Chapter 38
Hoofdstuk 38 van Twintig Duizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen onder Zee door Jules Verne. Hoofdstuk 38, de Zuidpool.
Ik snelde naar het plot. Het was zo. We waren in open zee. Er waren maar enkele schotsen of drijvende ijsbergen zichtbaar. Zover het oog reikte zag ik niets dan zee.
In de lucht vlodderden duizenden vogels. Miljoenen vissen zwommen in het water, dat na mate van de diepte donkerblauw of olijfgroen was. De honderd gradige thermometer wees drie boven doel. Het was achter de ijsbank, waarvan de massa zich aan de noordelijke gezichtseinder uitstrekte
als het ware lente. Zijn we aan de pool? Vroeg ik met kloppen hart aan de kapitein. Ik weet het niet, antwoordde hij. Om twaalf uur zullen we eens hoogte nemen.
Maar de zon zal door die mist niet heen dringen, zei ik terwijl ik de grauwe lucht bekeek. Als het maar even schijnen wil, is het al genoeg, antwoordde de kapitein. Tien kilometer van de Nautilus verriest zich naar het zuiden een eenzaam eiland, tot op tweehonderd meter boven de zee. We voeren erheen, toch met de grootste omzichtigheid, want het vaarwater kon vol klippen zijn.
Een uur daarna kwamen wij op het eiland. Twee uur daarna hadden wij het rondgevaren. Het had vijf kilometer in omtrek. Een nauw kanaal scheide het van een groot land, misschien wel een vast land, waarvan wij het einde niet konden zien.
Het bestaan van dit land scheen de veronderstelling van Mori te bevestigen. Die schrandere Amerikaan had namelijk opgemerkt dat tussen de Zuidpool en de Zestigste Parallel de zee met zeer grote, drijvende ijscotsen bedekt is, wat men in het noorden niet meer ziet. Daaraat had hij het gevolg getrokken dat er aan de Zuidpool een groot vaste land moest wezen omdat zulke ijscotsen nimmer in volle zee maar alleen op kusten kunnen ontstaan.
Volgens zijn berekening vormt het ijs aan de Zuidpool een massa van 4000 kilometer oppervlakte. De Nautilus was, uit vrees van op een klip te stoten, blijven liggen op drie kaberlenkten van een strand waarboven zich prachtige rotsen verrieven. De snoep werd in zee gebracht. De kapitein en twee zijn manschappen die de instrumenten droegen stapten erin. Koenraad en ik in Schelijks. Het was tien uur in de morgen. Ik had dit
land niet gezien. De Amerikaan wilde zeker zelfs aan de Zuidpool niet erkennen dat hij ongelijk had. Edige riemslagen brachten ons aan het strand. Toen Koenraad aan land wilde springen, hield ik hem tegen. Aan u de eer meneer, zei ik tot de kapitein om het eerst de voet op deze grond te zetten. Indien ik niet aarzel, antwoordde hij, dit po-land te betreden, is het omdat dat nog toen geen menselijk wezen hier zijn voet heeft gezet.
Toen sprong hij op het strand. Hij was zichtbaar ontroerd. Hij bekom een uitstekende rotspunt en daar stond hij met overal kande geslagen armen, een vurig oog, onbeweeglijk en stilzwijgend als om bezit van deze streken te nemen. Toen hij zo ongeveer vijf minuten gestaan had, keerde hij tot ons terug. Als gij bij wild meneer, riep hij mij toe. Ik ging met Koen aan land, terwijl de beide mannen in de stoep bleven. De bodem was, met roodachtig zand als met fijn gestampte
tichelstenen, bedekt. Daartussen zagen wij stukken lava, buimsteen en andere vulkanische producten. Op sommige plaatsen stegen lichte rookwolkjes, die een sterke zwaveldamp verbreiden uit de grond en deden dus zien dat het onderaardse vuur nog al zijn kracht had behouden. Toen we even wel op een hoge rots gekomen waren, zag ik verscheiden kilometer in de ronde geen enkele vulkaan. Men zal zich herinneren dat kapitein Ros in deze streken op 77 graden 32 minuten breedte
de vulkanen Irebis en Terrug in volle werking zag. De plantengroei was op dit land uiterst gering. Op de zwarte rotsen groeide enkel mossen. Deze vormden met enkele microscopische plantjes de gehele flora. Het strand was beseid met allerlei soorten schelpen, hoorns en zee-sterren. Maar in de lucht vooral was de fauna sterk vertegenwoordigd. Daar vlogenden, fladderden duizenden vogels van allerhande soorten die ons met hun gekras doof schreeuwden. Anderen zaten in groot aantal op
de rotsen en lieten ons zonder vrees voorbij gaan, zodat wij ze soms zelfs met de voet aanraakten. Het waren vetgransen, steltlopers, grote albatrossen en stormvogels. Sommige zo vet, zei ik tot Koenraad, dat de bewoners der Faroe-eilanden hun maar een pit in het dichaam draaien om die dan aan te steken. Als men nog een weinig verdieping zouden het volmaakte lampen zijn, antwoordde Koenraad. Toch, men kan toch niet vergen dat de natuur ze ook nog
met een pit voor ziet. Nadat wij omstreeks vijfhonderd meter waren voortgegaan, vonden wij de grond als beseid met nesten, waaruit zwermen van vogels opvlogen. Later liet de kapitein er enige honderden van vangen, omdat ze zeer smakelijk om te eten waren. Die beesten waren zo weinig schoe dat mensen met stenen kon doodgooien. De mist trok niet op. Om elf uur was de zon nog niet doorgekomen. Ik maakte me daar ongerust over, want zonder zon waren er geen waarnemingen mogelijk.
