Chapter 33
De volgende dag, 19 februari, zag ik de Amerikaan in mijn kamer komen. Ik verwachte hem, hij zag er zeer teleurgesteld uit. Wel nu meneer, zei hij. Wel nu net, het doelt eens onzonderlijk. Ik heb de hele dag een vermoeden.
Ik heb de hele dag een vermoeden. Ik heb de hele dag een vermoeden. Ik heb de hele dag een vermoeden. Ik heb de hele dag een vermoeden. Ik heb de hele dag een vermoeden.
Wel nu net, het doelt ons gisteren niet gunstig geweest. Die vervloekte kapitein hield ook juist stil op het ogenblik dat wij zijn schuit zouden ontvluchten. Ja net, hij moest bij zijn bankier zijn. Zijn bankier?
Of liever zijn bank. Ik versta daardoor deze oceaan waar schatten beter in veiligheid zijn dan in de schatkist van de staat. Toen vertelde ik net wat er de vorige dag gebeurd was met de stille hoop van hem van om te vluchten.
Maar mijn verhaal had geen ander gevolg dan dat net Lenz zijn spijt uitdrukte voor eigen rekening ook niet eens een wandeling in de bui van Vigo te kunnen doen. Kom aan, zei hij, alle hoop is nog niet verloren. Het is maar een misstoot van de harpoen. Een ander maal zullen wij slagen en vanavond zal ik als het moet.
Welke is de richting van de nautilus? Vroeg ik. Ik weet het niet, antwoordde net. Wel nu, om 12 uur zullen we het weten komen als de zonshoogte wordt genomen. De Amerikaan ging naar Coenraad terug.
Toen ik aangekleed was, trad ik de salon binnen. Het kompas stond niet zeer uitlokkend. De richting was zuid-zuidwest. Wij verwijderden ons dus van Europa. Ik wachtte met zeker ongeduld dat onze richting op de kaart zou worden aangetekend.
Tegen half 12 liepen de vrigaarbakken leeg en het vaartuig kwam weer aan de oppervlakte. Ik ging naar het plat. Net Lenz was er reeds voor mij. We hadden geen land meer in het gezicht, niets dan de oneindige zee. Enige zeilen aan de gezichtseinder, zeker van schepen die tot Kaap Saint-Roch varen,
om een gunstige wind te zoeken die hen om de kaap de goede hoop voert. De hemel was bewolkt. Een storm was op handen. Ned beproefde in zijn woede om met het oog door de benevelde gezichtseinder te boeren. Hij hoopte nog dat zich achter die nevel het zo begeerde land uitstrekte.
Op 12 uur scheen de zon maar een ogenblik. De stuurman maakte daarvan gebruik om de hoogte te nemen. Daaraan echter de zee onstuimig werd, gingen we naar beneden en het luik werd gesloten. Toen ik een uur later op de kaart zag, bemerkte ik dat de nautilus er op 16 graden 17 minuten noorderbreedte en 33 graden 22 minuten westerlengte stond aangetekend, dus op bijna 600 kilometer
van de naaste kust. Het was nu onmogelijk aan de vlucht te denken en ik wagen dus niet de woede van de Amerikaan te beschrijven toen ik hem de hoogte meedeelde waar wij ons bevonden. Wat mij aan gaat, ik trooste mij spoedig. Ik voelde mij als bevrijd van een last die mij drukte en ik kon met betrekkelijke kant
mijn gewone werk weer opvatten. Desavonds, de 11 uur, ontving ik onverwachte bezoek van kapitein Nemo. Hij vroeg mij zeer beleefd of ik moe was van het waken gedurende de vorige nacht. Ik antwoordde ontkennend. Dan zal ik u een merkwaardige tocht voorstellen, meneer Arona.
Welke, kapitein? Je hebt de diepte der zee alleen bij dag en zonlicht bezocht. Zou je ze niet eens bij een duistere nacht willen zien? Heel graag. Ik zeg u dat die wandeling zeer vermoeiend zal zijn.
