chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 25

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 25 van 20.000 Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. 20.000 Meilen onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 25, De Indische Oceaan. Dan begint het tweede gedeelte bij de onderzeese reis. Het eerste eindigt met het aangrijpend toneel op het kerkhof, dat zulk een diepe indruk

op mijn geest maakte. Zo ging dus het leven van Capitijn Nemo in die onmetelijke zee voorbij en zelfs had hij zich ingraafbereid in de ontoegangelijke afgrond. Daar zou zelfs geen enkel zeemonster de laatste slaapstoeren van de mannen van de Dautulus, van de vrienden, die zowel in het leven als in de dood, innig en ook ander verbonden waren.

Zelfs buiten het bereik der mensen had de Capitijn erbij gevoegd. Altijd dat vreselijk onverzoelijke wantrouwen, jegens de menselijke maatschappij. Ik voor mij vergenoegde mij niet meer met de door Koenraad gemaakte veronderstellingen. De brave jongen zag in de gezagsvoerder van de Dautulus slechts een van die miskendige leerden die de mensheid enkel met verachting voor haar onverschilligheid betalen.

Hij beschouwde hem nog als een onbegrepen vernuft, dat het bedroog der wereldmoede naar de ontoegangelijke orde gevlucht was, waar zijn vernuft vrije speling had. Volgens mijn mening verklaarde die veronderstelling slechts een van Nemo's karaktertrekken. Ik meende evenwel andere redenen voor zijn gedrag en zijn karakter te vinden, in het geheimenzinnige van de laatste nacht toen wij in onze gevangenis door slaap over mand lagen,

in zijn zo driftig genomen voorzorg om mij de kijker voor het oog weg te rukken omdat ik de gezichteinden wilde onderzoeken, in de dodelijke wond van die matroos door een onverklaarbare schok van de Dautulus veroorzaakt. Nee, kapitein Nemo ontvluchtte niet alleen de mensen. Zijn vreselijk vaartuig diende niet alleen om hem geheel onafhankelijk te maken, maar

misschien ook om, ik weet niet welke, verschrikkelijke wraak uit te oefenen. Op dit ogenblik is mij alles nog niet redelijk duidelijk. Ik zie in deze geschiedenis maar enkele flikkeringen en ik moet mij tevreden stellen met het opschrijven meiner denkbeelden onder de indruk der verschillende gebeurtenissen. Bovendien bindt ons niets aan kapitein Nemo.

Hij weet dat wij de Dautulus onmogelijk kunnen ontvluchten. We zijn zelfs niet op ons woord van eer gevangen. Geen belofte bindt ons aan hem. We zijn slechts gevangenen die onder de schijn van beleefdheid als gasten behandeld worden. Ned Lent heeft echter de hoop niet opgegeven om de vrijheid terug te krijgen.

Zeker zal hij gebruik maken van de eerste gelegenheid de beste die het toeval hem aanbiedt. Zonder twijfel zal ik zijn voorbeeld volgen. En toch zal ik niet zonder enig leedwezen datgene met mij nemen wat de edelmoedigheid van de kapitein ons van de geheimen van de Dautulus heeft laten doorgronden. Moet ik die man haten of bewonderen?

Is hij slachtoffer of beul? En dan zou ik, om openhartig te spreken, voor ik hem verliet, graarne die onderzeese reis om de aarde volbrengen, waarvan het begin zo schoon is geweest. Ik zou graarne al de wonderen aanschouwen die de wereldzeeën voor ons verborgen houden. Ik zou willen gezien hebben wat niemand nog heeft aanschouwd.

Zelfs al moest ik met mijn leven die onlesbare dorst naar kennis betalen. Wat heb ik tot nu toe ontdekt? Niets, of bijna niets, want we hebben nog maar 24.000 kilometer door de Grote Oceaan afgelegd. Echter weet ik wel dat de Dautulus het bewoonde land nadert en dat als zich enige kans op ontvluchten voordoet, het vreet zou zijn mijn makkers aan zijn zucht ter onbekende op te

offeren. Ik zal hem moeten volgen, misschien zelfs wel geleiden. Maar zal die gelegenheid zich ooit voordoen? De mens die door geweld van vrije wil beroofd is verlangt dit wel, doch de geleerde de weetgierige vreest het.

Die dag, 21 januari 1868, kwam de eerste stuurman om 12 uur zonshoog te nemen. Ik ging op het plat, stak een sigaar op en volgde zijn berekening. Het kwam mij als vrij zeker voor dat die man geen Frans verstond, want ik maakte verschillende luide enige aanmerkingen die onwilkürig zijn aandacht hadden moeten trekken als hij ze begrepen had.

