chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 35

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

De richting van de Nautilus was niet veranderd. Wij moesten voor het ogenblik dus alle hoop laten varen om naar enige Europese zee terug te keren. Capitain Nemo bleef de koers naar het zuiden richten. Waar voerde hij ons heerlijk naar? De Nautilus was een heel grote zee.

De Nautilus was een hele grote zee. De Nautilus was een hele grote zee. De Nautilus was een hele grote zee. De Nautilus was een hele grote zee. De Nautilus was een hele grote zee.

De Nautilus was een hele grote zee. Waar voerde hij ons heen? err kon het mij niet voorstellen! Die dag door Mins creeft de Nautilus een zonderlinkredeelte van de Atlantische Ocean. Onder de naam GolfStroom Val, dat van gårfstroom is bekend.

Even nadat hij de Golf van Mexico heeft verlaten, verdeelt hij zich in twee takken. De voornaamste richt zich naar de kusten van IJsland en Noorwegen, terwijl de andere op de hoogte der Azorische eilanden Zuidwaard stroomt en daarna tegen de Afrikaanse kust stuitende een ovaal beschrijft en naar de Antillen terugkeert. Deze tweede tak van de warme stroom gaat dus met zijn golven om een koud, bijna stilstaat

een onbeweeglijk gedeelte van de oceaan dat men de Krooszee noemt. Het is een meer in het midden van de oceaan, om welk het water van de grote stroom in niet minder dan drie jaar heenloopt. De Krooszee bedekt om zo te zeggen het land dat door de oceaan is verspogen. Sommige schrijvers hebben zelfs beweerd dat het seegas uit welke deze zee in grote menigte ronddrijft van de wijde van dit vroegere vaste

land afkomstig is. Waarschijnlijk echter is dit seegas en wier afkomstig van de kusten van Europa en Amerika en wordt door de golfstroom tot op deze hoogte meegesleept. Dit was een van de redenen die Columbus deden geloven aan het bestaan van een nieuwe wereld. Toen de schepen van deze koene zeevader in de Krooszee kwamen, hadden zij werk om door dit gras heen te komen omdat het tot grote ontsteltenis van de equipage hun vaart tegenhield.

Ze besteden zelfs drie weken erover om er doorheen te worstelen. Zo was de streek door de Nautilus op dit ogenblik bezocht. Het was een wezenlijke wijde, zulke dicht tapijt van gras, zee, kroos en wier dat een schipper niet zonder moeite kon doorvaren. Kapitein Nemo wilde zich met zijn schroefboten dan ook niet in deze massa gras wagen en bleef op enige meters diepte onder de golven.

De Krooszee wordt ook wel Sargazzozee genoemd, naar het Spaanse woord Sargazzo, dat zeewier betekent, omdat deze uitgestrekte bank door deze plant gevormd wordt. Zie hier waarom deze planten, volgens de geleerde Mori, de schrijver van de natuurkundige aardrijksbeschrijving, zich verenigen in dit kalme gedeelte van de Atlantische Oceaan. Men kan, zegt hij, dat verschijnsel verklaren door een proef die elke een kent. Als men in een bak met water

enige stukjes, kerk of andere voorwerpen laat drijven en men aan het water een draaiende beweging geeft, dan zal men die verspreide stukjes zich in het midden zien bijeenvoegen, dat is daar waar het water het minst in beweging is. Bij het verschijnsel waarover wij spreken is de Atlantische Oceaan de bak, de golfstroom is een draaiend gedeelte en de Krooszee een middelpunt waar de drijvende voorwerpen zich verenigen. Ik deel Mori's gevoelen en heb het verschijnsel

op de plaats zelf waar schepen slechts zeer zelden komen kunnen onderzoeken. Boven ons dreven voorwerpen van alle handen soort, opgehoopt tussen het bruinachtige gras. Boomstammen die van de Andes en het Rotsgeberg waren afgescheurd en door de Amazonen rivier of de Mississippi werden voortgestuurd. Talloze overblijfselen van vrakken, zo met schelpen en planten begroeit dat zij niet boven konden drijven.

