Chapter 22
Hoofdstuk 22 van Twintig Duizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 22, Nemo's Blichem. We keken zonder op te staan naar de kant van het bos. Ik hield mijn hand, welke een hap naar de mond bracht, stil, doch net lent at door.
Een steen valt niet uit de lucht, zei Coenraad, of het moest een eroliets zijn. Een tweede, zuiver, ronde steen sloeg Coenraad een lekker duivenbouwtje uit de hand en bevestigde dus zijn opmerking. We sprongen alle drie overrijd met het gewerende hand en waren gereed om elke aanval af te weeren. Zijn het apen? vroeg net. Blijna, antwoordde Coenraad, het zijn wilden.
Naar de sloop riep ik, naar de zekant lopende. We moesten inderdaad vluchten, want een twintigtal inboorlingen, met bogen en slingers gewapend, verschenen aan de rand van een bosje, dat op nauwelijks honderd pas afstand ons aan de rechterkant het uitzicht belette. Onze sloop lag tien vademe van ons af. De wilden naderden langzaam, maar maakten de meest vijandige bewegingen.
Het regende pijlen en stenen. Net lent had zijn voeraad niet in de steek willen laten en niet tegenstaande het dreigende van het gevaar, liep hij met zijn varken op de ene en de kangaroes op de andere schouder, zo hard als hij kon. In twee minuten waren we op het strand. Onze provisie en onze wapens in de sloop werpen, die een zee brengen en de riemen grijpen, was het werk van een ogenblik.
We waren nog geen twee kabelenkten ver, toen honderd wilden met geschreeuw en gebaren tot aan het middel in het water liepen. Ik keek eens of hun verschijning ook enige mannen van de Nautulus op het plat zou tevoorschijn roepen. Maar nee, het kolossale vaartuig bleef verlaten. Twintig minuten daarna waren wij aan boord. Het luik was open. Nadat wij de boot hadden vastgelegd, gingen we naar binnen.
Ik ging naar het salon, waar ik enige akkoorden hoorde aanslaan. Capitain Demo zat daar voor het orgel, geheel in muzikale verrukking verloren. Capitijn, zei ik. Hij hoorde mij niet. Capitijn, zei ik nog eens en raakte zijn hand aan.
Hij siderde en terwijl hij zich omkeerde, zei hij. O, zei het gij, meneer de professor. Wel nu. Heb je een goede jacht gehad en schone planten verzameld? Ja, Capitain, zei ik. Maar we hebben ongelukkig een troep tweevoetige wezens achter ons aangekregen, wie in nabijheid ons vrij verontrustend toeschijnt.
Wat soort van wezens? Wilde. Wilde, antwoordde de Capitain op spotachtige toon. En gij verwondert u meneer dat als gij ergens voet aan wal zet, er wilde te vinden? Wilde, waar zijn die niet?
En bovendien zijn die wilde erger dan alle anderen? Maar Capitain, wat mij aangaat meneer, ik heb overal wilde ontmoet. Wel nu, antwoordde ik, als gij ze niet bij u aan boord wilt hebben, dient gij enige voorzorgsmaatregelen te nemen. Wees gerust meneer de professor, gij behoeft u daar zo bang niet voor te maken. Maar die inboorlingen zijn touwrijk.
Hoeveel heb je er geteld? Een honderd tot ten minste. Meneer Awonah, hernam de Capitain, die zijn vingers weer over de toetsen van het oogliet ging, als al de inboorlingen van Nieuw-Guinea op dat strand bij elkaar waren, dan zou den autolus niets van hun aanvallen te vrezen hebben. Zijn handen bewogen zich over de klavieren van zijn instrument, waarbij ik opmerkte dat hij alleen de zwarte toetsen aanraakte, zodat de door hem gespeelde melodien bijzonder veel op schotsen gelijken. Wel dra had hij mijn tegenwoordigheid vergeten en was in dromerijen verdiept, waaruit ik hem niet zorgd op te wekken.