Doch hij bleef ongevoelig en deed er het zwijgen toe. Terwijl hij met de sextant bezig was, kwam een der matrozen, dezelfde stevige zebong die ons op onze eerste onderzee z'n tocht op het eiland Crespo vergezeld had, de glazen van de lantaarn schoonmaken. Ik beschouwde toen zeer nauwkeurig de inrichting van dit werkdag, welks werking 400-voudig

werd door ringvormige lenzen die evenals de glazen op vuurtorens gesteld waren en daardoor het licht in de vereiste richting deden schijnen. De elektrische lamp was zodanig ingericht dat zij zo krachtig mogelijk werkten. Het licht toch schitterde in het luchtledige, waardoor tegelijkertijd regelmatigheid en helderheid bevorderd werd.

Bovendien werden daardoor de koolspitsen gespaard, wartussen zich de lichtstraal vertoonde. Dit was voor de kapitein een belangrijke zuidigheidsmaatregel, daardoor hij de stukken grafiet niet gemakkelijk had kunnen vernieuwen. Onder deze omstandigheden echter steedte ze bijna in het geheel niet. Toen de Nautilus op het punt was de tocht onderzee te volgen, ging ik naar de salon.

Het luik werd gesloten en onze richting was recht naar het westen. Wij doorkliefden toen de golven van de Indische Oceaan, die een oppervlakte van 550 miljoen hectare beslaat en wiens water zo helder is, dat men er duizelig van wordt als men daarin neerkijkt. De Nautilus dreef gewoonlijk tussen 100 en 200 meter diepte.

Dit duurde zo enige dagen. Voor iemand die niet zoals ik ontzagelijk veel van de zee hield, zouden de uren langzaam en eentoonig zijn voorbijgegaan, maar die dagelijkse wandelingen op het plat, waar wij de verfrisende lucht van de oceaan inademden, het schauspel van de rijk bevolkte zee door het glas van de salon, het lezen van boeken uit de bibliotheek, het aanhouden van mijn

dagboek, dat alles hield mij steeds bezig en liet mij geen ogenblik verveling gevoeden. Onze gezondheid bleef zeer goed. De leefregel aan boord beviel mij wel en ik voor mij zou aan netlent gerne al die veranderingen geschonken hebben die hij, bij wijze van verzet, dagelijks op ons spijskaart verzom. Bovendien behoefden wij in al die gelijkmatige temperatuur zelfs geen verkoudheid te vreesen.

Gedurende verschijdende dagen zagen wij een grote menigde zeevogels, een soort van meeuwen. Enige ervan werden zeer behendig gedood en leverden, goed klaargemaakt, ons een voortreffelijk waterwilt op. Onder de grootste vogels die zich ver van het land wagen en als zij te moe zijn om te vliegen op het water uitrusten, zag ik prachtige albatrossen die een lelijk geschilderde hoorn

die veel heeft van het boeken van een ezel. Ook zag ik vlugge frigatvogels die snel de vissen uit het water ophaalden en een groot aantal schone zeeduiven, weer witte met rozenroodgetinte vederen, het gidswacht der vleugels des te beter deden uitkomen. De netten van de nautilus haalden verschijde soorten van zeeschildpadden op, wie schuil

voor zeer kostbaar wordt gehouden. Die kruipende dieren duiken gemakkelijk onder water en kunnen lang onderblijven als zij de vlezen geklep maarsluiten, welke zij aan het einde van de neus hebben. Sommige van die dieren stiepen nog toen mensen vingen en waren in hun schild gedoken om daardoor veilig te zijn tegen andere zeedieren.

Hun vlees smaakte over het algemeen stertsmiddelmatig, doch de eieren waren een uitgezochte lekkernij. De vissen wekten voortdurend onze bewondering, als wij de geheimen van hun leven door de geopende wanden van de salon bespieden. Ik zag verschijde soorten die ik tot nochtoe niet had opgemerkt. Van 21 tot 23 januari liep de nautilus met een vaart van 22 kilometer.

