Chapter 28
Hoofdstuk 28 van Twintig Duizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen onder Zee door Jules Verne. Hoofdstuk 28, De Rode Zee. In de loop van 29 januari verdween het eiland Ceylon aan de gezichtseinder en de Nautilus gleed met een vaart van twintig kilometer door die doolhof van kanalen die de mallerdieven van de lakkadieven scheiden. Hij liep onmiddellijk langs het eiland Kitan dat door koralen gevormd,
door Vasco da Gama in 1499 ontdekt werd en een van de 19 voornamelijkste eilanden is van de lakkadieven archipel, welke tussen 10 graden en 14 graden 30 minuten noorderbreedte en 69 graden en 50 graden 72 minuten oosterlengte ligt. We hadden toen 16.220 kilometer afgelegd zedend wij de Japanse Zee verlaten hadden. De volgende dag, 30 januari, kwam de Nautilus weer boven, doch we hadden geen land in het gezicht. De richting was noord-noordwest en we naderden de
Zee van Osman tussen Arabië en voor Indië, waarin de Persische Golf haar monding heeft. Wij voeren in een Zee zonder ingang. Waar bracht ons kapitein Nemo toch heen? Ik zou niet hebben kunnen zeggen. Ned Lent was daarover zeer ontevreden toen hij er bij die dag vroeg. Wij gaan daarheen waar de luimen van de kapitein ons voeren willen, Ned, zei ik. Die luimen kunnen ons niet verbrengen, antwoordde de Amerikaan. De Persische Golf heeft geen uitgang en als wij er binnenvaren zullen wij
spoedig langs dezelfde weg weer terugkeren. Wel nu, we zullen dan terugkeren, Ned, en als de Nautilus daarna de Rode Zee bezoekt, bestaat de straat van Bob Elman Depp toch nog altijd om ons door te laten. Ik zal u wel niet behoeven te zeggen, meneer, antwoordde Ned Lent, dat de Rode Zee even goed is afgesloten als de Persische Golf omdat het kanaal van Suez nog niet is doorgegraven. En al waren dat het geval, dan zou dit geheimzinnige vraagduig zich toch niet in dat door sluizen
afgesloten water wagen. De Rode Zee is dus ook de weg niet, langs welke wij Europa zullen bereiken. Ik heb ook niet gezegd dat wij naar Europa gaan. Wat veronderstelt gij dan? Ik veronderstel dat de Nautilus na de merkwaardige zee tussen Arabië en Egypte bezocht te hebben naar de Indische Oceaan terug zou keren. Het zij door het kanaal van Mozambique, het zij langs de Bascarenen, om zich vandaar naar de Kaap de Goede Hoop te richten. En als we daar zijn, vroeg Ned Lent,
met bijzondere nadruk. Wel nu? Dan zullen wij de Atlantische Oceaan bezoeken die wij nog niet kennen. Maar zeg eens vriend Ned, verveelt u dan die onderzee zee reis? Heb gij dan reeds over genoeg van het steeds afwisselende schauspel der onderzee zee wonderen? Wat mij aangeraakt, ik zal met grote spijt een reis zien eindigen, waartoe zo weinig mensen in de gelegenheid zijn geweest. Maar weet gij wel meneer Arona, vroeg de Amerikaan, dat wij nu haast drie maanden op die
nauteles gevangen zitten? Nee Ned, dat weet ik niet. Ik wil het niet weten en ik tel niet eens de dagen of de uren. En wat zal het einde zijn? Dat zullen wij met de tijd zien. Bovendien kunnen we er niets aan doen en wij verpraten daarover onnut onze tijd. Als je meekwam te zeggen Ned, er bestaat kans om te ontsnappen, dan zou ik er eerst een beetje over praten. Maar zover is het nog niet en om ronduit te spreken geloof ik ook niet dat de kapitein zich ooit in de Europese
zee inwaart. Door dit korte gesprek zal men gewaar worden dat ik dweepte met de nauteles en als het ware met de kapitein voor een zelfwicht was. Wat Ned Lent aanging, hij eindigde het gesprek met als tot zichzelf te zeggen, dat is alles goed en wel, maar volgens mijn mening bestaat er geen genoegen met dwang. Gedurende vier dagen, dus tot 3 februari, doorkniefde de nauteles de zee van oom Man met verschillende snelheid en op onderscheiden diepte. Het vaartuig ging onzeker