Ik ging weer op het plat. De nacht was reeds gevallen, want over deze breedte gaat de zon spoedig, zonder schemering onder. Ik zag het eiland Gooei-Boroa slechts even, maar touwrijke vuren op het strand bewezen mij dat de inboorlingen er niet aan dachten om ons te verlaten. Ik bleef gedurende enige uren alleen. Dan dacht ik aan die inboorlingen zonder ze te vrezen, want het onvrikbare vertrouwen van de Capitain had zich ook van mij meester gemaakt.
Dan vergat ik ze weer om de pracht van de sterrenhemel in deze tropische gewesten te bewonderen. Ik vloog in gedachten met die sterren, welke mijn vaderland binnen weinige uren zouden verlichten, naar Frankrijk mee. De maan schitterde aan het uitspansel. Ik dacht eraan dat die trouwe wachter overmorgen op dezelfde plaats terug zou komen, om het water te doen reizen en de nauteles van de koraalklep los te maken. Toen ik tegenmiddellacht zag dat alles op zee en onder het gebomte op de kust rustig was, ging ik naar mijn hut en sliep kalm in.
De nacht ging zonder ongeval voorbij. De papuas waren zonder twijfel bang voor het monster dat in de bijlag, want het geopende luik zou hun anders gemakkelijk de toegang verschaft hebben. De 8e januari ging ik zoms om zes uur op het plat. De dag brak aan. Toen de morgennevel optrok, zag ik eerst het strand en toen de toppen der bergen.
De wilde waren er nog altijd nog touwrijker dan de vorige dag, vijf of zeshonderd misschien. Enige maakten gebruik van het lage tij en waren van de ene klip op de andere springende tot op twee kabelenkten van de nauteles gekomen. Ik zag ze zeer duidelijk. Het waren wel degelijk papuas van atletische gedaante, mensen van een schoon ras met een hoog en breed voorhoofd, wint dikke, doch geen platte neus, met witte tanden. Hun wolachtige haar was roodgeverfd en stak vreemd af tegen hun huid die zwart en gnimmend was als van de nubiers.
Aan hun doorstoken en uitgerekte oorlellen hingen tossebeentjes. Ze waren over het algemeen naakt. Ik zag enige vrouwen onder hen die een wezenlijke crinoline van gedroogd gras aan hadden, welke tot aan de knieën rijkte. Sommige opperhoofden hadden hun haus met een halve maan en met snoeren van rode en witte glaskoralen versierd. Beide allen waren met bogen, pijlen en schilden gewapend en droegen een soort van netje op de rug waarin zij de ronde stenen bewaarde, welke zij met grote behendigheid wisten te werpen. Eén van de opperhoofden was dicht bij de nauteles gekomen en bekeek het vaartuig nauwkeurig.
Het moest een van hoger rang zijn, want hij had een mat van gedroogde bananenbladen om het lichaam geslagen, welke met schitterende kleuren beschilderd was. Ik zou hem gemakkelijk hebben kunnen neerschitten, omdat hij zich binnen het bereik van mijn gewier bevond. Toch ik beende dat het beter was om te wachten totdat hij zich wezenlijk fejander troonde. Tussen Europeanen en Wilde past het dat de Europeanen zich verdedigen en nimmer aanvallen. Gedurende al de tijd dat het lage tijd duurde, swerven de inboorlingen in de nabijheid van de nauteles, maar ze maakten geen geraas.
Ik hoorde hen dikwijls het woord als zij roepen, en uit hun gebaren begreep ik dat ze mij uitnodigden om aan land te komen, een uitnodiging welke ik meende te moeten weigeren. Die dag verliet de sloop derhalve de nauteles niet tot groot verdriet van Ned Lent, die zijn voorraad niet kon volledig maken. De handige Amerikaan gebruikte zijn tijd om het vlees klaar te maken dat hij van Gouwe Borowar had begebracht. Wat de Wilde betreft, die gingen tegen elf uur morgens weer naar land toen de toppen der korouwriffen bij het wassen van het tij onder de golven begonnen te verdwijnen. Doch ik zag dat hun aantal op het strand zeer toenam. Waarschijnlijk kwamen zij van de naburige eilanden en van Nieuw-Ginéa. Echter zag ik geen enkele prouw.
