chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 20

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 20 van 20.000 Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. 20.000 Meilen onder Zee door Jules Verne. Hoofdstuk 20, de Torresstraat. In de nacht van 27 op 28 december verlieet de Nautilus de kusten van Vanicoro met buitengewone snelheid. Ze richtten zich naar het zuidwesten en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer

welke dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt. De eerste januari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in de morgen op het plat bij mij. Meneer, zei de brave jongen, zal me toch niet kwalijk nemen als ik hem een gelukkig nieuwjaar wens. Wat Koen? Evenmin als de Parijs en mijn studeerkamer. Ik neem uw wens aan en dank u ervoor. Alleen wil ik u vragen wat jij bedoelt met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden waarin wij ons bevinden.

Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap moet maken of een waarin we deze vreemdsoorte gereis zullen voortzetten? Ik weet niet wat ik meneer moet antwoorden, zei Koenraad. Zeker is het dat wij vreemde dingen zien en dat wij in die twee maanden geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien is altijd het meest verbazingwekkende en als dat zo doorgaat weet ik niet waarmee het eindigge moet. Ik geloof dat wij zo'n gelegenheid nooit weer krijgen.

Nooit Koen. En bovendien is die meneer Nemo die een goede naam draagt ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond. Het is zoals gezegd Koen. Ik denk dus, als meneer het mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig jaar er een is waarin wij alles zouden kunnen zien. Alles zien Koen?

Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt Ned Lent ervan? Ned Lent denkt juist de tegenovergestelde als ik, antwoordde Koenraad. Hij is veel te veel aan zijn stoffelijke gehecht en maakt een afgrond van zijn maag. Vissen bekijken en altijd vissen eten is voor hem niet genoeg. Dat wij wijn, brood en vlees moeten missen bevalt niemandal aan onze Amerikaan die gewoon was biefstuk te eten

en niet bang was voor brandewijn of jenever. Hoewel altijd met maten. Wat mij betreft Koen, daar heb ik geen verlangst naar en ik kan mij in de leefregel hier aan boord nog wel schicken. Ik ook, antwoordde Koenraad. Ik denk er dus even sterk over om te blijven als net om te vluchten. Als dus het nieuwe begonnen jaar voor mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn en omgekeerd.

Op die wijze zal het toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wens meneer veel heil en zegen in het nieuwe jaar. Ik dank u Koen, doch ge moet uw nieuwjaarsvoor tot later uitstellen en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijke handdruk. Ik heb niets anders te geven. Meneer is nooit zo gull geweest, zei Koenraad en daarmee ging er heen.

De volgende dag hadden we reeds 11.340 kilometer afgelegd zedend ons vertrek uit de Japanse zee. Voor de nautilus strekte zich de gevaarlijke Koralenzee uit aan de Noordoostkust van Australië. Ons vaartuig liep op enige kilometers afstands langs de gevaarlijke bank waarop de schepen van Koek, 10 juni 1770, bijna vergaan waren. Het schip waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif en zo het niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid dat het stuk koraal dat door de schok van de clip was afgestoten in de daardoor ontstaande opening bleef vastzitten. Ik had gaarnet dit 1400 kilometer lange revéens bezocht, waartegen de altijd onstuimige zee met donderend geweld breekt.

Maar op dat ogenblik sleepten de nautilus ons naar de diepte en ik zag niets van die hoge, door koralengevormde muren. Ik moest me tevreden stellen met enige staaltjes van vissen, welke in de netten gevangen waren. Twee dagen na de koralenzee te zijn doorgevaren, de 4e januari, verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde kapitein Nemo mij mee dat hij het plan had om door de Torresestraat naar de Indische Oceaan te gaan. Meer zei hij niet. Ned zag met genoegen dat hij reis ons nader bij Europa brengen zal.

Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen die men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is ruim 1600 kilometer lang en 520 breed en heeft een oppervlakte van 640.000 vierkante kilometer. Het ligt tussen 0 graden 19 minuten en 10 graden 2 minuten zuiderbreedte en tussen 128 graden 23 minuten en 146 graden 15 minuten oosterlengte. Om 12 uur toen de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van de Owen Stanley bergketen,

welke langzaam opliep en in scherpe punten eindigde. Dit land in 1511 door de Portugese Francesco Serrano ontdekt, werd achter een volgens bezocht door Don José Menezes in 1526, door Crijalva in 1527, door de Spaanse generaal Álvar de Saavedra in 1528, door Djuégo Hortés in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Cartere, Pogerville, Cook, McClure, Dumonderville en anderen. Het is de bakermat in Malaysische kleurlingen, zei de Rienzi, doch ik dacht niet dat het toevallig mij ooit in zijn nabijheid brengen zou.

