chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 32

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 32 van 20.000 Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. 20.000 Meilen onder Zee door Sjoer Verne. Hoofdstuk 32. De Golf van Vigo. De Atlantische Oceaan. Ontzachelijke waterplas van 25 miljoen vierkante kilometer. Belangrijke zee, welke de ouden bijna niet kenden, behalve misschien de Kartagers,

de Hollanders der oudheid die op hun handelsreizen de westkusten van Europa en Afrika bezochten. Oceaanwinskusten zoeken onmetelijke omtrek hebben, waarin de grootste rivieren der wereld haar water doen stromen. Prachtige watervlakte, onophouderlijk doorklifte door de schepen van alle natieën, versierd met de vlaggen van alle landen der wereld en welks zuidelijke uiteinden wordt gevormd door twee kapen bij de zeevaarders

even zeer gevrest. De stormkaap en kaaphoorn. De Nautilus doorklifte het water van de Oceaan met zijn schroef in drieën een halve maand na een afstand te hebben afgelegd van bijna veertigduizend kilometer. Waar gingen we nu heen en wat zal ons de toekomst opleveren? Toen we de straat van Gibraltar door waren had de Nautilus het ruime sop gekozen. Hij reest naar de oppervlakte waardoor wij dus in de gelegenheid werden gesteld onze dagelijkse

wandelingen op het plat te vervolgen. Ik ging met Ned Lent en Koen Raad aanstond naar boven. Op een afstand van twaalf kilometer zagen wij Flau-kaap Saint-Valsean, het zaatwestelijke uiteinde van het Iberische Schierijland. De wind woeit vrij sterk uit het zuiden. De zee stond hol en deed de Nautilus sterk slingeren. Het was bijna onmogelijk om op het plat te blijven staan daar grote golven licht telkens overheen sloegen. We gingen dus naar beneden, naar een goede voeraad

verse lucht te hebben ingeademd. Ik ging naar mijn kamer en Koen Raad naar zijn hut, maar Ned Lent volgde mij met een afgetrokken gelaad. Onze snelle reis door de Middellandse Zee had hem niet in staat gesteld zijn voordeem met een uitvoer te brengen en hij ontvijstde zijn teleurstelling maar weinig. Toen hij de deur had gesloten ging hij zitten en zag mij zwijgend aan. Vriend Ned, zei ik, ik begrijp je, maar je hebt je niets te verwijten. De gedachte aan de vlucht zou een

grote dwaasheid geweest zijn nu de Nautilus zo vreselijk snel voorwaarts ging. Ned Lent antwoordde niet. Zijn gesloten lippen en gefronste wenkbrauwen duiden genoegzaam aan dat maar één gedachte hem bezighield. Kom aan, zei ik, niets is nog verloren. We varen de kust van Portugal langs. Frankrijk en Engeland zijn niet ver meer verwijderd en daar kunnen we immers ook heen vluchten. Als de Nautilus buiten de straat van Gibraltar komende zich naar het zuiden had gewend, als hij ons mee

had gesleept naar de streken waar bijna geen land te vinden is dan zou ik even teleurgesteld zijn als jij. Maar nu weten wij dat Capitaine Nemo de zeende beschaafde naadzeer niet ontvlucht en binnen weinige dagen geloof ik wel dat je met volle zekerheid kunt handelen. Ned Lent keek mij nog strakker aan en opende eindelijk de mond. Vanavond, zei hij. Ik stond plotseling op. Ik was, ik moet het bekennen, weide voorbereid op zulke mededeling. Ik had de Amerikaan willen

antwoorden, doch ik kon geen woord uitbrengen. We waren overeen gekomen een gelegenheid af te wachten, vervolgde Ned Lent. Die gelegenheid heb ik nu. Vanavond zullen wij maar enige kilometers van de Spaanse kust verwijderd zijn. De nacht is donker, de wind is west. Ik heb uw woord meneer Arona en ik reken op u. Daar ik bleef zwijgen stond de Amerikaan op en daderde mij. Vanavond, om 9 uur, fluisterde hij. Ik heb Koen gewaarschuwd, dan zal de Capitaine

waarschijnlijk in zijn kamer en naar bed zijn. De machinisten en matrozen zullen ons niet zien. Koenraad en ik zullen naar de hoofdtrap gaan, gij meneer Arona zult een paar schede afstand in de bibliotheek Wachtop op ontsteken. De riemen, de mast en de zeinen zijn al in de sloop. Ik heb er zelfs enige levensmiddelen in kunnen brengen. Ook heb ik mij van een sleutelmeester gemaakt om de bouten los te schroeven die de boot aan de nautelus verbinden. Alles is dus gereed. Tot vanavond.