voorwaard, alsof men aarzelde welke weg te kiezen, maar het kwam nimmer boven de kreeftkirk ring uit. Toen wij die zeven lieten, hadden wij in ogenblik Mascate, de belangrijkste stad van oom Man in het gezicht. Ik bewonderde het vreemde uiterlijk dierplaats, ten midden van haar omringende zwarte rotsen, maar tegen de witte vochten en huizen zo helder afsteken. Ik zag de ronde koepel der moskeeën, de bevallige punten der minarets en de met frisgroen bedekte terrassen, maar het was
slechts voorbijgaand, want de nauteles schoot wel dra weer onder de golven voorwaarts. Toen volgden wij op een afstand van 6 kilometer de bochtige kusten van Mara en van Hadramout in het zuiden van Arabië, met haar bergen waarop zich hier en daar enige bouwvallen vertonen. De 5e februari kwamen wij de golf van Aden binnen, die er uitziet als een trechter die men in de hals ene fles heeft gestoken. Die fles is de rode zee en de hals is Pap-Alman-Dep, waardoor het water uit de Indische
Zee in de rode zee getapt wordt. De volgende dag dreef de nauteles in het gezicht van Aden dat op een klein schiereiland ligt, een soort van ontoegangelijk Gibraltar waar de Engelse forten hebben gebouwd nadat zij het in 1839 bezet hadden. Ik zag de 8-hoekige minaretsterstad, die volgens de geschetsgijver Edrici, vroeger de rijkste en meest handeldrijvende stapelplaats der gehele kust was. Ik meende wel dat Capitijn Nemo nu zou terugkeren,
doch ik bedroog mij en tot mijn grote verbazing deed hij dit niet. De 7e februari kwamen wij in de straat van Pap-Alman-Dep, dat in het Arabisch betekent Tranenport. Zij is 20 kilometer breed en 52 lang. De nauteles liep met volle vaart in minder dan een uur erdoor, doch ik zag niets, zelfs niet het eiland Perim dat de Engelse regering heeft doen bezetten om daardoor de stelling van Aden te versterken. Er kwamen voortdurend te veel stroomboten der Engelse of
Franse maildiensten door deze nieuwe zeestraat dan dat de nauteles er zich kon vertonen. Daarom bleef zij wijzelijk onder water. Eindelijk waren wij, desmiddags, in de Rode Zee. De Rode Zee, de beroemde golf der Bijbelse overlevering die nooit door regen verfrist wordt, waarin geen enkele stroom zijn water uitstort, die door gestadige uitdamping onophouderlijk water verliest zodat zonder toevoer uit de Indische Zee de hoogte jaarlijks anderhalve meter
verminderen zou. Zonderlingegolf dus, die wanneer zij als in meer geheel door het land ingesloten was, misschien volkomen zou uitdrogen. Zij verschilt in dit opzicht dus geheel van de natuurige, kaspische en Dode Zegen, wie pijlslechts zoveel door verdamping verlaagt als de massa water bedraagt die er door de rivieren wederom wordt ingebracht. De Rode Zee heeft een lengte van 2600 kilometer en is gemiddeld 240 kilometer breed. In de tijd van
de Ptolemeën en de Romeinse keizers was zij de grote slagader van de wereldhandel en de doorgraving der landenkte van Suez heeft haar de belangrijkheid van vroege eeuwen geheel teruggegeven. Ik wilde niet eens trachten te begrijpen waarom de kapitein besloot ons in deze golf te brengen, maar zonder voorbehoud keurde ik het goed dat de nautilus er binnenvoer. We voerden er met geringe snelheid en dreven dan eens aan de oppervlakte dan weer onder water als we een schip moesten