En de tijd zal ook eens dat andere gevoelen van Mori waar maken dat deze eeuwenlang opgehoopte voorwerpen eenmaal verstenen en door de werking van het water een onuitputtelijke kolenmijn zullen vormen. Een kostbare voorraad dus, die de voorzienigheid nu reeds verzamelt voor het ogenblik dat de mensen de mijnen op het vaste land hebben uitgeputst. De gehele 22 februari brachten wij in die Croce door, waar de vissen,

die zoveel van zeepplanten houden, en de schaaldieren overvloedig voedsel vinden. De volgende dag had de oceaan wederom zijn gewoone voorkomen. Van dit ogenblik af bleef de nautilus gedurende 19 dagen, van 23 februari tot 12 maart, in het midden van de Atlantische Oceaan en voerde ons mee met een doorlopende snelheid van 16 kilometer in het uur. De kapitein wilde waarschijnlijk het gehele programma zijn onderzeese reis aflopen en ik

twijfelde er niet aan of hij zou, na om Kaaphoorn te zijn gestevend, naar de stille Zuidzee terugkeren. Netlent had dus wel gelijk met bang te zijn. In deze uitgestrekte zee, zonder eilanden, behoefde men het niet te beproeven om van boord te gaan. We hadden dus geen middel om ons tegen de wil van kapitein Nemo te verzetten. Het enige wat wij doen konden was ons te onderwerpen, maar wat men van geweld of list niet meer te wachten had, dacht ik dat door overreding

koffer kregen worden. Als de reis was afgelopen zou dan de kapitein dan niet in toestemmer ons de vrijheid terug te geven, onder ede van zijn bestaan nimmer te verraden. Wij zouden die eet zeker hebben gehouden, maar ik moest die tederen zaak met de kapitein zelf behandelen. Zou ik hem echt de vrijheid wel kunnen vragen? Had hij bij het begin der reis niet op stellige toon verklaard dat het geheim van zijn leven onze levenslange gevangenschap aan boord van de

Dautulus eiste. Moest mijn stilzwijgen gedurende vier maanden hem niet toen geloven dat ik mij zonder morgen in die toestand schikte? Als ik die zaak weer aanhoorde zou het dan geen achterdort bij hem opwekken, die onze plannen kon benadelen als ik daar toen later enige gunstige omstandigheid voordeed. Ik overdacht en overwoog al die redenen en ik onderwirp ze aan Koeraads oordeel die niet minder verlegen stond dan ik. Kortom, hoewel ik niet gemakkelijk aan het veld was te slaan,

begreep ik toch dat de kans om mijn vrienden en bloedverwanten ook terug te zien van dag tot dag verminderde, vooral nu kapitein Nemel als een rechte wagehals stuurde naar het zuidelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan. Gedurende de bovengemelden 19 dagen had er op onze reis niets bijzonders plaats. Ik zag de kapitein maar zelden. Hij zat te werken. Dickworst vond ik in de bibliotheek boeken die hij geopend had laten liggen en vooral werken over natuurlijke geschiedenis.

Mijn werk over de diepte in de zee was door hem doorgebladerd en met kanttekeningen overladen die mijn stellingen Dickworst weer spraken. Doch de kapitein stelde zich slechts tevreden met al dus mijn werk te verbeteren zonder met mij te twisten. Soms hoorde ik de droefgeestige tonen van zijn orgel dat hij met veel gevoel bespeelde, maar altijd de slachts, ten midden van de grootste duisternis als de nautilus op de grote verlaten vlakte van

de oceaan als ingeslapen scheen te zijn. Gedurende dit gedeelte der reis voeren wij soms dagenlang aan de oppervlakte der zee. Ze was als verlaten. We zagen slechts nu en dan een zeilschip dat voor Indië bevracht koers zette naar de Kaap de Goede Hoop. Eens werden wij vervolgd door de schepen van een walvisvaarder die ons zonder twijfel aanzag voor een reuztachtige walvis van grote waarde. Maar kapitein Nemo wilde die wakkere zeelieden hun tijd en moeite niet laten verliezen en

