?
vroeg ik. — Ja, meneer, antwoordde de kapitein. — Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken waar de Boussol en de Astrolabe te grondig gingen? — Als dat uw aardenaam is, ja, meneer de professor.
— Wanneer komen wij bij Faliqoro? — We zijn er al, meneer, was het laconieke antwoord. Door de kapitein gevolgd ging ik naar het plot en keek met begeerlijke blikken naar de gezichtseinder. In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke grootte omringd door een korraorif dat veertig kilometer in omtrek had.
We waren bij het eigenlijk gezegde Faliqoro, waaraan Dumont-de-Ville de naam van onderzoek-eiland gaf en lagen juist voor de kleine haven van Vanneau. Het eiland scheen van het strand tot op de bergtoppen binnenslans met groen bedekt te zijn. In het midden verhief zich de berg Capogo, die het hoogte had van 950 meter. Toen in Dautulus de buitenste rotsband door een zeer nauwe opening was binnengevaren,
vonden we daar binnen een branding met 30 tot 40 vademendiepte. Onder de dichte schaduw der palmbomen zag ik een dozein wilde staan, die hoogst verbaasd over onze komst opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam dat slechts even boven water uitstak een vreselijk zeemonster was, waarvoor zij zich geen acht moesten nemen?
Op dat ogenblik vroeg mijn Capitij Nemo wat ik van de schiphoek van La Perouse wist. Wat iedereen ervan weet, antwoorde ik. Zou het geblank kunnen vertellen wat iedereen weet, vroeg hij mij op een en zins spotachtige toon. Zeer gemakkelijk.
Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d'Orville hadden meegedeeld. La Perouse en de Capitaine de Langelen werden in 1785 door Lodewijk XVI uitgezonden om een reis om de aarde te doen. Ze voerden het bevel op de Boussol en de Astrolabe en kwamen nooit terug. Toen in 1791 de Franse regering met recht ongerust werd over het lot van de Twee Corvetten,
koesten zij twee grote schepen uit, de Recherche en de Espérance. Deze schepen zeilden 28 september uit Brest onder bevel van Broedie d'Antrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekere Bowen, Capitaine van de Albimao, dat hij overblijfselen van schepen gezien had op de kusten van Nieuw-Georgie, maar d'Antrecasteaux, die deze overigens vrij onzekere mededeling niet kende, richtte zich naar de Admiraliteitseilanden, welke
in een verslag van Capitaine Hunter waren aangeduid als de plaats waar de schiprook van La Pyrrhus had plaatsgehad. Zijn onderzoek was te vergerst. De Espérance en de Recherche zeilden zelfs voorbij van die Coro zonder er zich op te houden, en bovendien was deze reis zeer ongelukkig.
Daar zei het leven aan D'Antrecasteaux, aan twee zenderstuurlieden en aan verscheidend matrozen zei er equipage kosten. Het was een oude bekende op de Grote Oceaan, de Capitaine Dillon, die het eerste de stelligste sporen van de schiprook vond. De 15 mei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje Ticopia,
een van de nieuwe hybriden. Daar kwam een inlander in zijn kano bij hem aan boord en verkort hem een zilveren deegengevest, waarin letters gegrafeerd stonden. De indander beweerde overigens dat hij, zes jaar geleden bij een reis naar Vanicoro, daar twee Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen, welke lang
te voren op de klippen van het eiland vergaan waren. Dillon raade dat dit de schepen van La Pérouse konden zijn, wie in verdwijning de gehele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar Vanicoro, waar volgens de Polynesiën nog verschillende overblijfselen van de schiprook gevonden werden.
Hij werd door tegenwind en zeestormingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta, daar wist hij de Asiatische maatschappij en de Indische compagnie voor zijn ontdekking te winnen. Men stelde een schip, waarmee men de naam van recherche gaf, terzijde beschikking en hij vertrok 23 januari 1827 in gezelschap van een Frans agent.
Nadat de recherche op verschillende punten van de Grote Oceaan reeds het anker had laten vallen, kwam het schip 7 juli 1827 voor Vanicoro en in diezelfde haven van Vanu, waar de nautilus op dit ogenblik lag. Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbrook, ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een 18-ponder, stukken van astronomische instrumenten, een
bronzenklok met het opschrift, Brazil heeft bij gemaakt en het merk van de gieterij van het Arsenaal van Brest met het jaartal 1785. Er was dus geen twijfel meer mogelijk. Dillon bleef om zijn inlichtingen te vermeerderen tot oktober op de Plaats des Onhuis. Daarop verlieet hij Vanicoro, richtde de steven naar Nieuw-Zeeland, deed het anker 7 april
1828 nogmaals voor Calcutta vallen en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X. hartelijk ontvangen werd. Maar op dit ogenblik was Dumont d'Urville, zonder iets van de reis van Dillon te weten, reeds vertrokken om elders het toneel van de schipbrook te zoeken. En inderdaad, men had door een walvisvader gehoord dat er medailles en een kruis van
de Heilige Lodewijk in handen van wilden van de Louisiaden en Nieuw-Caledonieën gezien waren. Dumont d'Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee gestoken en liet twee maanden nadat Dillon Vanicoro verlaten had, het anker voor Holbert Town vallen. Daarvan nam hij welke de uitslag was geweest van Dillons onderzoekingen en verder hoorde
hij dat zekere James Hobbes, stuurman van de Union van Calcutta, eens op een eilandje aan wal gegaan was dat op 8 graden 18 minuten zuiderbreedte en 146 graden 30 minuten oostenlengte lag en daar ijzeren staven en rode stoffen gezien had, welke de inlanders gebruikten. Dumont d'Urville was uit het veld geslagen en wist niet of hij geloof moest herten aan verhalen en dagbladen, welke zo weinig geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons
voetspoor te volgen. De Astrolabe kwam 10 februari 1828 voor Ticopia, nam als gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich daar bevond en zeilde naar Vanicoro, dat hij 12 februari in het gezicht kreeg. Hij zuilde langs de klippen tot de veertiende, liet eerst de twintigste het anker binnen
die klippen in de haven van Van de Oefallen. De dertwintigste deden verschillende officieren een tocht om het eiland en bracht de enige weinig betekendende overblijfselen mee. De inboordelingen hadden een stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen en weigende om hen op de plaats van het onheil te brengen.