vermijden, zodat ik gelegenheid had de oppervlakte en de bodem van deze merkwaardige zee beide te beschouwen. De 8 februari kregen wij bij het aanbreken van de dag mekka in het gezicht. De stad ligt tals in puin, de muren zouden bij een enkel kanonschot instorten en worden ter nabbernoot door enige daadobomen beschaduwd. Het was eerdijds een belangrijke stad met zes openbare marktpleinen, 27 moskeen en de muren die door veertien forten beschermd werden hadden
een omtrek van drie kilometer. Daarop naderde de nautilus de Afrikaanse kust, waar de diepte der zee veel groter is. Daar konden wij in het kristalhelder water door de ruiten van de salon die prachtige struiken van schitterende koralen en de uitgestrekte rotswanden beschouwen, waarop een heerlijk schoon tapijt van zeeweer en andere zeeplanten was uitgespreid. Welke onbeschrijfelijk schausspel en welke verscheidenheid van vormen en kleuren langs die klippende
vulkanische eilandjes die de Libese kust omzomen. Toch die flora verscheen in al haar schoonheid langs de oostkust waar de nautilus wel draaien heen ging. Het was op de kust van Tehema, want toen zagen wij die verscheidenheid van planten niet alleen onder het vlakte zee, maar ze zingende zichzelfs tot op tien voet hoogte ook daarboven in okkander. De laatsten waren gilliger van vorm, nog minder kleurig dan de eerste, omdat de voedinkracht van het water
de frisheid der kleuren waarschijnlijk meer bevorderde. Hoeveel aangename uren bracht ik voor de ramen van de salon door? Hoeveel nieuwe voorwerpen uit de onderzeese dieren- en plantenwereld bewonderde ik niet in de schijn van ons elektrisch licht. Paddenstoelvormige sponsen, lijgrijze klipprozen, onder andere de Thalysanthius aster, de bloeiende zeeasters, kriskoralen als fluiten, slechts wachtende op de adem van pan. Schulpen die mijn elders niet
aantreft uitlopen in korte spiralen en vastzittende in holgheden van sterkoralen. En eindelijk bij duizenden de gewone spons die ik nog niet had opgemerkt. De spons is geen plantaardig voorwerp zoals nog door sommige natuuronderzoekers beweerd wordt, maar een dier dat echter op de allerlaagste trap van dierlijk leven en nog beneden te koralen staat. Dat het een dier is lijkt geen twijfel. Zelfs moet men zich losmaken van de mening der ouden die de sponsen beschouwen als
plantdieren, voorwerpen tussen de planten en de dierenwereldstaande. Ik moet echter aanmerken dat de natuuronderzoekers het niet eens zijn over de plaats die aan de sponsen moet worden toegekend. Sommigen rekenen ze tot de polypen, anderen, waaronder Melanie Edwards, willen zich geheel afzonderlijk geplaatst hebben. De sponsachtige lichaben tellen omtrent 300 soorten. Ze worden in zeer veel zeeën aangetroffen, zoals ook in enkele stromen en heten dan riviersponsen. Maar het
meest vindt mensen in de Middellandse Zee, in de Griekse archipel, langs de Syrische kust en in de Rode Zee. Daar vindt men dan ook die fijne, zachte sponsen die wel eens met anderhalf honderd franc betaald worden, de geelachtige Syrische, de harde Barbarijsse en andere. Maar daar ik geen hoop koop voeden om deze plantdieren in de nabijheid van een der Levantsteden, van welke ons de landenkte van Suez scheide, in oogenschouten kunnen nemen, veel genoegde ik mij er in de
Rode Zee kennis mee te maken. Ik riep dus Koenraad bij mij terwijl de nauteles ter diepte van acht tot negen meter zachtjes langs de vrije rotsen der oostelijke kust geleed. Daar groeiden allerlei sponsen, gestrengelde, gebladerde, bolvormige, gevingerde. Zij beantwoorden juist aan de bijnamen, korfjes, bekers, spinrokken, eelandhorens, leeuwenpoten, pauwstaarten, Neptunishandschoenen, die de vissers, dichterlijker van uitdrukking dan de mannen der wetenschap, eraan gegeven hebben.