Indien wij de onderscheide soorten van vissen goed konden waarnemen, was dit omdat zij door het elektrisch licht aangetrokken ons ochtend bij te houden. De meesten bleven achter, sommigen echter bleven geruime tijd in ons ochtend. De 24e, morgens, zagen wij op 12 graden 5 minuten zuiderbreedte en 94 graden 33 minuten oosterlengte het koraleneiland Kieling, waarop prachtige kogelspalmen groeiden en dat door

Darwin en kapitein Fitz Roy bezocht werd. De nautilus ging op kleine afstand dit onbewolen eiland voorbij. Onze netten haalden onderscheide soorten van polypen, stekelhuidigen en schelpdieren op, waarvan enkelen de kostbare verzamelingen van kapitein Nemo verrijkten. Wel daar verdween het eiland aan de gezichtseinde en het vaartuig richtte zich naar het Noordwesten,

naar het Indisch Schiereiland. Bewoond land, zei mijn netlent, is beter dan die eilandjes van Australië, waar men meer wilde dan Reebokken ziet. Daarin indien men eerst en straat- en spoorwegen, Engelse, Fransse en Hindusteden. Men behoeft geen 5 kilometer te lopen om een landgenoot te ontmoeten.

Zeg eens, zou het ogenblik niet gekomen zijn om bakzijl te trekken? Nee net, nee, antwoorde ik op stellige toon. Laat ons meevaren. De Nautilus nadert het bewoonde land. Ze zal ook naar Europa gaan.

Laat ze ons daarheen brengen. Als we eens in onze zeeën zijn gekomen, zullen we eens zien wat de voorzichtigheid ons zal aanraden. Overigens geloof ik niet dat kapitein Nemo ons zal toestaan om op de kust van Malabar of Coromandel te gaan jagen, zoals in de bossen van Nieuw-Guinea. Wel nu meneer, kan men dit niet zonder zijn vergunning doen?

Ik antwoord het niet omdat ik met de Amerikanen niet wilde reden twisten. Eigenlijk verlangde ik furig om ten einde toe al datgene te genieten dat het lot mij wilde schenken toen het mij aan boord van de Nautilus gebracht had. Van het eiland Kieling af begonnen wij minder snel te lopen. De gang van het vaartuig was veel grilliger, daardoor wij soms tot op grote diepte afdaalden.

We gingen zo tot op een diepte van 2 of 3 kilometer, zonder ooit te onderzoeken hoe diep die Indische Oceaan wel was, welke bodem een schipnoot van 13 kilometer lengte niet had kunnen bereiken. Wat de temperatuurdierdiepte aan gaat, deze was volgens de thermometer altijd onveranderd 4 graden boven nul.

Alleen merkte ik op dat het water op minder diepe bodem altijd kouder was. De 25 januari was de zee geheel verlaten. De Nautilus dreef de gansse dag aan de oppervlakte en joeg het water met zijn krachtige schroef enige voeten omhoog. Wie zou het vaartuig onder zulke omstandigheden niet voor een reuzeachtig zee monster hebben

gehouden? Ik bracht drie-vierde van die dag door op het plat om de zee te beschouwen. Ik zag niets aan de gezichtseinder, behalve tegen 4 uur in de middag toen ik een grote stoomboot in westelijke richting zag voortstomen. Een ogenblik kon ik de masten zien, doch men kon aan boord van die boot de Nautilus

niet gewaar worden omdat hij bijna gelijk met het water dreef. Ik dacht dat deze boot aan de Peninsula & Oriental Company behoorde, die de dienstbericht tussen Ceylon en Sydney en Melbourne aandoet. Tegen 5 uur s avonds, even voor de korte schemering die in de kerkringstreken dag en nacht bijna onmiddellijk op Alcander doet volgen, werden Koeraad en ik door een zonderlingsschouwspel

getroffen. Er bestaat een bevalligd diertje dat volgens de ouden het geluk voorspelde. Aristoteles, Athenacus, Plinius en Opianus hadden het beestje nauwkeurig bekeken en daarvoor al de dichtelijke beschrijvingen van de Griekse en Romeinse geleerden opgehaald. Ze gaven er de namen aan van Nautilus en Pompilus, maar de nieuwe wetenschap heeft deze benaming

niet behouden, want dit weekdier is stans bekend onder de naam van Argonauts. Wel nu, het was een troep van die Argonauten die op dat ogenblik op de zee zwommen. Wij telden er verscheidene honderden. Deze bevallige weekdieren zwommen achteruit door middel van een pijp die hen in beweging brengt en waardoor zij het water dat zij bij de ademhaling binnenkrijgen weer uitspuiten.

Van hun acht voelarmen dreven er zes die zeer lang en dun waren op het water, terwijl de beide anderen die aan de eiteinden omgekruld waren, overeind stonden en dienst deden als kleine zeilen. Ik zag duidelijk hun spiraalvormige schelp door Cuvier bij een netgevormde snoepvergeleken. Het was inderdaad een schuitje dat het dier draagt en het heeft afgescheiden zonder dat

het eraan vast is gehecht. De argonaat kan zijn schelp verlaten, zei ik tot Koenraad, maar hij verlaat ze nooit. Dan doet hij net als kapitein Nemo, antwoordde Koenraad. Daarom zou hij zijn vaartuig liever argonaat hebben moeten noemen. Gedurende een uur dreef de nauteles ten midden van die weekdieren.