De zee staat hol, zei ik. Dat is waar, antwoordde net, maar dat moet men wagen. De vrijheid is wel wat waard. Bovendien, de boot is sterk en enige kilometers met een goede wind betekenen niets. Wie weet of wij morgen geen 100 kilometer ver in zee zijn. Als de omstandigheden ons begunstigen, zullen wij tussen 10 en 11 uur ergens aan wal stappen of dood zijn. God behoede u dus en tot vanavond. Daarop ging hij heen en liet mij versuifd zitten. Ik had mij verbeeld dat als het

geval eens daar was, ik de tijd zou hebben om te overdenken en de zaak te bepraten. Mijn koppen gemakker liet mij daarvoor geen tijd en wat zou ik hem ook gezegd hebben? Ned Lent had 100 maal gelijk. Het was nu een vrij goede gelegenheid en hij maakte er gebruik van. Kon ik mijn woord intrekken en de verantwoordelijkheid op mij laden vanuit geheel persoonlijke belangen, de toekomst bijna makkers in de waarschaal te stellen? Kon morgen de kapitein ons niet in

de volle zee ver van alle land met zich voeren? Op dat ogenblik gaf mij een vrij sterk geruis te kennen dat de vergaarbakken van de nautilus volliepen en wij weer in de diepte daalden. Ik bleef in mijn kamer omdat ik de kapitein wilde ontwijken die in mijn oog en op mijn gelaten ontroering niet mocht lezen die zich van mij had meester gemaakt. Ik bracht dus een treurige dag door, geslingerd tussen de begeerte om mijn vrijheid terug te krijgen en het leedwezen

deze wonderbaalijke nautilus te verlaten zonder mijn onderzeesestudieën volleindigd te hebben. Ik zou dus die oceaan verwel zeggen zonder er de diepte van te hebben nagespoord, zonder ook hier de geheime te hebben ontdekt welke de Indische en grote oceaan mij hadden ontfout. Mijn roman viel mijn reedspijt eerst deel uit de handen. Mijn droom werd op het schoonste ogenblik afgebroken. Welke onaangenaam uren gingen daar voorbij? Dan zag ik mij met mijn makkers aan wal.

Dan weer wenst ik tegen het gestond verstand in dat enige onvoorziende omstandigheden het plan van het land in duiger mochten doen vallen. Tweemaal ging ik naar de salon om het compas te raadplegen ten einde te zien of de nautilus de kust bleef naderen of er zich van verwijderde. Maar nee, de nautilus bleef altijd bij de Portugese kust. Hij voerde reeds naar het doorde. Wij moesten er dus partij van trekken en ons voor de vlucht gereed houden. Mijn bagage was niet zwaar,

niets dan mijn aantekeningen. Ik vroeg mezelf af wat Capitaine Nemo wel van onze otsnapping zou denken, welke ongerustheid, welk leedwezen deze hem misschien zou veroorzaken en wat hij doen zou in geval hem ons plan bekend werd of het mislukte. Ik had me ongetwijfeld niet over hem te beklagen, integendeel. Nimme werd gastvrijheid gilhartiger aangeboden dan de zeinen. Toch als ik hem verliet kon ik toch niet van ondankbaarheid worden beschuldigd want geen eet

verbond ons aan hem. Hij rekende alleen op de drang der omstandigheden, niet op ons woord, om ons voor altijd aan hem te verbinden. Hij had ronduit bekend dat hij ons altijd gevangen zou houden en dit rechtvaardigde ons voornemen. Ik had de Capitaine zedend ons bezoek aan het eiland Santorino niet teruggezien. Zou het toeval ons voor mijn vertrek nog bij Ocander brengen? Ik begeerde en ik vreesde het tegelijk. Ik luisterde of ik hem niet in zijn hut, naast de