Daar ik niets beters te doen had, kreeg ik lust opeens in het heldere water met een schepnet te vissen, waar ik schelpende planten in menigte op de bodem zag liggen. Het was bovendien de laatste dag dat de nauteles in deze streken doorbracht, als zij tenminste de volgende dag, volgens de verzekering van kapitein Nemo, met hoge zee zou los raken. Ik riep Koenraad die mij een klein schepnet te doen had, en hij vroeg me af hoe ik het mocht. Ik riep Koenraad die mij een klein schepnet bracht van de soort waarmee men gewoonlijk oesters vist. En die wilde, vroeg Koenraad, ze schijnen zo erg poos niet. Het zijn toch menseneters, mijn jongen.
Men kan menseneter en braaf zijn, hernam Koenraad, even zoals men gulzig en eerlijk man kan wezen. Het ene sluit het andere niet uit. Goed Koen, ik stem u toe dat het eerlijke menseneters zijn en dat ze hun gevangenen fatsoenlijk opeten. Maar, daar ik zelfs niet eens fatsoenlijk wil opgegeten worden, zal ik oppassen, want de kapiteinscheid geen minste voorzorgen te nemen. En nu aan het werk. We visten ijverig gedurende twee uur, toch zonder enig zeldzaam stuk op te halen.
Ons net was telkens wel vol schelpen, maar niets bijzonders, alleen een stuk of wat paraoesters en een dozein kleine schildpadden die wij voor de kop bewaardten. Doch op het ogenblik dat ik er het minst op verdacht was, kreeg ik een wonder. Of liever gezegd, een natuurlijke misvorming te zien, welke men zelden ontmoet. Koen had het net weer uitgeworpen en haalde het met zeer gewoden schelpen op, toen hij mij plotseling de hand in het net zag steken en er een schelp uit halen, welke ik met een kreet van blijdschap in de hoogte hief. Wat schildt er aan meneer? vroeg hij zeer verwonderd. Is meneer gebeten? Nee, mijn jongen, en toch zou ik voor zulke ontdekking wel een lid van een vinger willen missen.
Welke ontdekking? Deze schelp, zei ik, hem het voorwerp bij de blijdschap tonende. Het is doodinvoudig een purper olijfklassen, ja wel, Koen, maar in plaats van rechts naar links gedraaid te zijn, is deze juist omgekeerd. Omgekeerd? Ja, mijn vriend, het is een linkse schelp. Een linkse schelp, herhaalde Koenraad met een van vreugde kloppend hart. Zie maar eens. Meneer kan mij gerust geloven, zei Koenraad, terwijl hij de kostbare schelp met bevende hand aanvatte. Ik ben nog nooit zo blij geweest.
En er was wel reden toe. Men weet toch dat recht wenden, volgens de opmerkingen der natuuronderzoekers, een wet van de natuur is. De hemelichamen en hun wachters bewegen zich bij hun omwentelingen om de zon en om zichzelf van rechts naar links. De mens gebruikt liefst de rechterhand, zodat allerlei werktuigen en inrichtingen als trappen, sloten, horloge veren, enzovoort, enzovoort, zodanig gemaakt zijn dat zij rechts kunnen gebruikt worden. De natuur heeft deze wet ook gevolgd in het draaien van schelpen. Ze zijn allen rechts op zeer zeldzame aanzondergenaar.