De Nautilus kwam dus voor de ingang der gevaarlijkste zeestraat van de aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwe nood doordurven varen. Een straat waar Luis Paz de Torres zich doorwaarde toen hij uit de stille Zuidzee naar de Indische archipel ging en waar in 1840 de corvette van Dumonderville op het punt waren van met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zegevaaringsgeen te kunnen trotseeren, zou zij met deze coraoriffen toch kennismaken. De Torresstraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zó vol klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaag er bijna onmogelijk is.

Derhalve nam Capitain Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts bedaard voorwaarts. De schroef bewoog zich slechts langzaam. Hiervan gebruikmakende hadden mijne twee makkers en ik op het plat plaatsgenomen. Voor ons was het kastje van de stuurman en ik moet mij al zeer bedriegen als de Capitain zelf er zich niet bevond om zijn Nautilus te besturen. Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met de grootste oplettenheid onze tocht.

Rondom de Nautilus kookte en bruiste de zee. De golven met een snelheid van 2,5 kilometer door de zee-strom van het zuidoosten naar het noordwesten gedreven, braken op de coraoriffen, weer tot een hier en daar tevoorschijn kwamen. Dat is een lelijke zee, z'n atlant. Afschuwelijk, antwoord ik, ze is niet best voor de Nautilus.

Die vervloekte Capitain, hernam de Amerikaan, moet wel zeker van zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zij schuit in duizend stukken zou splijten als zij haar slechts aanraakte. Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen als door een betovering midden tussen deze vreselijke klippen door te komen. Zij volgde niet juist de weg van de Astrolabe, welke door Dumont-du-Ville zo noodlottig was. Het vaartuig nam de koers meer noordelijk, voer langs het eiland Meurée en richtte zich toen zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberlands. Ik dacht dat het schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weer noordwestwaarts wende en tussen een groot aantal weinig bekende eilandjes en rotsen door naar het eiland Thones en het slechte kanaal voer.

Ik vroeg mezelf af of kapitein Nemel onvoorzichtig was en zijn schip in deze doorgang wilde wagen waar de twee corvette van Durville op de rotsen stoten, toen hij voor de tweedemaal van richting veranderde en westwaarts naar het eiland Cuy-Borroa liep. Het was toen drie uur, het getij was bijna vol. De Nautilus naderde het eiland dat ik met zijn prachtige groene omzooming nog voor mij zie liggen. Wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er langs. Plotsling werden wij door een schok omver geworpen. De Nautilus had op een klip gestoten.

Het schip bleef onbeweegendig liggen, doch helden daar bakboordzijde enigszins over. Toen ik opstond zag ik de kapitein en de eerste stuurman op het plot. Zij namen de toestand van het vaartuig op en wisselden enige woorden in hun onverstaanbare touw. Zie hier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan stuurboordzijde het eiland Cuy-Borroa,

welks kust zich als een lange arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten vertoonde zich reeds enige toppen van korou-riffen, welke het aflopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast, en dat wel in een zee waar het getij slechts middelmatig was. Dit was een noodlottige omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip niets geleden, zo stevig was de huid gesmeed.

Maar als het al niet zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die rotzen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeezer toestel van kapitein Nemo. Zo pijnste ik toen de kapitein kalm en bedaard als altijd, zonder enige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde. Een ongeluk, vroeg ik. Nee, een toeval was zijn antwoord.

Maar een toeval, hernam ik, dat u misschien verplichtte zou om het land, dat ge zo zeer ontvlucht werd gaan bewonen. De kapitein keek mij met een zonderlinge blik aan en schudde met het hoofd. Dit was duidelijk gezegd dat niets hem ooit zou dwingen om de voet weer op het land te zetten. Toen zei hij, bovendien, meneer Aruna, de Nautilus is niet weg,

zo zou u nog de wonderen van de oceaan laten zien. Onze reis begint eerst en ik hoop nog zo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden. Maar toch kapitein, antwoorde ik, zonder achtergeven op de spotterijen die in zijn woorden doorstralden, de Nautilus is gaan vastzitten bij hoogtij. Nu zijn de getijen in de grote oceaan niet zeer sterk en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt,

hetgeen mij onmogelijk schijnt, dan begrijp ik niet hoe gij weer vlot zult komen. Je hebt gelijk meneer de professor, de getijen zijn in deze oceaan niet sterk, maar in de torenstraat is er toch nog een verschil van anderhalve meter tussen de hoogste en laagste standen der zee met andere delen van de oceaan. Het is vandaag 4 januari en over vijf dagen hebben wij volle maan. Ik zou me zeer moeten verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was om de watermassa wat hoger te doen komen,

ten einde mij daardoor een dienst te bewijzen, welke ik alleen aan de maan wil te danken hebben. Toen de kapitein dit gezegd had, ging hij met zijn eerste stuurman weer naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onvrikbaar vast liggen, alsof de koralen het vaartuigreeds voor goed hadden ingemetzeld. Wel nu meneer, zei Ned Lent, die na het vertrek van de kapitein naar mij toe kwam. Wel nu vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 januari afwachten,

want het schijnt dat de maan zo beleefd zal zijn om ons weer vlot te maken. Meent ge dat? Ja, zeker. En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hier af te brassen, en zijn machine niet laten werken en alles doen om van die verwenste klip te komen?