Uit haar wezelachtig weefsel, dat met een half vloeibare geleiachtige zelfstandigheid bedekt is, schoten onophoudelijk kleine waterstralen door een samentrekkende kracht uitgespoten nadat dit water eerst leven had gewekt in iedere holgheid. Deze zelfstandigheid verdween na de dood van de poniep en gaf, vergezeld van het afgeven van ammoniak, een afschuwelijke stank. Er bleef dat niets over dan de hoornachtige wezelstof,
waaruit de gewone rotsachtige sponsen bestaan, die na gelang van zachtheid en andere dergelijke eigenschappen tot verschillend huiselijk gebruik dienen. Deze poliepaardige plantdieren zaten aan rotsen, aan schulpen van weekdieren en zelfs aan de waterplanten. Zij wilden zelfs de kleinste spleten. Sommige spreiden zich uit, andere richten zich overeind of hingen als koraalvormige uitwassend nederwaarts. Ik vertelde aan Koenraad dat die sponsen op tweeerlei wijzen gevist worden, met een
drecht of met de hand. Deze laatste handelswijze, waarvoor duikers nodig zijn, is de verkiezelijkste, want als men het weefsel weet te sparen zijn de sponsen er des te meer omwaard. De andere plantdieren, die naast die sponsachtige leefden, bestonden voornamelijk in zeer vrije soorten van zeequallen. Onder de weekdieren merkte ik onderscheide soorten van kalmars of blakvissen op, die volgens d'Orbigny aan de Rode Zee bepaald eigen zijn, gelijk ook onder de kruipende dieren
de schildpallen, die de bijnaam virgala hebben en tot de soorten behoren die in gezochte, voedzame en smakelijke spijzen opleveren. Vissen waren er zeer talrijk. Sommige soorten zeer merkwaardig. Die, welke door de nautelus met haak en lijn werden gevangen, bijvoorbeeld de roch, waaronder de gemarmende met blauwachtige vlekken en dubbelgetanden staart, die met zilverkleurige rug, die met een punt staart en vinnetergrote van een paar meter,
de tandeloze, de haaiachtige en de kraakbeenachtige tot de familie der rochbehorrende. Voorts koffervissen, ozyrachiu, waaronder de dromedaris met een bultvormige uitwas, uitlopende in een omgebogen stekel van anderhalve voet lengte, ook nog palingen met zilverkleurige staart, blauwachtige rug en bruine borstvinnen met grijs ombord, lipvissen en een menigte andere zeedieren. De 9 februari dreef de nautelus in het breedste gedeelte der Rode Zee, dat tussen Soakin op de
West en de Gunfunda op de Oostkust ter breedte van 190 kilometer gevonden wordt. Nadat de zonshoogte genomen was, kwam de kapitein op het plat waar ik mij op dat ogenblik bevond. Ik besloot bij mij zelf hem niet weer naar beneden te laten gaan voordat ik iets meer van zijn verdere plannen wist. Toen hij mij zag, kwam hij naar mij toe, bood mij een sigaraan en zei, wel nu meneer de professor, hoe vind jij de Rode Zee? Heb jij de wonderen goed bekeken die zij bevat? De vissen en de
zoofieten? De sponsenbedden en koraalbossen? Heb jij de steden op de kust kunnen zien? Ja kapitein antwoordde ik en de nautelus heeft de studie wonderwel bevorderd. Het is een verstandig schip. Zeker meneer, verstandig, staartmoedig en onkwetsbaar. Het is niet bevreesd voor de vreselijke stormen, stroomen of klippen deze zee. Deze zee wordt inderdaad als een van de onstuimigste opgegeven en, die ik mij niet bedrieg, dan stond zij in de oudheid in de slechtste reuk.