Hoe zouden wij toch nauwkürig kunnen weten of wij de Zuidboot bereikt hadden? Toen ik weer bij de kapitein kwam, lag hij op een stuk rots geleund en bekeek de lucht. Hij scheen ongeduldig en teleurgesteld. Maar wat eraan te doen? De staatmoedige en veelvermogende man voerde geen bevel over de zon zoals over de zee. Het was twaalf uur en nog had de dagvorst zich geen ogenblik vertoond. Men kon zelfs niets zien waar hij ergens achter dit nevelgoedijn verborgen was.
Wel draa loste de mist zich in de sneeuw op. Tot morgen, zei de kapitein bedaard, en wij roeiden weer naar de nautilus. In onze afwezigheid had men de netten uitgewopen en ik beschouwde met belangstelling de vissen die men in deze Zuidelijke Poolzee gevangen had. De Zuidelijke Poolzee is de wijkplaats voor een grote menigte trekvissen die de kirkingsstormen ontwijken, maar om de prooi te worden van bruinvissen en robben. Ik zag er enige kraakbeenachtige
schaaldieren van een decimeter lengte, witachtig met blauwe en bruine vlekken, gewapend met angels. Voort een wondelijk soort van zeedieren, drie voet lang met ranklichaam, een gladde witte huid met zilveren weerschijn, drie rugvinnen, een ronde kop die een muil uitloopt in een omgebogen staat. Ik proefde ervan maar vond ze zeer onsmakelijk. Koen daarentegen preste zeer. De sneeuwstorm duurde tot de volgende dag. Het was onmogelijk om op het plat te blijven staan.
In de salon waar ik de bijzonderheden van onze tocht optekende, hoorde ik het geschreeuw van stormvogels en albatrossen in de orkaan. De Nautilus bleef niet stil liggen, toch voer langs de kustvoort en ging nog een tiental kilometer verder naar het zuiden, ten midden van een halve schemering, veroorzaakt doordat de zon maar even boven de gezichtseinden verscheen. De volgende dag, 20 maart had het sneeuwen opgehouden, toch het was villiger koud. De
thermometer stond twee graden onder nul. De mist trok op en ik hoopte dat wij die dag zonshoogte konden nemen. Daar Capitaine Nemo nog niet verschenen was, gingen Koerad en ik in de sloop en roeide naar wal. De aard van de grond was nog altijd even vulkanisch. Overal zagen wij sporen van lava, basalt en andere vulkanische uitwerpselen zonder dat wij een krater ontdekten. Hier vloogen ook weer duizenden vogels om ons heen, die dit poland bevolkten. Doch zij deelden hun woonplaats met
grote troepen zoogdieren die ons met hun zachte ogen aankreken. Het waren zeekolven van verschillende soorten waarvan sommigen op de grond en andere opdrijvende ijsschollen lagen, terwijl wederom andere in zee rond spartelden. Ze vluchten niet voor ons, daar zij de mens niet kenden en ik zag er genoeg bij elkaar om enige honderden schepen mee van leeftocht te voorzien. Trommels, zei Koenraad, het is gelukkig dat dit land niet bij ons is. Waarom Koen? Omdat die dolle harpoenier alles zou
doodslaan. Alles? Dat is nogal veel, maar ik geloof niet dat we onze Amerikaanse vrienden hadden kunnen beletten enige van die prachtige exemplaren te harpoenen. Kapitein Nemo zou daar zeer boos over zijn geworden, want hij vergiet ongaarde het bloed van weerloze dieren. Hij heeft gelijk. Zeker Koen, maar zeg eens, heb jij op die schone dieren nooit jacht gemaakt? Meneer weet wel, antwoordde Koenraad, dat ik niet zeer sterk ben in de praktijk, maar als meneer mij de namen van die beesten genoemd heeft,
het zijn zeekalven en robben. Twee soorten uit de oorde der vleesetende zoogdieren antwoordde Koen haastig. Goed, Koen, zei ik, maar laat ons nu voortgaan. Het was acht uur. We moesten nog vier uur wachten voor wij de zon zouden kunnen waarnemen. Ik ging naar een uitgestrekte bij die een inhoud vormde in de granitrotsen op de oever. Zover ons gezicht reikte, waren de oevers van de ijscotsen met zeedieren bedekt en onwilkurig zag ik uit naar de oude Proteus, de herder,