termijnen hoorde lopen, doch geen geluid trof mijn oor, zijn hut moest leeg zijn. Toen vroeg ik mezelf af of die vreemde man wel aan boord was. Zeder die nacht waarin de sloep den Nautilus had verlaten om die geheimzinnige reis te doen, waren mijn denkbeelden te zijn opzichten wel enigszins gewijzigd. Ik dacht dat Capitaine Nemo, wat hij ook mocht zeggen, met het bewonerland nog wel in enige betrekking zou staan. Verliet hij nooit

de Nautilus? Weken waren soms voorbij gegaan dat ik hem niet gezien had. Wat deed hij in die tijd? En betreef hij geen daden waarvan ik de aard niet kon gissen terwijl ik nog altijd meende dat hij een eeuwige haat aan het mensdom had gezoren. Duizenden gedachten van die aard bestormden mij. Het veld meneer voor onderstellingen moest zich uitbreiden in de omstandigheden waarin ik mij bevond. Ik voelde mij zeer onaangenaam. Ik dacht dat aan de dag geen eind zou komen. De uren

sloegen te langzaam voor mijn ongeduld. Mijn middagmaal werd mij als naar gewoonte in mijn kamer gebracht. Ik at slecht, daardoor ik veel te afgetrokken was. Ik ging te zeven uur van tafel. Honderdtwintig minuten. Ik telde ze, scheide mij nog van het ogenblik dat ik met net lent zou meegaan. Mijn angst verdubbelde. Mijn pols sloeg hevig. Ik kon niet op mijn plaats blijven zitten. Ik liep heen en weer omdat ik daardoor de onrust van mijn gemoed hoopte te doen bedaren. Het denkbeeld

in onze gewaagde onderneming niet te slagen was de minste mijne zorgen, maar de gedachten ons plan ontdekt te zien, voor wij de nautelus verlaten hadden en gebracht te worden voor de toonige of, wat nog erger was, de door onze vlucht toerige kapitein, dat deed mijn hart hevig kloppen. Ik wilde de salon een laatste maal weer zien. Ik ging door de gang en kwam in het museum waar ik zoveel aangename en nuttige uren had doorgebracht. Ik bekeek al die rijkdommen,

al die schatten, als iemand die de volgende dag in levensdange ballenschap wordt weggevoerd of die vertrekt om niet weer terug te komen. Die wonderen de natuur, die meesterstukken der kunst. Tussen welke ik reeds zoveel dagen mijn leven sleed, zou ik voor altijd verlaten. Ik zou nog eens door de glazen van de salon in het water van de oceaan weer hebben willen zien, maar de wanden bleven vastgesloten en een ijzeren plaat scheide mij van de zee die ik nog niet kende. Toen ik de salon

doorliep kwam ik bij de deur die toegang verleende tot de hut van de kapitein. Tot mijn grote verwondering stond deze deur half open. Ik deed onweerkeurig een schede achterwaard. Als kapitein Nemo in zijn kamer was kon hij mij zien. Toen ik evenwel geen enkel gerucht hoorde naderde ik. De hut was verlaten. Ik stied de deur open en deed enige scheden naar binnen. Altijd dezelfde, ernstige, kloosterachtige eenvaard. Op dit ogenblik troffen mij enige tekeningen die langs de wanden

hingen en waarop ik vroeger niet gelet had. Het waren portretten van grote historische mannen wie leven slechts de voortdurende opoffering aan een grote menselijke gedachte geweest was. Kosciuszko, de held die met de Polese volksang op de lippen gevallen was. Bozaris de Leonidas van het Nieuwe Griekenland. O'Connell de verdediger van Irlandse onafhankelijkheid. Washington de grondlegger der Amerikaanse Unie. Wannim de Italiaanse patriot. Lincoln door de dolk