En als ze soms gevonden worden die links gedraaid zijn, dan betalen de liefhebbers die soms met haar gewicht in goud. Koen en ik waren dus verrukken op het gezicht van onze schat en ik vatte het planreeds op om ons museum mee te verrijken, toen een noodlottige steen door een inbolling geworpen het kostbare voorwerp in Koenraads hand in stukken sloeg. Ik stied een wanhopige kreet uit. Koenraad greep zijn geweer en mikte op de wilde die zijn slinger op 10 meter van ons af nog in de hand had. Ik wilde hem tegenhouden, doch het schot ging af en verbrijzelde de armband van amuletten, welke op de arm van de papuwa geslingerd zat.
Koen, riep ik, Koen. Wat, ziet meneer dan niet dat die kardibaan ons aanvalt? De schelp is geen mensenleven waard, zei ik. O, die schaf wuit, ik wilde liever dat hij mij de arm had verbrijzeld. Koenraad meende het oprecht, maar ik was het niet met hem eens.
Echter was de toestand sinds enige minuten veranderd, zoals wij bemerkte. Een twintigtal prouwen omringde ons. Die vaartuigen van uitgeholde boomstammen gemaakt waren lang, smal, vlug in de vaart en bleven recht op het water liggen door twee bambuzens waarden, welke aan weerszijde op het water steunden. Ze werden door halfnaakte wilde gepageid en ik zag ze niet zonder ongerustheid naderen. Het was duidelijk dat die papuwas reeds met Europeanen in aanraking waren geweest en hun schepen kenden.
Maar wat moesten ze wel denken van die lange ijzeren cilinder zonder mast of schoorsteen? Nietsgoed, want ze waren eerst op eerbiedige afstand gebleven. Toen ze hem echter onbeweegelijk zagen liggen, vatte zij moed en wilde er nader kennis mee maken. Toch juist die kennismaking moest belet worden. Onze gewieren, wie er schot geen knoog af, konden die inboorlingen slechts weinig vrees inbosemen,
da's zij slechts eerbied hebben voor geraasmakende vuurwapenen. De bliksem zou ook zonder de donder de mensen niet verschrikken, hoewel het gevaar in het eerste en niet in het geraas gelegen is. Op dit ogenblik naderden de prouwen dichter bij de nautilus en het regende peilen om ons heen. Te drommel, het hagelt, riep Koenraad. Misschien is het wel vergiftigde hagel.
Ik zal de kapitein waarschuwen, zei ik naar binnengaande. Ik ging naar het salon en omdat ik er niemand vond, waarde ik het, om aan de deur van Nemo's kamer te tikken. Binnen, riep men. Ik tram binnen en vond de kapitein verdiept in een berekening, waarin allerlei stelkundige formulen de hoofdrol speelden.
Hindere ik u ook? vroeg ik uit beleefdheid. Ja meneer, was het korte antwoord. Doch ik geloof dat geërnstige redenen hebt om bij mij te komen. Inderdaad, we zijn omringd door prouwen en zullen binnen weinige minuten zeker door honderden wilde worden aangevallen. Zo, zei de kapitein bedaagd, zijn ze met hun prouwen gekomen.
Ja kapitein, wel nu, dan is het immers genoeg als het luik gesloten wordt. Juist, en ik kwam u zeggen, niets is gemakkelijker, zei Nemo, en op een elektrieke knopdrukende gaf hij daartoe aan de wachthemmende matrozen bevel. Het is reeds geschied, meneer, zei hij na enige ogenblikken. De sloop is op haar plaats en het luik is dicht.
Gevreesd toch zeker niet dat die heren de wanden van mijn vaartuig verbrijzelen zullen, waar de kogels van uw frugat zelfs geen schade aan toe brachten? Nee kapitein, maar er bestaat nog een ander gevaar. Welk meneer? Morgenochtend moet gij het luik weer openen om de lucht in de nautilus te verversen.
Zeker meneer, omdat ons vaartuig evenals de walvissen ademt. Maar als op dat ogenblik de papen was op het plat zijn, dan zie ik niet in hoe gij ze beletten zult om binnen te komen. Denk gij dan meneer dat zij aan boord zullen komen? Ik ben er zeker van.