Jij moet lang lopen en een berg beklimmen en de wegen zijn niet zo bijzonder goed onderhouden, voegde hij er glimlachend bij. Wat jij me daar zegt, kapitein, verdubbelt mijn nieuwsgierigheid. Ik ben gereed u te volgen. Kom dan mee, meneer de professor, om onze scaphandles te gaan aandoen.
In de kleedkamer gekomen zag ik dat nog meer makkers nog iemand van de bemanning ons op die tocht zouden volgen. De kapitein had mij zelfs niet voorgesteld net of koen mee te nemen. Binnen weinige ogenblikken hadden we onze toestellen aan. Men plaatste de luchtschouders op onze rug, doch de elektrische lampen werden ons niet
gegeven. Ik merkte dit de kapitein op. Ze zullen ons toch geen nut doen, zei hij. Ik meende niet goed te hebben verstaan, doch kon mijn opmerking niet herhalen, omdat het hoofd van de kapitein reeds in de helm was verdwenen.
Ik zette mijn metalen hoofddeksel op en voelde dat men mij een met ijzer beslagen stok in de hand gaf. Enige minuten later stonden wij, na de gewone verschijnselen, op de bodem van de oceaan ter diepte van 300 meter. Middernacht naderde.
Het water was zeer donker, doch de kapitein wees mij in de verte een roodachtig punt, een soort van brede schemering op ongeveer 2 kilometer van de Nautilus zichtbaar. Ik had niet kunnen zeggen wat dit voor vuur was waardoor het gevoed werd en hoe en waarom het in de watermassa kon opflikkeren. In alle gevallen gaf het ons licht.
Wel zwak, doch ik gewende mij wel draa aan die bijzondere schemering en ik begreep in deze omstandigheden de nutteloosheid ter toestellen van Roemkorf. De kapitein en ik liepen dicht naast Dokander, recht op het aangewezen vuur af. De bodem reest langzaam. We maakten met behulp onze stokken grote stappen, doch we voorderden toch niet hard, want onze
voeten zakten dikwijls in de modder die met zeewier vermengt en hier en daar met platte stenen bezeid was. Onder het voortstappen hoorde ik iets als gekletter boven mijn hoofd. Soms verdubbelde dit geluid en bracht een onophouderlijk leven voort. Wel draa begreep ik de oorzaak.
Het was de regen die in de stroom neerviel en op de oppervlakte der zee dit geraas maakte. Onwillekeurig dacht ik doornad te zullen worden. Ik kon niet nalaten over dit waasedenkbeeld te lachen. Nat door het water, in het midden van het water. Maar tot mijn verontschuldiging voer ik aan dat men met de dikke scaphander aan het lijf
het vochtig element niet meer voelt en men zich slechts in een weinig dichter atmosfeer dan die van de oppervlakte der aarde waant. Na een half uur te hebben gelopen werd de grond rotsachtig. Allerlei kleine dieren verlichten de bodem door hun lichtgevend vermogen. Ik zag hopen stenen die door enige miljoenen diertjes in een net van zeewier bedekt waren.
Dikworst leed mijn voet op de gladde bodem uit en zonder mijn stok zou ik meer dan eens gevallen zijn. Als ik mij omkeerde zag ik altijd het licht van de nauteles dat in de verte evenwel begon te vervlauwen. Die steenhopen waarvan ik zo even sprak waren op de zeebodem met een zekere regelmaat verspreid
waarvan ik mij geen verklaring wist te geven. Ik zag er zachtige groeven die zich in het duister verloren welke lengte ik niet kon schatten. Zo merkte ik ook andere bijzonderheden op waarvan ik geen verklaring wist te geven. Het kwam mij voor dat mijn grote schoenzolen een veld met beenderen verbrijzelden die dof kraakten.
Welke was dan die uitgestrekte vlakte waar wij gingen? Ik had het de kapitein willen vragen maar de tekens, door middel waarvan hij met zijn bakkers bij hun onderzeeze tochten sprak, waren voor mij onbegrijpelijk. Echter nam de rosse schijn die ons leidde toe en vertonen zich reeds met vlammen aan de gezichtseinder. De aanwezigheid van die vuurhaard onder water maakte mij in de hoogste mate nieuwsgierig.