die volgens de fabulairde kudden van Neptunus weide. Het waren meestal zeekalven. De wijfjes paste op de jongen, de mannetjes hielden te wacht. Als zij van de ene plaats naar de andere gingen, deden zij kleine sprongen en steunde daarbij gedeeltelijk op hun zwemvliezen, die bij de met hen verwante zeekoeien veel hadden van armen. Ik moet erkennen dat die dieren met hun bevallige bewegingen en gladhaarige huid verwonderlijk zwommen. Als zij op het strand lagen,
namen zij allerlei bevallige houdingen aan en het is dus geen wonder dat de ouden ze dichterlijk met tritons en sirenen vegen leken. Er waren er onder die men, omdat zij een lengte van 6 tot 7 meter bereikten, zee-olifanten noemt. Zijn die dieren niet gevaarlijk, vroeg Koenraad. Nee, antwoordde ik, behalve als men ze aanvalt. Als een zeekalf zijn jong verdedigt, is het beest woedend en het is niet zelden gebeurd dat het een sloep verbrijzelt.
Het dier heeft gelijk, zei Koen. Dat ontken ik niet. Twee kilometer verder stuiten wij op een voorgebeegde dat de bijen tegen de zuiden wind beschutten. Het reest loodrecht uit zee op en het zeeschuim spatte er tegenaan, aan de andere zijde der rots hoorden wij in geraas alsof er een troep vee loeide. Mooi, zei Koen, een stieren concert. Nee, mijn vriend, dat zijn zeedieren. Vechten zij. Ze vechten en spelen. Dat moeten we eens zien als meneer het goed vindt. Zeker, Koen.
En wij beklommen de zwarte rotsen, waarbij dikwijls onverwacht grote stenen naar beneden vielen, terwijl het ijs ons pad hier en daar vrijglat maakte. Ik viel meer malen en beseerde mij dan erg. Koenraad was voorzichtiger, of stond vaster op zijn benen, tenminste hij struikelde bijna niet en hielp mij telkens op, waarbij hij zei, als meneer zo goed wilde zijn om zijn benen verder van elkaar te zetten, zou meneer beter blijven staan. Toen wij boven op de rots kwamen, zagen wij een grote
witte vlakte voor ons, vol walrussen. De beesten speelden met opkander en brulden van genoegen, maar niet van woede. Ze geleken wel wat op zeekelven, maar waren wat groter. Hun bovenstijttanden staken uit de bek en waren ongeveer 2,5 decimeter lang. De tanden zijn harder dan die van de olifanten en worden minder spoedig geel, waarom zij zeer gezocht zijn. Er wordt dan ook onophoudelijk jacht opgemaakt zodat ze wel draad tot de laatste zullen uitgeroeid zijn. Althans er worden er
jaarlijks meer dan 4.000 gedood. Na een tijd lang te hebben staan kijken, dacht ik erover om terug te keren. Het was 11 uur en als kapitein Nemo een gunstig ogenblik voor waarnemingen had, wenste ik daarbij te zijn. Ik verwachte echter niet dat de zon zich die dag zou vertonen, want de gezichtseinde was met dikke wolken bedekt. Het scheen alsof de zon dat ontoegankelijke punt van de aardbol voor sterveningen niet wilde aanwijzen. Ik ging echter naar de Nautilus terug en volgde
een smal voetbad dat over de top der klipp liep. Om half 12 waren wij op de landingsplaats. De kapitein had zich met de sloep aan wal laten brengen met zijn instrumenten bij zich. Hij keek naar de noordelijke gezichtseinde waar de zon haar korte loopbaan beschreef. Ik ging naast hem staan en wachten zonder spreken. Het werd 12 uur, maar evenals de vorige dag bleef de zon onzichtbaar. Het was treurig, nogmaals konden er geen waarnemingen geschieden. Als dit de volgende
dag niet gebeurde moesten wij de zaak bepaald opgeven, want we hadden juist de 20ste maart. De volgende dag was het dag- en nachtevening en zou de zon voor zes maanden onder de gezichtseinde verdwijnen. Dan begon de lange Poonnacht. Zedat 21 september was zij aan de noordelijke gezichtseinde verdwenen, had zich in een spiraalvormig loopbaan verheven tot 21 december en was toen weer gaan dalen om de volgende dag haar laatste stralen over het Poonland te werpen.