Afschuwelijk meneer Arona. De Griekse en Latijnse geschietschrijvers spreken niet in haar voordeel en Strabo zegt dat zij vooral zeer onstuimig is in de tijd van de zomerwinden en van de regens. De Arabische schrijver Edrisi verhaalt dat tal van grote schepen op de zandbanken te gronden gingen en dat niemand het waagde er start te varen. Het is, zoals hij zegt, een zee waar de vreselijkste orkalen heersen, vol onherbergzame eilanden, en die nog in de diepte, nog op haar
oppervlakte iets goeds oplevert. Zo is toch de door Ariannus, Agatashides en Antimidorus uitgedrukte mening. Men ziet het wel, antwoorde ik, dat de geschietschrijvers niet aan boord van de Zonder twijfel, antwoorde de kapitein lachend, en in dat opzicht zijn de nieuwere schrijvers niet veel verder dan de oude. Er zijn eeuwen nodig geweest om de kracht van de stroom na te gaan. Wie weet of men over honderd jaar wel een tweede Nautilus zien zal. De wetenschap voortdelt slechts langzaam,
meneer Arona. Zeker, antwoorde ik, gij zet met uw vaartuig een eeuw vooruit, misschien wel meer dan een. Hoe ongelukkig dat zulke uitvinding met de uitvinder moet tegronden gaan. De kapitein gaf geen antwoord. Na enige minuten zwijgens hernam hij. Gij spraakt van de mening der oude geschietschrijvers over de gevaren waarmee de vaart over de Rode Zee vergezeld gaat. Ja, antwoorde ik, maar was hun vrees niet overdreven.
Ja en nee, meneer Arona, zei de kapitein, die de Rode Zee nauwkeurig scheen te kennen. Wat nu niet meer gevaarlijk is voor nieuwere, goed gebouwde schepen, die zich door stroomkracht naar willekeur kunnen bewegen, was het wel voor alles soort van vaartuigen der ouden. Stel u die zeevaarders der oudheid voor in hun schuiten, wie planken met palmvezels aan okkande geneid, met gesmolten hart gebrild en met zeehondenvet besmeerd waren. Zij hadden geen instrumenten om hun richting
vaart te nemen en zij voeren maar op de gis, ten midden van hun geheel onbekende stromen. Onder zulke omstandigheden moesten schipbreuken dikwijls voorkomen. Maar in onze tijd hebben de stoomboten, die tussen Suez en Indië dienst doen, niets meer van de stormen in deze zee te vrezen. Gezagvoerders en reizigers brengen voor hun vertrek geen zoenoffers meer en als zij terugkomen, gaan zij niet meer met kransen en linten getooid de goden in de eerste der beste tempel
danken voor hun behouden aankomst. Ik stem dit toe, want de stroom schijnt de dankbaarheid in het hart der zelieden te hebben uitgedoofd. Maar kapitein, daar gij deze zee bijzonder schijnt bestudeerd te hebben, zult gij mij misschien wel kunnen zeggen hoe haar naam ontstaan is. Hiervoor zijn verschillende uitleggen, meneer. Wilt gij de mening van een chronikschrijver uit de veertiende eeuw weten? Gaan, he? Die fantast beweert dat die naam er aan gegeven werd na de
toertocht der Israëlieten toen de Egyptische varen-o was omgekomen in de golven, welke zich op Moosusbezwel over hem sloten. Ten teken van dit wonder, zegt hij, werd de zee rood en vermiljoen en men noemt haar zeder die tijd niet anders dan de rode zee. Dat is een dichterlijke verklaring kapitein, maar daar ben ik niet mee tevreden. Ik vraag u dus hoe gij zelf erover denkt. Ik geloof meneer Arona dat men in die benaming de vertaling zien moet van het
hebrilse woord Edom en als de oude haar die daam gaven was het om de bijzondere kleur van het water. Tot nook toe heb ik echter enkel helder water zonder enige bijzondere kleur gezien. Zonder twijfel. Maar als gij verder de zee inkomt, zult gij die zonderlinge tint opmerken. Ik herinner me de golf van Suez bij toch geheel rood gekleurd te hebben gezien, even alsof het een meer met bloed was. En schrijft gij die kleur aan microscopisch fijn zeeweer toe? Ja, het is een purperkleurige