Was het een uitstroming van elektriciteit? Zou ik een natuurlijk verschijnsel zien waarvan de geleerden nog niets wisten? Of zou, en deze gedachte schoot mij door het hoofd, Smenzenhand in het vuurzichtbaar zijn? Blies hij die brand aan? Zou ik in die diepte wellicht Makkers of vrienden van kapitein Nemo ontmoeten die even vreemd
als hij leefden en die hij ging opzoeken? Zou ik daaronder misschien een volkplanting van bannelingen aantreffen die de ellende der aarde moeden in de diepte van de oceaan de onafhankelijkheid gezocht en gevonden hadden? Al die dwaze, ongeruimde denkbeelden kwamen mij voor de geest en in die gemoedstemming onophouderlijk verbaasd door de wonderen die voor mijn ogen voorbij gingen, zou ik niet
verwonderd geweest zijn als ik in de diepte der zee een van die onderzeeze steden had ontdekt waarvan kapitein Nemo droomde. Onze weg werd langzamerhand lichtig. Het witte licht straalde boven een berg van ongeveer 800 voet hoog, maar wat ik zag was eigenlijk niets als een eenvoudige terugkaatsing van licht tegen
het kristal van water. De bron van dat onverklaarbare licht was aan de andere zijde van de berg. De kapitein stapte zonder aazelen voort tussen het doolhof van stenen die de bodem van de Atlantische Oceaan bedekten. Hij kende die sombere weg.
Hij had die zonder twijfel dikwijls bewandeld en kon er niet verdwalen. Ik volgde hem met onwankelbaar vertrouwen. Hij schreef me toe een der geesten der zee te zijn en als hij voor mij uitging bewonderde ik zijn hoge gestalte die als een zwart beeld tegen de lichte gezichtseinder afstak. Het was één uur na middernacht.
Wij waren de onderste helling van de berg genaderd, maar om die te beklimmen moesten wij ons langs moeilijk begaanbare wegen door een dicht bos wagen. Het was een bos van dode bomen, zonder bladeren, zonder sap. Bomen die door het water waren gedood en waarboven hier en daar reuztachtige dennen uitstaken. Het was als het ware een koolendomein, waarin de verkoolde bomen overeind stonden omdat ze
in de gedeeltelijk losgewoelde grond nog vastgeworteld zaten en wiertakjes als fijn knipwerk van zwart papier tegen het heldere water juist waren afgetekend. Wij stellen zich een woud in de hart tegen een berghelling voor, doch in het water verzonken. De paden waren met wier en allerlei zeepanten volgegroeid en daartussen weemelde het van dieren. Ik klom tegen de rots op, doch moest telkens over uitstekende wortels heen stappen en zeepanten
scheuren die mij in de weg dreven of tussen de boomtakken hingen terwijl ik een heerleger van vissen verschrikt opjoeg die tussen de takken door wegzwommen. Meegesleept door de schoonheid van dit toneel voelde ik geen afgemaatheid meer, ik volgde mijn onvermoeide gids. Welk een schauspel, hoe het terug te geven, hoe het gezicht te beschrijven van die bossen en
rotsen ten midden van het water. Van onder in vrees aanjagende en sombere duisternis gehuld en weer toppen van rosachtig licht omringd waren voortkomend uit die onbekende bron van gloed waarvan de schijn door de terugkaatsing van het water verdubbelde. Wij bekloppen rotsen waarvan onder dofgeluid brokken afgescheurd werden en naar beneden storten. Rechts en links waren donkere galerijen waarin zich het oog verloog.