van een voorstander der slavernij gevallen. En eindelijk de martelaar der bevrijding van het ras der zwarten John Brown aan de galler hangend zoals de pen van Victor Hugo ons dit zo vreselijk geschilderd heeft. Welke band bestond er tussen die heldenzielen en de ziel van kapitein Nemo? Kon ik uit die portrettenverzameling het geheim van zijn leven raden? Was hij de kampvechter voor de onderdrukte volken en de bevrijder der onder slavernij zuchtende natieën? Had

hij in de laatste staatkundige over maatschappelijke beroeringen van deze eeuw een rol gespeeld? Was hij een der helden geweest van de vreselijke Amerikaanse oorlog die zo ellendig was en zo roemrijk tevens? Plots slingst toeg de pendule acht uur. De eerste slag wekte mij uit mijn dromen op. Ik beefde alsof een onzichtbaar oog mijn geheimste gedachten had kunnen doorgronden en ik snelde de camera uit. Mijn oog vestigde zich toen op het kompas. We voeren altijd naar het noorden.

De log wees in matige snelheid aan, de manometer een diepte van ongeveer 20 meter. De omstandigheden begunstigde dus het plan van de Amerikaan. Ik ging weer naar mijn kamer, trok warme klederen aan, zelaarsen, een muts van otterbond, een wanbuis met het vel van een zeekalf gevoerd. Ik was gereed. Ik wachtte. Het geraas van de schroef brak alleen de stilte af die aan boord heerste. Ik luisterde en spitste de oren. Zou mij het gerucht van stemmen niet doen van nemen dat Ned Lent in zijn plannen

verhindert en overvallen was? Een dodelijke ongerustheid maakte zich van mijn meester. Ik trachtte te vergeefs mijn kalmte terug te krijgen. Eenige minuten voor negen hield ik het oor tegen de kamerdeur van de kapitein. Ik hoorde niets. Ik verliet de hut en kwam weer in de salon die bijna donker en verlaten was. Ik opende de deur van de bibliotheek. Dezelfde halve duisternis, dezelfde eenzaamheid. Ik ging bij de deur staan die naar de hoofdtrap voerde en wachtte op het

teken van Ned Lent. Op dit ogenblik verminderden de wentelingen de schroef en hielden eindelijk geheel op. Waarom had dit plaats? Begunstigde of verhinderde dit ophandhoud de voornemens van Ned Lent. Ik wist het niet. De stilte werd slechts afgebroken door het kloppen van mijn hart. Plotsling voelde ik een lichte schok. Ik begreep dat de Dautelus stillag op de polen van de oceaan. Mijn onrust verdubbelde. Het afgesproken teken werd door de Amerikaan niet gegeven. De lust

begroot mij om naar hem toe te gaan, hem te verzoeken zijn plan uit te stellen. Ik voelde dat onze vaart niet meer onder de gewone omstandigheden plaatsvond. Op dit ogenblik ging de deur van de salon open en de kapitein verscheen. Hij zag mij en zij zonder inleiding op aangename toon. Zo meneer de professor, ik zocht u. Kent u de geschiedenis van Spanje? Men zou de geschiedenis van zijn eigen land voor maaktgoed kunnen kennen, toch in de omstandigheden waarin ik verkeerde,

met een verwarde geest en een brooid hoofd, er toch geen enkel woord van kunnen vertellen. Wel nu, hernam kapitein Nemo, hebt gij mijn vraag gehoord. Kent gij de geschiedenis van Spanje? Zeer slecht, antwoordde ik. Dat zijn u geleerde, zei de kapitein lachend, en ze weten niets. Kom, ga zitten, vroeg hij erbij. Ik zal u een merkwaardig voorval uit de historie meedelen. De kapitein strekte zich op de divan uit. Ik ging werktuigelijk naast hem,

toch heel steeds meer in de schaduw zitten. Meneer de professor, zei hij, luister goed naar mij, deze geschiedenis zal u, om zekere reden belangimboezemen, want zij zal antwoord geven op een vraag die gij tot nog toe niet hebt kunnen oplossen. Ik luister kapitein, zei ik, niet wetende waar hij heen wilde, en mezelf afvragend of het ook een zinspeling op onze vlucht zou zijn. Wij zullen, als gij wilt, tot 17.2 opklimmen, meneer, hervatte de kapitein.