Ik deelde mijn opmerkingen en mijn vrees aan de kapitein mee. Gehebt gelijk, meneer Argonne, zei hij. Als ik morgen de zonshoogte niet kan waarnemen, moet ik dit zes maanden uitstellen. Maar als de zon zich morgen vertoont zal het juist, omdat het dan 21 maart is, gemakkelijk wezen om de 12 uur onze waarneming te doen. Hoezo, vroeg ik? Ik heb de chronometer alleen nodig, antwoordde hij. Als morgen om 12 uur de
zonne schijf door de noordelijke horizon juist midden doorgedeeld wordt, zijn we aan de Zuidpool. Het spreekt vanzelf dat ik de straalbreking daarbij in rekening moet brengen. Juist, zei ik, maar toch is deze waarneming niet wiskundig zeker omdat de dag- en nachtevening niet precies om 12 uur plaats heeft. Zonder twijfel, meneer, maar ik zou me toch geen 100 meter vergissen en meer hebben we niet nodig. Tot morgen dus. De kapitein keerde naar boord terug. Koenraad
en ik bleven tot vijf uur aan land om te ontdekken en ons te oefenen. Ik kreeg geen enkel merkwaardig voorwerk in handen, behalve het bijzonder groot ei van een vetgans, waarvoor een liefhebber misschien 500 gulden zou betaald hebben. Het ei was van Isabella kleur en zeldzaam door de streepjes en figuurtjes die er als hieroglyphen opstonden. Ik gaf het aan Koenraad en deze bracht het met de nodige voorzichtigheid ongeschonden aan boord. Ik legde dit zeldzame ei onder een
van de glasraamen in de salon. Daarna soeperde ik met een heerlijk stukje lever van een zee-kalf, dat wel wat naar varkensvlees smaakte. Toen ik naar bed ging deed ik als de hindoes en riep voor de volgende dag de gunsten in van de zon. De volgende morgen, 21 maart, was ik op het plat en vond er kapitein Nemo. Het weer klaagt wat op, zei hij. Ik heb goede moed. Na het ontbijt zullen we aan land gaan om een
geschikte plaats voor onze waarneming uit te kiezen. Toen zocht ik dat lent op en wilde hem overhalen met ons mee te gaan. Maar de koppige Amerikaan weigerde en ik zag wel dat zijn stilzwijgen en halsstarkheid met de dag toenamen. Evenwel betruurde ik in deze omstandigheden zijn koppigheid niet, want er waren te veel zee-kalven aan land en men moest zulke harponieren niet aan onweerstaanbare verzoeking blootstellen. Na het ontbijt ging ik aan Waal. De Nautilus was
des nachts nog enige kilometers opgevaren en lag op ruim vier kilometer van de kust, boven welke een bergtop van vier of vijfhonderd meter uitstak. Behalve mijn persoon bevonden zich in de snoep de kapitein, twee zijn er manschappen en de instrumenten, dat is te zeggen een chronometer, een kijkers en een barometer. Gedurende onze overtocht zag ik tal van walvissen. Drie soorten treft men in de zuidelijke Polissie aan. De Engelsen noemen ze rightwill, humpback en
fineback. De eerste heeft geen rugvinnen, de tweede grote plooien in de buik en witachtige vinnen, de derde is geelbrui van kleur en de vluchten van alle walvissen. Men kan deze reuzeachtige dieren reeds in de verte ontwaren aan het water dat zij tot aanmerkelijke hoogte opspuiten met een kracht die wolken van damp doet opgaan. Deze dieren dartelden in het stille water zodat ik begreep dat de Pauzee hun en toevluchtsoord was tegen de vijanden die
hen met hevigheid vervolgden. Ik onderscheide ook lange scholen vissen tot de klassen der kabbaljouwer behorende, bedewings grote troepen weekdieren en zeequallen wiegelende tussen de kammen der golfjes. Om negen uur waren wij aan land. De hemel werd helderder en de wolken dreven naar het zuiden. De mist die op het water lag trok op. Capitijn Nemo richtte de steve naar de bergdop waarvan hij misschien zijn observatorium wilde maken. Het beklimmen daarvan kostte veel