eindigde de jacht met onderwater te duiken. Dit voorval scheen het land bijzonder belang in te boezemen. Ik geloof niet dat ik bij bedriegen als ik zeg dat de Amerikaan er spijt over gevoelde dat onze metalen huid niet door een derhachtpoeder van die vissers dodelijk werd getroffen. De vissen die ik met Koenraad gedurende dit gedeelte onze reis opmerkte, verschilde weinig van die we reeds vroeger gezien hadden. De voornaamsten waren enige exemplaren van de

vreselijke afdeling kraakbeenachtige dieren die niet minder dan 32 soorten bevat. Gestreepte haaien van 5 meter lang en met platte kop, breder dan het lichaam en een ronde staart. Op de rug hebben zij overlangs zeven brede, even weinige zwarte strepen. En dan grijze haaien met slechts een rugfin. Er kwamen ook grote zeehonden voorbij en dat wel van de meest verslindende soort. Men behoeft alle verhalen van vissers niet te geloven, doch zie hier enige staaltjes van hetgeen zij vertellen.

In het lichaam van een van die dieren heeft men de kop van een buffel en een geel kalf gevonden, in een ander twee konijnen en een matroos met kleren en al, in een ander een soldaat met de sabel in de hand en in nog een ander een ruiter met zijn paard. Men behoeft aan dat alles geen geloof te herten, doch zeker is het dat geen van die dieren zich in de netten van de nautilus niet vangen, ik dus hun fraadzucht niet kon nagaan. Dagenlang hielden troepen bevalligen en dachten

de dolfijnen ons gezelschap. Zij zwommen met troepjes van vijf of zes en joegen de andere vissen na, evenals een troep wolven in het veld. Overigens zijn zij niet minder fraadzuchtig dan de zeehonden als ik tenminste geloof moet slaan aan het verhaal van een hoogleraar uit de Kopenhagen die verzekert dertien walrussen en vijftien robben in de maart van een dolfijn gevonden te hebben. Ik zag ook zeldzame exemplaren van de klassen der stekelvinnigen en der zaagvissen.

Sommige schrijvers, trouwens meer dichters dan natuurkenners, beweren dat deze vissen liefelijk zingen en in vereniging van hun stemmen een muziek voortbrengt waarbij de menselijke stem niet kan halen. Ik ontken het niet, maar die dieren gaven ons tot ons groot leedwezen geen enkele serenade. Eindelijk zagen wij nog een grote menigte vliegende vissen. Niets was aardiger dan te zien hoe de dolfijnen ze met grote juistuitwisten na te jagen. Hoe hoog zij zich

ook uit zee konden verheffen, welke boog zij ook beschreven tot zelfs over de nauteles heen, de ongelukkige vissen volden de bek van de dolfijn altijd geopend om ze op te vangen. Tot op 13 maart ging onze tocht op dezelfde wijze voort. Die dag werd de nauteles gebesigd om proeven van peiling te doen, welke mij het grootste belang inboezemde. Zedend ons vertrek uit de stille Zuidzee hadden wij ongeveer 52.000 kilometer afgelegd. We waren

op 45 graden 37 minuten zuiderbreedte, 37 graden 53 minuten westerlengte. Het was omstreeks dezelfde plaats waar kapitein Denham van de herald op 14.000 meter geen grond vond. Daar had Luitiland Parker van het Amerikaanse vruchtgoud Congress op 15.140 meter de bodem niet kunnen peilen. Kapitein Nemo besloot om de nauteles naar de grootste diepte te doen dalen om die verschillende peilingen eens na te gaan. Ik maakte mijn gereed de uitslag van dit onderzoek op te

tekenen. De zaalwanden openden zich en het vaartdag begon zich in beweging te stellen ten einde die verbazende diepte te kunnen bereiken. Men kan nagaan dat er geen spraken kon zijn van door middel van het vullen der vegaarbakken naar de afgrond te zinken. Misschien zou het water de specifieke zwaarte van de nauteles toch niet genoeg hebben kunnen vermeerderen. Bovendien zou men, om weer te stijgen, het water moeten uitpompen en dan zouden zeer zeker de pompen niet krachtig