slijmachtige stof voortgebracht door kleine plantjes, waarvan er veertigduizend nodig zijn om een kuubje millimeter te vullen. Misschien zult gij wel zien als we bij toch komen. Het is dus de eerste maal niet, kapitein, dat gij met de nautulus in de Rode Zee komt. Nee, meneer. Omdat gij straks gesproken hebt van de toogtocht der Israeliten en de verdietiging van het Egyptische leger, wilde ik van u wel eens weten of gij onder water de sporen van dit groot geschiedenig feit ook
herkend hebt. Nee, meneer de professor, en dit om een goede reden. Welke? Omdat de plaats waar Moos is met zijn volk is doorgetrokken zo verzand is dat de kamelen echter en nauweren doodt tot aan de knieën door het water gaan. Gij begrijpt dat bij nautulus er dus geen vaarwater kan vinden. En die plaats? vroeg ik. Die plaats is een weinig boven Suez gelegen, in de zeearm die vroeger een diepe inhap vormde toen de Rode Zee zich nog tot aan de Bittermeer in de uitstrekte. Of die
doortocht een wonder is geweest of niet, zeker is het dat de Israeliten daardoor getrokken zijn om het Heiligland te bereiken en dat het leger van de Egyptische koning juist op die plek is omgekomen. Ik geloof dus dat als men in dat zand ging graven men een grote menigde Egyptische wapenen en werktuigen zou vinden. Dat is duidelijk, antwoorde ik, en het is voor de oudheidkennis te hopen dat men vroeg of laat die opgravingen zal beginnen wanneer na de doorgraving der landenkte van Suez
hier nieuwe steden zullen verrijzen. Voor vaartuigen als de nautulus is het een zeer ondoelmatig kanaal. Zeker, maar nuttig voor de gehele wereld. De ouder hadden het wel begrepen dat het in het belang van hun handel zou zijn om de Rode en de Middellandse zeeën met opkandig te verbinden, doch zij dachten er niet aan een regelrecht kanaal te graven en zij gebruikten daarvoor gedeeltelijk de nijl. Waarschijnlijk werd met het kanaal dat deze rivier met de Rode Zee verbindt een aanvang
gemaakt door sesostris, tenminste als men de overleveringen geloven mag. Zeker is het dat in 615 voor Christus Necho een kanaal begon te graven dat door het oosterlijk deel van Egypte gaande met nijlwater zou gevoed worden. Men kon dit kanaal in vier dagen opvaren en het was zo breed dat twee roeischepen opkandig gemakkelijk konden voorbijkomen. Het werd door Darius Hishtaspes voortgezet en waarschijnlijk onder Ptolemais II. voltooid. Strabo zag het gebruiken, maar de zwakke helling
tussen het punt van aanvang bij Bulbastis en de Rode Zee maakte het slechts gedurende enige maanden van het jaar bevaarbaar. Dit kanaal diende tot op de tijd van de Antonijnen voor de handel. Verlaten, verzand en later hersteld op last van Caliph Omar werd het in 761 of 762 door Caliph Anansor onbevaarbaar gemaakt omdat hij wilde beletten dat men levensmiddelen zou brengen naar Mohammed ben Abdullah die tegen hem in opstand was. Gedurende de tocht naar Egypte vond uw
generaal Bonaparte de sporen deze weken in de woestijn van Suez en door de vloed overvallen was hij bijna omgekomen voordat hij Hadjarod had kunnen bereiken waar Moses 3500 jaren voor hem zijn legerkamp had opgeslagen. Wel nu kapitein, wat de oude niet hebben durven ondernemen, de verbinding tussen de beide zeeën waardoor de weg van Marseille naar Indië 9000 kilometer korter zou worden, dat heeft de Lesbos gedaan en binnenkort zal hij Afrika tot een groot eiland