moeite door de puntige stukken lava en puimsteen, ten midden ene atmosfeer, bedorven door opstijging van zwaarverlachdige dampen die in hun kolommen tussen de rotspleten naar boven drongen. Voor iemand op het land niet meer gewoon bekom de kapitein de steile hellingen met hun vlugheid en behendigheid die ik niet kon nabootsen en een gemzenjager hem zou benijd hebben. We hadden twee uur nodig om de top deze rots van Porfir en Basalt te bereiken. Vandaar strekte
onze blik zich uit over een zee die aan de noordelijke gezichtseinder duidelijk van de lucht was afgescheiden. Vol onze voeten strekte zich een schitterend witte vlakte uit, boven ons hoofd welvde zich een lichtblauwe hemel zonder enige nevel. In het noorden vertonen zich de zonneschijf als een vurige bol waarvan de gezichtseinder aan de onderzijde een stuk scheen te hebben afgesneden. Uit de zee werden prachtige waterstraden als fonteinen door de
walvissen opgespoten. In de verte lag de nautulus als een slapende walvis op het water. Achter ons, in het zuiden en oosten, strekte zich een verbazend groot land uit dat met een ontzachelijke menigte rotsblokken en ijsschotsen bedekt was en waarvan men het einde niet kon bespeuren. Toen kapitein Nemel op de top kwam ging hij met de barometer zorgvuldig de hoogte na omdat hij dit bij zijn waarneming in rekening moest brengen. Kwartier voor twaven scheen de zon
die slechts door straalbreking zichtbaar was als een gouden schijf en wierp er stralen op dit eenzaam land en over die zee door de mens nog nooit met schepen doorklift. Kapitein Nemel bekeek met een kijker die door middel van spiegels de straalbreking verbeterde het hemelichaam dat in zeer schuine richting langzamerhand onder de gezichtseinder wegzog. Ik had een groot orbeeter in de hand. Mijn hart klopte hevig. Het liet het verdwijnen van de benedenste helft der schijf
samenviel met het twaalfde uur op de chronometer dan waren wij aan de pool. Twaalf uur, riep ik. De Zuidpool, antwoordde de kapitein met ernstige stem terwijl hij mij de kijker gaf waardoor ik kon zien dat de dagvorsd door de gezichtseinder juist in twee helften verdeeld was. Ik zag de laatste stralen op de rotspunten terugkaatsen en de schaduwen langzamerhand toenemen. Op dat ogenblik legde de kapitein de hand op mijn schouder en zei, in 1600 bereikte
de Hollanders door een zeestrom meegesleept de 64 graden. De beroemde koek dronk door tot 67 graden 30 minuten en in 1774 zelfs tot 71 graden 15 minuten. De Engelsman Weddell kwam tot 74 graden 15 minuten en James Ross bereikte in 1942 met de Erebis en Terre 78 graden 4 minuten. Wel nu, ik, kapitein Nemo, heb op 21 maart 1868 de Zuidpool op 90 graden bereikt en ik deem bezit van dit gedeelte van de aardbol dat als zesde wereldheel gelden kan. In wiens naam,
kapitein? In mijn naam. Terwijl hij dit zei ontrolde kapitein Nemo een zwarte vlag waar middenin een witte N was gebootduurd. Daarop keerde hij zich naar de zon wie de laatste stralen nog aan de gezichtseinder verschenen en riep hij uit, fa wel zon, verdwijnt schitterende dagvorsd, verberg u achter deze vrije zee en laat het nacht van zes maanden met zijn schaduwen neerdalen over mijn nieuw gebied. Het einde van hoofdstuk 38