Gij weet toch dat op dit tijdstip uw koning Lodewijk de Veertiende meende dat een wenk van die dwingeland voldoende was om de Pyreneëen te doen wegzinken en zijn kleinzoon, de hertog van Argeo, aan de Spanjaarden als koning op te dringen. Deze vorst, die onder de naam van Philips V, meer of minder slecht regeerde, had tegen lastige vijanden buitenslads te kampen. Het jaar tevoren had Holland, Oostenrijk en Engeland in Den Haag een verdrag gesloten om

aan Philips V de Spaanse kroon te ontnemen, ten einde deze een aardhertog op het hoofd te plaatsen wien men voorlopig de naam van Karond III. Spanje moest zich tegen deze beslissing verzetten, maar het was bij de geheel van soldaten en matrozen beroofd. Geld echter ontbrak niet als de Galjoeden, die met het goud en zilver van Amerika bevracht waren, maar de havens binnenliepen. Tegen het einde van 1712 wachtte men een rijk convooi dat de Franse regering door een vloot van drie

en twintig oorlogsschepen onder de admiraal Château Renault liet begeleiden omdat de oorlogsvlooten der verbondenen in de Atlantische Oceaan kruisten. Dit convoi moest zich naar Cádizbe geven, maar toen de admiraal vernam dat de Engelse vloot in die buurt kruiste, besloot hij een Franse haven binnen te lopen. De Spaanse scheepscapiteins verzetten zich tegen deze beslissing. Zij wilden in een Spaanse haven binnenvallen en als dit niet de Cádizko

geschieden wilde zijn naar de golf van Vigo die op de Noordwestkust van Spanje ligt en niet geblokkeerd werd. De Franse admiraal was zwak genoeg om toe te geven en de schepen liepen de bij van Vigo binnen. Deze vormt in regelmatige open reden die moeilijk kon verdedigd worden. Men moest zich dus haasten de Galjoenen te lossen voordat de geallieerde vlooten er de lucht van kregen en ze zouden ook tijd genoeg voor dat lossen gehad hebben, waren niet plotseling een

ellende gescheel dat uit na-ijver ontsproot ontstaan. Gij volgt mij toch goed, vroeg de kapitein? Wel zeker, zei ik, nog niet weten de waarom hij mij die les in de geschiedenis gaf. Ik ga dus voort, zie hier wat er gebeurde. De kooplieden van Cádiz hadden een voorrecht, volgens het welk zij al de uit Oost-Indië komende koopwagen mochten ontvangen. Het lossen dus van die schatten in de bij van Vigo was tegen hun voorrechten. Zij beklagde zich de Madrid en

verkregen van de zwakke Pfilips V. dat het convoi, zonder gelost te worden, op de reden van Vigo zou blijven liggen totdat de vijandelijke vlooten zich zouden verwijderd hebben. Terwijl men deze beslissing nam, kwamen de Engelse schepen in oktober 1702 in de bij van Vigo aan. De admiral de Château-Renaud verdedigde zich tapper, niet tegenstaande zijn minderheid, maar toen hij zag dat de schatten van het convoi de vijand in handen zouden vallen, stak hij de Galjoenen in brand,

zodat zij met hun onmetelijke rijkdommen in zee verzwogen werden. Capitaine Nemo's weg. Ik moet bekennen dat ik nog niet begreep waarom de geschiedenis mijn belangstelling moest inbouwzemen. Wel nu meneer Aruna, was het antwoord, wij zijn in die bij van Vigo en het hangt maar van u af om mij de geheimen van te doorgronden. De kapitein stond op en verzocht mij hem te volgen. Ik had de tijd gehad weer op mijn verhaal te komen,

ik gehoor zamende. De salon was in duisternis gehuld, maar door de glazen zag ik het verlichte zeewater. Ik keek toe. Rondom de nauteles was het water op een afstand van 500 meter helder door de elektrische lantaarn verlicht. De bodem was met fijn en helder wit zand bedekt. Mannen van de equipage met scaphenders aan waren bezig om halverrotte tonnen en stukgevallen kisten te midden van zwarte vrakken op te ruimen. Uit de kisten en vaten vielen zilveren en gouden