genoeg geweest zijn om de druk van buiten te overwinnen. De kapitein besloot dus om de zwaarde of vleugels van zijn nauteles in een hoek van 45 graden te plaatsen en al dus schuins naar beneden te varen. De schroef kreeg bovendien de grootste stilheid van beweging en draaide met onbeschrijfelijke kracht door het water. Op deze wijze, met de grootste kracht voortgestuwd, trilde de nauteles als een snaar en daalde regelmatig naar de diepte. De kapitein en ik volgden in de salon de naut

van de manometer die zich vrij snel verplaatste. Wel draaar waren wij dieper dan dat gedeelte der zee waar de meeste vissen hun verblijf houden. Terwijl sommige van die dieren slechts aan de oppervlakte van het water kunnen leven zijn er daarentegen anderen, hoewel minder toorek, die zich in grotere diepte ophouden. Er waren er zelfs op 1200 meter diepte onder een druk van 120 atmosferen. Ik vroeg de kapitein of hij ooit vissen op nog grotere laagde gevonden had.

Vissen? antwoordde hij. Zelden, maar wat vermoedt of weet men bij de tegenwoordige wetenschap? Het volgende kapitein. Men weet dat als men naar de diepte van de oceaan afdaalt, het plantenleven eerder ophoudt dan het dierlijk leven. Men weet dat, waar men nog levende wezens vindt, er geen enkele plant meer groeit. Men weet dat de oesters 2000 meter diep onder water leven en dat McClintock, de held van de Poolzeeën, een levende zeester van een diepte van 2500 meter naar

boven heeft gehaald. Men weet dat de equipage van de Bulldog, van de Koningelijke Engelse marine, een zeester op meer dan vier kilometer diepte gevist heeft. Maar misschien zult jij zeggen, kapitein, dat men niets weet? Nee, meneer antwoordde de kapitein. Zo onbeleefd zal ik niet zijn. Ik zal u echter vragen hoe gij het verklaart dat die dieren op zulke diepte kunnen leven. Een verklaarde daar twee oorzaken, antwoordde ik. Voor eerst omdat de verticale stromen ontstaan door

het verschil in zout gehalte en door de dichtheid van het water, een beweging veroorzaken die genoegzaam is om het leven van zee-sterren te onderhouden. Juist, zei de kapitein. Ten andere omdat, als de zuurstof een levensbehoefte is, men weet dat de in zeewater opgeloste hoeveelheid zuurstof in de diepte toeneemt in plaats van te verminderen en dat de grotere waterdruk in de diepte de samenpersing daarvan in de hand werkt. Zo, weet men dat, antwoordde de kapitein in weinig verwonderd.

Wel nu, meneer de professor, dan weet men het goed, want het is de waarheid. Ik voeg er nog bij dat de zwemblaas der vissen meer stikstof dan zuurstof bevat wanneer ze aan de oppervlakte van het water gevangen wordt, toch daarentegen meer zuurstof dan stikstof als mensen uit grotere diepte ophaalt, wat een bewijs is voor uw stelling. Maar laten we ons onderzoek voortzetten. Ik keek weer op de manometer. Deze wees een diepte van zes kilometer aan. We waren zelden een uur aan

het dalen. De nautilus daalde altijd door. Het ontvolkte water was bijzonder doorschijnend en onbeschrijfelijk helder. Een uur later waren wij dertien kilometer diep en nog bemerkte wij niets van de bodem der zee. Toen we echter veertien kilometer gedaald waren begon ik zwarte bergtoppen te zien die naar boven staken, maar dat konden wel toppen van bergen zijn zo hoog als de Himalaya of de Mont Blanc. Misschien nog hoger. En dan bleef de diepte van deze afgronden onberekenbaar.