Wel nu, laat ze komen. Ik zie geen enkele reden om hun dat te beletten. Het zijn toch arme duivels die papen was en ik wil niet dat mijn bezoek in de buurt van hun eiland het leven aan een van die ongelukkigen kost. Na deze woorden wilde ik heen gaan, loog de kapitein mij terug
en verzorgd mij bij hem plaats te nemen. Hij vroeg met veel belangstelling naar onze tocht op het land, naar onze jacht. Maar hij schijnt niet te begrijpen hoe die Amerikaan zo vurig naar vlees verlangde. Daarna spraken wij over verschillende onderwerpen en zonder daarom veel mee te delen was de kapitein inderdaad veel hartelijker.
Onder anderen spraken wij over de ligging van de nautilus die juist gestrand was in die zee straat waar Dumond Durville op het punt was geweest van te vergaan. Die Durville was een van uw grootste zee-lieden, zei de kapitein. Een van de verstandigste zeevaarders. Het is een Franse koek.
Oogelukkige geleerden, de ijsbanken aan de Zuidpool, de koraalrifven en de cannibalen in de Grote Oceaan getrotseerd te hebben om ellendig in een spoortrein om te komen. Als die krachtige man in de laatste ogenblikken van zijn leven heeft kunnen denken, wie weet wat die laatste gedachten dan geweest zijn. Zo sprekende Scheennemo bewogen.
Daarna gingen wij met de kaart in de hand de tochten van de Franse zee-reiziger na. Zijn reis om de aarde. Zijn beide pogingen om aan de Zuidpool door te dringen, waardoor de landen Amalia en Lodewijk-Phillips ontdekt werden. En eindelijk zijn opmetingen van de voornamelijkste eilanden in de Grote Oceaan.
Wat uw Durville aan de oppervlakte der zee verricht heeft, zei kapitein Nemo, dat doe ik onder zee. En veel gemakkelijker en vollediger dan hij. De astrolabe en de zeelee werden onophouderlijk door de golven heen en weer geslingerd en konden dus niet tegen de nautilus opwegen, welke in het midden der wateren stilligt en dus een kalme studeerkamer heet en mag.
En toch, zei ik, is er een punt van overeenkomst tussen de corvette van Nemo, Durville en de nautilus. Welke meneer? Dat de nautilus evenals zij gestrand is? De nautilus is niet gestrand meneer, antwoorde de kapitein bedaard. De nautilus is gemaakt om kalm op het water te liggen en ik zal al die moeilijke manoeuvres niet beginnen, welke Durville met zijn corvette aanving,
om weer vlot te raken. De astrolabe en de zeelee zijn vergaan, toch mijn nautilus loopt geen gevaar. Morgen zal het hoogtij op een bepaalde uur het vaagdag oplichten en we zullen onze tocht door de zee kunnen voortzetten. Kapitein, zei ik, ik twijfel niet.
Morgen, voegde de kapitein erbij, terwijl hij opstond. Morgenmiddag, 20 minuten voor 3 uur, zal de nautilus vlot worden en zonder schade de Torresstraat verlaten. Toen hij deze woorden kort afgezegd had, maakte hij een lichte buiging. Hij gaf me dus mijn afscheid en ik ging naar mijn hut.
Daar vond ik Koenraad, die wensde te weten welke uitslag mijn gesprek met de kapitein gehad had. Mijn jongen, zei ik, toen ik de mening uitte dat zijn nautilus door de wilde bedreigd werd, heeft de kapitein mij op schertzende toon geantwoord. Ik kan u dus slechts één ding antwoorden, vertrouwen op hem en ga gerust slapen.
Heeft meneer mij niet nodig? Nee, mijn vriend. Maar wat doet dit lend? Vriend Ned maakte een kanggeroep als stijgelaar, die verbazend lekker moet wezen, antwoorde Koenraad. Ik bleef alleen en ging naar bed, toch sliep vrij slecht. Ik hoorde de wilden op het plat heen en weer lopen
en tussen beide een overdovend geschreeuw aanheffen. Zo ging de nacht voorbij zonder dat de equipage er niet in het licht was. Het licht ging met de equipage uit haar gewone traagheid scheen opgewekt te worden. Zij scheen zich even min om die wilden te bekreunen als de bezetting van een geblindeerd fort om de muizen die over de blindering lopen.