gemaakt hebben. Ja meneer Arona, jij hebt de reden om op uw landgenoot vier te zijn. Hij is een man die een nazi meer tot eer verstrekt dan de grootste veldheren. Hij had, evenals vele anderen, met moeilijkheden en tegenstand te kampen, maar hij heeft gezegenviert, want hij bezat een vaste wil. Het is treurig als men bedenkt dat dit werk, dat door alle naziën het samen had moeten ondernomen worden en dat voldoende zou geweest zijn om de regering van een voorst beroemd te maken,
slechts gelukt is door de geestkacht van een enkel man. Ere zij dus aan de Lesbs. Ja, ere aan die grote burger, antwoordde ik, verwonderd over de toon waarop kapitein Nemo gesproken had. Ongelukkig, haarnam hij, kan ik u niet door het kanaal van Suez brengen, maar gij kunt overmorgen de lange havenhoofden van Port Said zien, als wij in de Middellandse Zee zijn. In de Middellandse Zee? Ja meneer, verwondert u dat? Het verwondert mij dat wij er overmorgen
zijn. Zo, ja kapitein, hoewel ik me eigenlijk over niets meer verwonderen moet, zet ik bij u aan boord ben. Maar waarom verwondert het u? Over die eisingwekkende snelheid waarmee de Nautulus om Afrika zou moeten varen om overmorgen in de Middellandse Zee te zijn. En wie zegt u dat wij om Afrika heen gaan, meneer de professor? Wie spreekt ervan om langs de Kaap de goede hoop te varen, althans als de Nautulus niet over land of over de landengte heen gaat? Of eronder door, meneer Arona?
Eronder door? Zonder twijfel antwoordde de kapitein bedaard. Sindertlang heeft de natuur onder de langtenengte gevormd wat de mensen er bovenop praken. Hoe, bestaat er een doortocht? Ja, een onderaardse doorgang, waaraan ik de naam van Arabische tunnel gegeven heb. Deze begint even beneden suas en eindigt in de golf van pelusium. Maar de landengte bestaat enkel uit beweegbaar zand. Tot op zekere diepte, maar op vijftig meter vindt men reeds een onvrikbare rotsgrond.
En heb je die doorgang bij toeval ontdekt, vroeg ik hoe langer zo meer verbaasd. Door toeval en redenering of eigenlijk nog meer door de laatste dan door het eerste. Ik luister kapitein, doch kan het haast niet geloven. Ach, meneer, ze hebben oren en horen niet, zal ten alle tijden waar blijven. Niet alleen bestaat die doorgang, doch ik ben er verscheidenmaler door gegaan. Zonder dat zou ik mij nu niet in de rode zee gewaagd hebben. Ben ik ook onbescheiden als ik u vraag
hoe gij die tunnel ontdekt hebt? Meneer, antwoordde mij de kapitein, er kan geen geheim bestaan tussen mensen die ookander niet meer verlaten moeten. Ik lette schijnbaar niet op dit gezegde en wachtte op het verhaal van de kapitein. Het is de redenering van de natuuronderzoeker, meneer de professor, zei hij, die mij ertoe gebracht heeft deze doorgang te ontdekken, welke ik alleen ken. Ik had opgemerkt dat er in de rode en middellandse zeeën een zekeraantal van volkomen dezelfde vissoorten
gevonden werd. Toen ik hiervan zeker was vroeg ik mij af of er geen gemeenschap tussen de beide zeeën bestond. Zo ja, dan moest de onderaardse stroom noodwendig van de rode naar de middellandse zee gaan omdat het pijl der beide zeeën verschilt. Ik ving dus een groot aantal vissen in de omdrek van Suez, deed hun een kopere ringetje aan de staart en wirb ze toen weer in zee. Enige maanden daarna ving ik aan de kust van Syrië enige van die vissen met zo'n ring. De gemeenschap
tussen de beide zeeën was dus bewezen. Ik zocht haar met mijn nauteles en ik ontdekte die, vaarde mij erin en wel, meneer de professor, zult ook jij door de Arabische tunnel gevaren zijn. Het einde van hoofdstuk 28