De nautilus zong nog lager, niet tegenstaande de vreselijke drukking die hij onderging. Ik voelde de stalenplaten in de voegen trillen. De steunbouten boogen zich. De gehele romp kraakte. De glazen van de salon schenen onder die druk naar binnen te buigen. En het krachtige vaartuig zou zeker bezweken zijn als het geen weerstand had kunnen bieden als een massief blok, zoals de kapitein mij eenmaal verzekerd had. Terwijl wij rakelings langs de rotsen voeren,

zag ik nog enige schilpen en sommige exemplaren van zee-sterren, maar wel dra verdwenen ook deze laatste vertegenwoordigers van het dierlijk leven en op grotere diepte dan 12 kilometer overschreed de nautilus de grenzen van het onderzee zijn leven, evenals een luchtballon die zich in de lucht hoger dan de voor het leven geschikte dampkring verheft. We hadden een diepte van 16 kilometer bereikt. De nautilus onderging een druk van 1600 atmosferen, dat is te

zeggen van 1600 kilogram op elke vierkante centimeter van zijn oppervlakte. Welke toestand, hippe Kraut, deze laagde te bezoeken waar de mens nog nooit is doorgedrongen? Sie eens kapitein, zie die prachtige rotsen, die onbewonen grotten, die verborgen schuilhoeken der aarde waar het leven onmogelijk is. Hoe jammer dat wij van deze onbekende orde niets anders mee kunnen nemen dan de herinnering. Zou het u aangenaam zijn, vroeg de kapitein, er iets meer van mee te nemen dan alleen de herinnering?

Wat wilt je daarmee zeggen? Ik wil zeggen dat niets gemakkelijker is dan de fotografen van deze onderzee zijn streken mee te nemen. Ik had nauwelijks de tijd op mijn verbazing over dit nieuwe voorstel te tonen toen men op een wenk van de kapitein een fotograafisch toestel in de zaal bracht. Door de wijd geopende ramen was de door het elektrisch licht bescheen de watermassa uiterst helder en doorschijnend. Er was geen schaduw, geen afwijking of trilling in ons kunstdicht zichtbaar. De zon

zou voor zulke een proef niet gunstiger kunnen geweest zijn. De nautilus werd door de schroef en de helling zijn er uitstekende vlakken in toom gehouden en lag onbewegendelijk stil. Het toestel werd op de onderzee zijn rotzen gericht en in weinige seconden hadden wij een buitengewoon zuiver negatief beeld. We maakten later afdrukken waarvan ik hierbij de afbeelding in grafuren geef. Men ziet daarop die oorspronkelijke rotsen die het daglicht nooit heeft beschenen. Die benedenste

granietklompen welke de krachtigste grondslagen der aarde vormen. Die diepe grotten in de steenmassa uitgeholt. Die onvergetelijk zuivere omtrekken zich zo zwart aftekendend alsof een schilder uit de Vlaamse school zich gepenseerd heeft. Verderop een horizon van bergen, een schone, golvende lijn die de achtergrond van hun landschap uitmaakt. Ik kan geen beschrijving geven van die gladde, zwarte, glansige rotsen zonder mosplanten, zonder een enkele vlek, vreemd van vorm en

onvrikbaar vaststaande op die zandbodem, schitterend onder de stralen van het elektrische licht. Toen de kapitein gedaan had, zei hij, we gaan weer naar boven, meneer de professor, we mogen niet te lang in deze toestand blijven en de Nautilus niet al te zeer bloot stellen aan zulke drukking. Goed, laten we dan weer naar boven gaan, antwoordde ik. Sta dan vast op uw benen. Voordat ik begreep waarom de kapitein mij die raad gaf, lag ik reeds op de grond. Toen men op een

teken van Nemo de schroef en de buitenvlakken een andere richting had gegeven, vloog de Nautilus als een ballon in het luchtruim met bliksemsnelheid naar boven. Met hoorbare trilling boorde hij door de watermassa. Wij konden niets zien. In vier minuten doorkliefde hij de zestien kilometer die ons van het vlak der zee scheiden en sprong toen als een vliegende vis boven het water uit, waarin het vaartuig weer neerplofte terwijl de golven aan alle kanten ontzachelijk hoog opstooven.

Het einde van hoofdstuk 35

CAPTIONS
Loading...