Daar waren grote groeven door een mensenhand schijnbaar gegraven en ik vroeg mijzelf af of ik niet plotseling een bewoner die er onder deze streken voor mij zou zien verschijnen. Maar kapitein Nemo klom steeds door. Ik wilde niet achterblijven en volgde met moed. Mijn stok was mij daarbij van veel nut. Een misstap zou gevaarlijk geweest zijn op die smalle voetpaden die aan de rand van afgronden schenen uitgehouden te zijn,
maar ik liep met vaste trept door en werd niet duizelig. Nu eens sprong ik over een spleet welke diepte mij in de bergen op aarde zou hebben doen terugdeinsen. Dan eens waarde ik mij over de gladde stammen van bomen, over de randen eens afschons geworpen, zonder naar beneden te zien, daar ik geen ogen genoeg had om de schoonheid deze wildernissen te bewonderen. Op andere plaatsen schenen rotsblokken als gedenktekenen op hun onregelmatig gehouden
voetstukken de spotten drijven met de wetten van evenwicht. Tussen hun stenen uitstekken schoten bomen tevoorschijn als waterstralen onder een vreselijke drukking en steunen de okkanden onderling. Dan zag ik wederom door de natuurgevormde torens en grote muurbrokken als van kastelen voorzien, met zoek in helling voor overhangen als de wetten der zwaartekracht op de oppervlakte der aarde niet zouden gedoogd hebben. En ik bemerkte zelfs het verschil niet tussen de
dichtheid van water en van lucht, want niet tegenstaande mijn zware klederen, mijn koperen helm en mijn lode zolen beklom ik hellingen van onbegrijpelijke stijlte met de vlugheid van een geit of een gems. Ik gevoel wel dat ik onwaarheid schijn te vertellen nu ik deze onderzee ze toch beschrijf, doch ik schrijf de geschiedenis van schijnbaar onmogelijke zaken die echter onbetwistbaar waar zijn. Ik heb niet gedroomd, maar gezien en getast.
Twee uren na het verlaten van Denautilus hadden wij de uiterste grens der bomen bereikt, en honderd voet boven ons verhief zich de top van de berg, die donker afstak tegen het hellen licht van de andere kant. Hier en daar stonden nog enige versteende struiken. Duizenden vissen vlooden voor ons uit, evenals vogels in het hoge gras verrast. De rots was doorboord met een menigte ondoordringbare scheuren, diepe holen en grote gaten, waarin zich verschrikkelijke voorwerpen bewogen. Ik
verstijfde van schrik als ik een spriet- of voelhoorn zag, die mij de weg versperde, of een vreselijke schaar, welke zich in de duistenis der grot met vrij veel geweld opende en sloot. Duizenden lichte punten flikkerten in deze nacht. Het waren de ogen van reuzachtige schaaldieren in hun schuitplaatsen gedoken, of van vreselijke kreeften die als hellenbuitdiers overeind stonden en haar poten tegen okanden sloegen alsof ze van ijzer waren. Van reuzachtige krabben, die als
kanonnen op hun afhuiten stonden, van ontzettende inkvissen, welke met hun voelarmen de rookanden werkten, als waren ze een broedsel van levende slangen. Welke was die vreselijke, mij nog onbekende dierenwereld? Tot welke klasse of orde behoorden deze beesten, voor wie de rotsen wel op zijn huisden, als het ware een tweede schaal vormden? Waar had de natuur het geheim van hun bestaan ontdekt en zeer het hoeveel eeuwen leefde zij in de diepte van de zee?