staven. Stapels piasters en edelge stenten, het zand was ermee bedekt. Vervolgens kwamen de mannen met rijke buit beladen op de nauteles terug, legden er hun vracht neer en begonnen opnieuw die oogst van goud en zilver te innen. Nu begreep ik alles. Hier was het toneel van de zeeslag van 22 oktober 1702. Hier waren die, voor rekening van de Spaanse regering, geladen goudenen gezonken. Hier kwam kapitein Nemo, na mate van zijn behoeften,

de miljoenen halen waarmee hij zijn nauteles bevrachtte. Het was voor hem, voor hem alleen, dat Amerika zijn kostbare metalen had opgebracht. Hij was alleen en onverdeeld erfgenamen van die, aan de inkas en hun door Ferdinand Cortes onderworpen volken onderhoofden schatten. Wist gij meneer de professor vroeger me glimlachend dat de zee zoveel rijkdommen bevatte? Ik wist alleen, antwoordde ik, dat met het zilver dat in het zeewater is opgelost op 2 miljoen centen

naar schat. Zonder twijfel, toch om het eruit te halen zou meer kosten dan het waard was. Hier in tegendeel behoef ik maar op te rapen wat de mensen verloren hebben en niet alleen in de bui van Vigo, maar op duizend andere plaatsen van schipreuken die ik alleen op mijn kaarten heb aangetekend. Begrijpt gij nu dat ik meer dan miljoenair ben? Ik begrijp het, kapitein. Vergun me even wel de opmerking dat, nu gij de bui van Vigo op deze wijze onderzoekt, gij de werkzaamheden

in een maatschappij voorkomt. Welke? Een maatschappij die van de Spaanse regering concessie heeft gekregen om de gezonken galioune op te sporen. De aandeelhouders worden uitgelokt door het vooruitzicht van grove voordelen, want men schat de waarde der verzonken schatten op 250 miljoen gulden. Die waren er, antwoordde kapitein, toch nu niet meer. Ik geloof dat graag, zei ik. Een goede raad aan die aandeelhouders zou dan ook inderdaad van welwillendheid zijn. Wie weet echter of men die raad

wel zou aannemen, want wat spelers vooral betreuren is niet zozeer het verlies van hun geld, als wel dat van hun dwaarze verwachtingen. Ik beklag ze dan ook minder dan die duizenden ongelukkigen voor wie deze rijkdommen bij een verstandige verdening van groot nut zouden geweest zijn, terwijl ze nu nutteloos voor hen blijven. Ik had deze woorden niet uitgesproken, of ik begreep dat de kapitein Nemo had moeten grieven. Nutteloos? antwoordde hij terwijl hij

in vuur geraakte. Geloofd gij dan meneer dat die rijkdommen verloren zijn nu ik ze verzamel? Is het volgens uw oordeel voor mij dat ik mij de moeite geef die schatten op te rapen? Wie zegt dat ik er geen goed gebruik van maak? Geloofd gij dan dat ik niet weet dat er een leidende mensheid bestaat, dat er slaafs onderdrukte volken op deze aarde leven, dat er ongelukkigen geholpen, slachtoffers gevroken moeten worden? Begrijpt gij mij niet? Kapitein Nemo zweeg plotseling en had er misschien

berouw over te veel gezegd te hebben. Ik had het echte geraden. Welke ook de beweegredenen mochten geweest zijn die hem gedrongen hadden op zee de onafhankelijkheid te zoeken, hij was toch voor alles mens gebleven. Zijn hart klopte nog warm voor het leidende mensheid en zijn oneindig grote liefde strekte zich over slaafse volken, zowel als over enkele personen uit. En toen begreep ik voor wie de miljoenen waren bestemd geweest door Nemo weggezonden toen de Nautilus in de omtrek van

het opgestane Creta dreef. Het einde van hoofdstuk 32

CAPTIONS
Loading...