Het tij is immers voldoende, antwoordde Coenraad beduid. De Amerikaan keek hem aan en trok zijn schouders op. Het was de zeeman die uit hem sprak. Meneer antwoordde hij, geloof mij als ik u zeg dat dit stuk ijzer nooit meer op of onder zee varen zal. Het is goed om bij het pond verkocht te worden.

Ik geloof dat het ogenblik gekomen is om die kapitein Nemo de hakken te laten zien. Vriend Ned antwoordde ik, ik wanhoop niet zoals jij aan dit flinke vaartuig. In vier dagen zullen wij zien waar we ons met die kapitein in deze oceaan aan te houden hebben. Overigens kon hij raad om te vluchten goed zijn als wij de Engelse of Franse kust in het gezicht hadden. Maar hier in de buurt van Nieuw-Genea is het een andere zaak.

Het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot in het uiterste te komen als de nautulus niet losraakt. Ik zou dit als een erge ramp beschouwen. Zouden wij tenminste dat land eens doorzoeken? Daar is een eiland, op dat eiland goede bomen. Onder die bomen lopen dieren die carbonade en roosbier van hun romp hebben.

En daar zal ik wel eens gaar naar mijn tanden inzetten. Nu heeft vriend Ned gelijk, zei Koenraad, en ik ben het met hem eens. Zou meneer van zijn vriend de kapitein Gent van Lof kunnen krijgen om eens aan land te gaan? Al was het alleen maar om de gewoonte niet te verliezen van nu en dan de voet eens te zetten op het vaste deel van onze aardbodem. Ik kan het hem wel eens vragen, antwoorde ik, toch hij zal het weigeren.

Het is ter allen gevallen te wagen, zei Koenraad, en daar weten we meteen waaraan we ons ten opzichte van zijn vriendelijkheid te houden hebben. Tot mijn grote verwondering stond kapitein Demo toe wat ik hem vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de belofte van mij te voorderen dat ik aan boord zou terugkomen. Maar een vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk en ik zou het net land nooit hebben aangeraden om zoiets te beproeven. Het was veel beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn dan om in de handen van de papenworst te vallen.

De volgende morgen zou de sloop ter onze beschikking zijn. Ik zog niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen. Zelfs vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mee zou gaan en dat net land de boot alleen zou moeten sturen. Overigens was het land op zijn hoogst op 2 kilometer afstand en het was maar spelergaan voor onze Amerikaan om dat lichte vaartuig tussen die voor grote schepen zo noodlottige klippen door te brengen. De volgende dag, 5 januari, werd de sloop losgemaakt en van het plat in zee geweekt.

Twee man waren daarvoor genoeg. De riemen lagen erin en we behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en elektrische gewieren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm. Een kleine bris woei van de landszijde. Koen en ik roeiden flink op en Ned stuurde tussen de klippen door. De sloop was gemakkelijk te sturen en schoot goed vooruit.

Ned kon zijn vreugde niet bedwingen. Hij stelde zich aan als een gevangene die aan zijn cel ontsnapt is en hij dacht er niet aan dat hij er weer in moest. Vlees, riep hij herhaaldelijk. Vlees zullen we dan proeven. En welk vlees? Echt wild. Geen vis. Ik zeg niet dat vis niet goed is, maar we moeten geen misbruik van maken. En een stuk vers wild, op een kolenvuur geroosterd, zal onze gewoden kost lekker afwisselen.

Lekker bek, zei Koenraad. Het water komt me in de mond. We mogen eerst maar vragen of die bossen wildrijk zijn, zei ik, en of het wildere niet zo groot is dat het de jager wegjaagt. Goed zo, meneer Arona, antwoordde de Amerikaan, wist dan de zo scherp als een builschene te zijn. Maar ik zal zelfs een tijgerrip eten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is. Vriend Ned maakt ons bang, zei Koenraad.

Hoe het ook zij, herdamde Harponeer, het eerste dier op vier of op twee poten, met of zonder vleugels, krijgt een schot vanbij in zijn ribben. Goed, antwoordde ik, daar gaat de onverzichtigheid van meester Lent weer beginnen. Wees niet bang, meneer Arona, roei maar ferm op. Binnen vijf en twintig minuten zal ik u in kost naar mijn smaak opdissen. Om half negen liep de sloop zacht tegen het zandige strand op, na gelukkig tussen de koraalrifven doorgekomen te zijn, welke het eiland Cuebo Roar omringde.

Het einde van halfstuk twintig

CAPTIONS
Loading...