Ik stond morgens om zes uur op, het luik was niet open. De lucht werd dus niet vervest, maar de vergaarbakken, welke om alle mogelijke gebeurtenissen te voorkomen gevuld waren, begonnen te werken en brachten enige kubike meter zuurstof in de nautilus. Ik bleef tot twaalf uur in mijn kamer zitten werken
zonder de kapitein slechts een ogenblik gezien te hebben. Mijn scheen aan boord geen enkel toebereidsel te maken om te vertrekken. Ik wachtte nog enige tijd en ging toen naar het salon. De pendule wees half drie. In tien minuten moest de vloed zijn grootste hoogte bereikt hebben
en als de kapitein geen dwaze belofte gedaan had, dan zou de nautilus onmiddellijk vlot raken. Anders zouden er heel wat maanden verlopen voordat zij deze ogenblik gezien hebben. En als ik deze knipper verlaten kon. Wel draa voelde ik echter enige trillingen in het vaartuig.
Ik hoorde de kalk en koraalpunten tegen de buitenwand schuren. Vijf minuten over half drie kwam kapitein Nemo in het salon. We gaan vertrekken, zei hij. Zo antwoordde ik. Ik heb bevel gegeven om het luik te openen.
En de papuas? De papuas, antwoordde de kapitein schouder ophalend. Zullen zij niet in de nautilus komen? Hoezo? Wel door het luik, als jij het laat openzetten.
Meneer Arona, zei Nemo bedaard, men komt het luik van de nautilus zomaar niet binnen, al staat het open. Ik keek hem eens aan. Begrijp je me niet, vroeg hij. Geen zins.
Wel nu, kom dan mee en zie. Ik ging naar de grote middeltrap. Daar stonden Netlend en Koenraad zeer nieuwsgierig naar enige matrozen te kijken die het luik openden, terwijl kreten van woede en afgrijselijk geschreeuw daarbuiten weer klonken.
Eindelijk was het luik open en een twintigtal afschuwelijke troonings verschenen. Maar de eerste van die wilden, die de hand aan de trapleuning sloeg, werd door ik weet niet welke onzichtbare kracht achteruitgeworpen en vluchte onder vreselijk geschreeuw en met ontzachelijke sprongen. Tien van zijn makkers wilden ook naar binnen komen
en ondergingen hetzelfde lot. Koenraad was in verrukking. Netlend slechts aan zijn hevige driften gehoorgevende vloog naar de trap. Maar nauwelijks had hij de trapleuning aangegrepen of hij werd op zijn beurt teruggeslingerd.
Duizend duivels, riep hij. Ik ben door de bliksem getroffen. Die uitroep verklaarde mij alles. Het was geen trapleuning meer, maar een metalen ketting met elektriciteit geladen welke tot op het plat ging. Ieder die eraan raakte, kreeg een vreselijke schok
en zulke schok zou dodelijk geweest zijn als de kapitein die geleider met de gehele elektrische stroom van zijn machine geladen had. Men kon letterlijk zeggen dat hij tussen zijn aanvallers en zich een elektriek net gespannen had, waar niemand ongestraft overheen kon. Ondertussen hadden de ontstelde papenwas de vlucht genomen.
Wij troosten en vreven halflachend de ongelukkige Netlend, die vloekte als een bezetene. Toch op dit ogenblik werd de Dautunus door de laatste vloetgolven opgelicht van het riff en dat juist op dezelfde minuut waarop de kapitein het voorspeld had. De schroef begon langzaam te werken.
De snelheid nam hand over hand toe en aan de oppervlakte van het waterblijvende verliet het vaartuig onbeschadigd de gevaarlijke torenstraat. Het einde van hoofdstuk 22. ***