Doch ik kon niet blijven staan, kapitein Nemo, meer van daarbij met deze afzichtelijke wezens bekend, sloeg er geen acht meer op. We waren op een eerste bergvlak gekomen, waar mij nog andere verrassingen wachten. Daar zag ik schilderachtig gebouw vallen, die de hand ter mensen en niet ter schippers verrieden. Het waren grote steenhopen, waaronder men onduidelijk de vormen van kastelen en tempels herkende, met een heerleger van
bloeiende sowofieten en een manto van zeewir en gras als met klim op bedekt. Maar welk gedeelte van de aardboel was het toch, dat door overstromings geen verzorgen te zijn? Wie had deze rotsen en stenen daar zo neergezet als gedenktekenen van voorhistorische tijden? Waar was ik? En waar had een luim van de kapitein mij heen gebracht? Ik had het hem wel willen vragen, maar omdat ik het niet kon doen, bleef ik staan en greep hem bij de arm. Hij schudde met het hoofd en
wees bij de laatste bergtop, alsof hij wilde zeggen, kom maar mee, kom maar. Ik volgde hem dus en binnen weinige minuten had ik de top bereikt die boven deze rotsmassa nog tien meter uitstak. Ik keek naar de zijde door ons bestegen. De berg verhief zich slechts zeven of achthonderd voet boven de vlakte. Maar aan de andere zijde was hij dubbel zo hoog en besloeg het dal dat zich in dit gedeelte van de oceaan aan zijn voeten uitstrekte. Mijn blik drong hier vrij ver door en omvatte een
grote ruimte door een hevige uitbasting van licht. Deze berg was inderdaad een vulkaan, ongeveer vijftig voet onder de top braakte een krater, ten midden van een regen van stenen en rotsplokken, stroomt lava uit als vuurige water vallen in het water verdwijnd. Deze vulkaan verlichtte als een ontzachelijke grote vakkel de vlakte, zover het hoog rijkte. Ik zei dat die onderzeese vulkaan lava maar geen vlammen uitbraakte, voor vlammen is de zuurstof der lucht nodig,
zodat zij onder het water niet kunnen duren. Maar lava-stromen, die het beginsel hun gloeien in zich bevatten, kunnen zelfs roodgloeiend zijn, zegevierend tegen het water worstelen en dit bij aanraking verdampen. De lava stroomde dus evenals bij de uitbasting van de Vesuvius naar bededen op een andere Tohe del Greco. Inderdaad, daar lag onder mijn ogen een verwoeste stad met ingestochte daken, vernieuwde tempels, uit okanden gescheurde zuilen en neergeworpen kolommen,
welke men vermoeden kon dat tot de stevige tofskaanse bouworde behoort hadden. Verderop lagen de overblijfselen in een reuzezachtige waterleiding. Hier lag het hoge muurwerk van een burg met gebouwen waarin men de vorm van het partijon gistte. Daar overblijfselen van een kade, alsof een haven in vervlogen eeuwen aan de kust van een verdwenen oceaan aan koopvaardij en oorlogsschepen tot ankerplaats had gestrekt. Nog verder lange lijnen van in okanden gestorchte muren, brede en verlaten
straten, een geheel Pompei daar in het water verzonken en door kapitein Nemo onder mijn oog gebracht. Waar was ik? Ik wilde het weten, ik wilde spreken en de kopere helm mij van het hoofd drukken. Maar de kapitein kwam naar mij toe en hield mij met één beweging tegen. Toen raakte hij een stuk kruidsteen op, liep daar in zwarte basaltrots en schreef daarop het woord Atlantis. Welk een gedachte trof mij. Atlantis, het oude biropus van Theopompus, het Atlantis van Plato,
het vaste land dat ontkend werd door Orygenes, Porphyries, Jan Blichus, D'Anvil, Maltbrün en Van Humbold die deze verdwijning onder de sprookjes rekenen, nog waaraan geloof geslagen werd door Poseodonius, Plinius, Amianus Marcellinus, Tertullianus, Engel, Chirurg, Thunfort, Bufon en Davézak. Ik had het daar onder mijn ogen, zoals het de onwederspreeklijke sporen nog droeg van de ramp welke het getroffen had. Dit was dan het verzwogen land dat vroeger gelegen was buiten de grenzen van
Europa, Azië, Libië en de Kolommen van Hercules, waar het machtige volk der Atlanten leefde, waar tegen het oude Griekenland zijn eerste oorlogen voerde. De geschiedschrijver die de grote daden van dit helden tijdvakteboek heeft gesteld is Plato. Zijn gesprek tussen Tineus en Critias is om zo te zeggen onder de invloed van de dichter en wetgever Solon geschreven. Deze onderhield zich eens met enige wijze grijzaarts uit Saïs, een stad, toen er reeds acht eeuwen oud