Dit ellendige gedrag deed zien dat zij de schipreukenlijken hadden mishandeld en dat zij schelen te vrezen, dat Dumond de Ville gekomen was om La Pérouse en zijn ongelukkige makkers te vreken. De zesentwintigste bracht de zij, overgehaald door geschenken en begrijpende dat zij geen weervraak te vrezen hadden, de stuurman Jacquinot naar de plaats waar de schipreuk had plaatsgehad.
Daar lagen, op drie of vier vaden met diepte tussen de klippen Parcours en Fanoult, ankers, stukken ijzer en lood die reeds met een kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden naar deze plek gezonden. De bebanning slaagde er met grote moeite in om een anker dat achttienhonderd pond woog, een gegoten achtponder, een loden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen.
Dumont-der-Ville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Pérouse, naar ze beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmee hij een tweede maal schipreuk had geleden. Waar? Dat wist men niet.
Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder een groep palmbomen een grafttekent ter herinnering aan de beroemde zeevaarder en zijn tochtgenoten oprichten. Het was een vierhoekige piramide, welke op een stuk koraal was gezet en waaraan geen enkel stuk ijzer gebruikt werd om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op te wekken. Daarna wilde de Ville vertrekken, doch zijn manschappen hadden op deze ongezonde kust
de koorts gekregen en daardoor hij zelf ernstig ziek was, kon hij niet voor 17 maart vertrekken. De Franse regering, want dat de Ville niet op de hoogte was van het geen dillenreeds gedaan had, zolde de corvette de Bajonaise onder Capitaine Legoran de Tromelin naar Vanicoro, welk schip op dat ogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationeerd was. De Bajonaise liet enige maanden na het vertrek van de Astrolabe het anker voor Vanicoro vallen,
nog vond niets nieuws. Alleen bevond men dat de inboorlingen het gedenkteken voor La Pérouse hadden ontzien. Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan Capitaine Nemo deed. —Dus weet men nog niet, zei hij, waar die derde schip is vergaan, het welk door de schipreukelingen op Vanicoro gebouwd werd.
—Nee, Capitaine. Nemo zei verder niet, toch winkte mij om hem naar het salon te volgen. De nautilus zonk enige meters onder water en de wanden openden zich. Ik eilde naar het glas en zag onder die koralen en andere zegewassen overblijfselen van een schipbreuk, welke de dreggen niet hadden kunnen losrukken.
IJzeren werktuigen, ankers, kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven, kortom allerlei voorwerpen van vergadene schepen, welke de zee nu met haar levende bloemen overdekt had. Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zei de kapitein op ernstige toon.
Capitaine La Pérouse vertrok 7 december 1785 met zijn schepen. Eerst ankerde hij in de Botany bij. Daarop bezocht hij de vriendschapseilanden, Nieuw-Calatonië, richtte toen de stevender Santa Cruz en wierp het anker voor Namucca, een der vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen van Vannicoro.
De Boussol zeilde vooruit, hij stootte aan de zuidkant van het eiland. Dastrolaap kwam te hulp, doch leed eveneens schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit de kanten geslagen. Het tweede, dat onder de wind op het zand geraakt was, hield het nog enige dagen uit. De schipbreukeningen werden door de inlanders vrij goed ontvangen.
Zij zetten zich op het eiland neer en bouwden daar een kleiner schip met overblijfselen van het grote. Enige matrozen bleven vrijwillig op Vannicoro, de anderen, hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Pérouse. Ze zetten koers naar de Salomon-eilanden en vergingen met mannenmuis op de westkust van
het voornamelijkste eiland Diergroep. En hoe weet je dat? vroeg ik. Zie hier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb. Captain Nemo liet mij een blikken doos in, waarop het wapen van Frankrijk stond ingeslagen
en die geheel door het zeewater was ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal, geel geworden, toch nog leesbare papieren. Het waren de instructieën van de minister van Marine aan La Pérouse, op welke kant Lodewijk de XVI. eigenhandig enige aantekeningen had gemaakt. Het is een schoon dood voor een zeeban, zei toen Captain Nemo.
Het is een kalm graf, daaronder de koralen. Ik wens dat de hemel mij en mijn makkers nimmer andere graf schenken. Het einde van hofststuk 19.