Toen werden deze plotseling door ik weet niet welke schrik bevangen. Als op een gegeven teken gingen de zeiltjes naar beneden, de voelarmen werden ingetrokken, het lichaam krompt samen, de schelp bekeerde om, veranderde daardoor haar zwaartepunt en verdwenen plotseling onder de golven. Het was het werk van een ogenblik.

Nimr manoeuvreerde de schepen van een vloot met meer juistheid. Op dat ogenblik viel de duisternisplotseling in en de zee, tot nochtoe nauwelijks door een windje bewogen, begon haar golven over de nauteles te werpen. De volgende dag, 26 januari, passeerden wij op de 28e meridiaan, de Evenaar, en kwamen daardoor wederom in het noordelijk halfrond.

Die dag werden wij omringd door een grote troep haaien, vreselijke dieren waarvan deze zee wemelt en die haar zeer gevaarlijk maken. Het waren haaien met bruine rug en witte buik met elvrije tanden, zogenaamde ooghaaien met een grote vlek op de hals waaromheen een kring loopt die haar op een oogdoep gelijken. En Isabella haaien met ronde snuit en beseid met donkere vlekken.

Dikwos tieten deze sterke dieren tegen het glas van de salon met een kracht die ons vrij ongerust maakte. Ned Lent was zichzelf er dan niet meer meester. Hij wilde weer naar de oppervlakte om die monsters te harpoenen, die hem met bijzondere hartnekkigheidschede uit te dagen.

Maar de nautilus verdubbelde wel draaierstelheid en liet de vluchten van die zeemonsters verre achter zich. De 27e januari zagen wij aan de ingang der golf van Begalen verscheidene malen lijken die aan de oppervlakte dreven. Het waren lijken uit de Indische steden, door de gangens naar zee gestuurd en die door

de gieren nog niet geheel verslonden waren. Maar de haaien ontbraken niet om die aasvogels in hun noodlottig werk bij te staan. Tegen zeven uur s avonds voerde de nautilus halfweg onder water door een melkzee. Zover het oog rijkte scheen de oceaan melkwit. Was dit tegenvoren van het schijn zonder maan?

Nee, want de maan die slechts twee dagen oud was, gaf nog niet veel schijn van zich en was op dat oogblik bovendien nog onder de gezichtseinden verborgen. De hemel, hoewel vol heldere sterren, scheen zwart in vergelijking van het stille water. Koenraad kon zijn ogen niet geloven en vroeg bij wat de oorzaak van dit zonderlingverschijn zou zijn kon.

Gelukkig kon ik hem van antwoord tienen. Dit noemt men een melkzee, zei ik. Een grote uitgestreaktheid van witte golven, zoals men dik was bij de kusten van Amboina en in deze streken ziet. Maar kan meneer mij zeggen, vroeg Koenraad, waardoor dit verschijn zo ontstaat, want ik

veronderstel toch dat het water niet in melk veranderd is. Nee, mijn jongen, en deze witteheid die je verwondert ontstaat slechts door miljoenen infusiediertjes, een soort van glimwormen die er kleurloos en geelachtig uitzien. Ze zijn niet dikker dan een haag en maar een vijfde millimeter lang. Enige van die diertjes hangen, verschijdende kilometers lang, aan okkander.

Verscheiden kilometers, riep Koenraad. Ja vriend, het tracht nu maar niet om dan het aantal schepseltjes te berekenen. Je zou er niet in slagen, want als ik me niet bedrieg hebben enkele zeevaarders wel eens veertig kilometer lang door zulke melkzee gevaren. Ik weet niet of Koenraad mijn raad ter harte nam, maar hij is geen diep in gedachten verzonken,

omdat hij vasteens wilde uitrekenen hoeveel vijfde millimeters er op een lengte van veertig kilometer begrepen zijn. Ik bleef het verschijn zo beschouwen. De nautilus doorkliefde gedurende verschijden uren deze witte golven en ik merkte op dat hij zonder enig geruis door dit op zeepsopgelekkend water voer, als waren het schuim dat de in

verschillende richting stromende golven dikwijls in de een of andere bijdoen ontstaan. Tegen middernacht herkreeg de zee plotseling haar gewone kleur, maar achter ons tot aan de gezichtseinder weer kaatste de hemel de witte kleur der golven en bleef nog lang de schijn dragen alsof een zwak noorderlicht haar verlichtte. Het einde van halfstuk 25.

CAPTIONS
Loading...