zoals de opschriften op de tempelmuren getuigen. Eén die wijzen verhaalde de geschiedenis in een stad nog duizend jaar oudig. Deze oude stad was, toen zij negen eeuwen bestaan had, door de Atlanten overvallen en gedeeltelijk verwoest. Dit volk, zei hij, woonde in een uitgestrekt land, veel groter dan Afrika en Azië bijoekandig en een oppervlakte beslaan van 12 graden tot 40 graden noorderbreedte. Hun gebied strekte zich tot aan Egypte uit. Zij wilde ook Griekenland de wet
voorschrijven, doch daar stieten zij het hoofd tegen de onweerstaanbare moed der heleden. Eeuwen verliepen. Een geweldige overstroming met aardevingen gepaard had plaats. Eén dag en één nacht waren voldoende om dit Atlantis te vernietigen, waarvan Madeira, de Azorische, Canarische en Kaapverdische eilanden nu nog als hoogste punten zich uit de zee verheffen. Dit waren de geschiedeniske herinneringen die het door Capitaine Nemo geschreven woord bij mij
levendig deden worden. Zo stond ik dan, door het vreemdste lot gedreven, thans op Eenderbergen van dit verdwenen land. Ik raakte als het ware met de hand die duizend eeuwen oude bouwvallen aan tot een voorweeldelijk tijdperk behorend. Ik betrad de grond waarop de tijdgenoten van de eerste mens hadden gewoond. Ik verbrijzelde onder mijn voet de skeletten van dieren uit de fabelachtige tijden die
onder de schaduw van de tansversteende bomen hadden gerust. Ach, waarom had ik niet meer tijd? Ik had de steile helling van deze berg wel willen afdalen om dit uitgestrekte land te doorlopen dat zonder twijfel Afrika en Amerika en Ocander verbond en om die grote voorweerlijke tijden te bezoeken. Daar strekte zich misschien onder mijn voet het krijgshaftige Makimos. Het vroemde euseebes uit, wie reuzachtige inwoners eeuwenlang leefde en die kracht genoeg bezaten
om deze rotsplokken op Ocander te stapelen, nu nog weerstandbiedend aan het geweld der wateren. Eens zou misschien een wonder de verdwenen bouwvallen weer boven het vlak der zee verheffen. In dit gedeelte van de oceaan heeft men het bestaan van een aantal onderzeese vulkanen bewezen en verschijdende schepen hebben buitengewone schokken ondervonden als zij op deze hoogte voeren. Sommige hoorden doffe geluiden, de strijd ter elementen te
kennen geefende, andere hebben vulkanen als opgevangen uit zee naar boven geworpen. De gehele bodem tot aan de evenaart toe wordt nog door onderaardse vulkanische krachten getijsterd. En wie weet of over enige eeuwen de toppen deze vuurspuwende bergen, hoger geworden door plutonische uitwerpselen en opeenvolgende lava-benningen, niet boven het vlak van de Atlantische oceaan, zullen uitsteken. Terwijl ik zo pijnste en al de bijzonderheden
van dit grootste landschap in mijn geheugen trachten te prenten, bleef Capitij Demo opeen met mosbedeckte kolom geleund, onbeweegelijk en als versteend in stomme bewondering staan. Dacht hij aan verdwenige slachten en tracht hij het geheim der toekomst van het mensdom te ontdekken. Kwam die vreemde man op deze plaats zijn geschiedenige herinneringen verlevendigen en in deze oudheid meeleven, omdat hij van het leven in de latere of nieuwere tijd niets wilde
weten. Wat zou ik niet gegeven hebben om zijn gedachten te kennen, daarin te delen en ze te begrijpen. We bleven een uur lang op deze plaats en beschouwden onder de lichtende schijn van de gloeiende en soms verbazend schitterende lava de uitgestrekte vlakte. Het koken en woelen onder de grond deed de berg van tijd tot tijd dreunen en trillen. Zware geluiden werden met de grootste nauwkeurigheid door het water overgebracht
en weer kaatsten met statige kracht. Op dat ogenblik scheen de maan een poos door het water heen en wierp over het verzwogen landschap enige bleke stralen. Het was maar een ogenblik, toch, van een onbeschrijfelijke uitwerking. De kapitein richtte zich op, wierp een laatste blik op de onmetelijke vlakte en wenkte mij toen hem te volgen. Wij daalden de berg spoedig af. Toen wij het woud door waren,
zag ik de lantaarn van de nauwtelers schitteren als een ster. De kapitein ging er rechtop af en we waren weer aan boord toen de eerste stralen van het morgenlicht schelen over de oppervlakte van de oceaan. Het einde van hoofdstuk 33