chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 4

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 4 van Twintig Duizend Meilen Onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen Onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 4.

Netland. Kapitein Ferregut was een flink zeeman en het frigat waard dat hij commandeerde. Zijn schip en hij vormde slechts één geheel. Hij was er de ziel van. Hij twijfelde geen ogenblik aan het bestaan van de Eenhoorn en hij dulde niet dat men

daarover aan boord twister. Hij geloofde eraan, zoals sommige ouderwijven aan het bestaan van de levitant geloven, uit geloofsovertuiging, niet door redenering. Het monster bestond. Hij zoude de zee van bevrijden.

Dit had hij gezworen. Het was een soort van ridder van roodus. Een Dieu donné de Gozón, die de slang opzocht, welke dit eiland verwoeste. Of de kapitein zou de Eenhoorn doden, of dit dier zou de kapitein doden, de middelweg bestond er niet.

De officieren deelden het gevoelen van de commandant. Maar hij had ze eens moeten horen spreken over de verschillende kansen en ontmoeting en de uitgestrekte oceaan zien bekijken. Meer dan één hield vrijwillig de wacht op de bramsteng, die ze ook een baantje onder andere omstandigheden zou verwenst hebben.

Zolang de zon haar dagelijkse loopbaan aan de hemel beschreef, zat het wand vol matrozen, wien de planken onder de voeten branden, zodat zij op het dek niet konden blijven staan. En toch kniefde de Abraham Lincoln de golven van de grote oceaan nog niet. Wat de equipage betrof, deze verlangde niets liever dan om de Eenhoorn te ontmoeten, hem te harpoenen, aan boog te hijsen en aan stukken te snijden.

De matrozen bekeken de zee met bijzondere oplettenheid. Bovendien had de kapitein gesproken van een som van 2000 dollars, welke uitbetaald zou worden aan iedereen, matroze of kajautsjongen, boodsmann of officier, die het dier zou aanwijzen. Men kan denken hoe de ogen aan boord van de Abraham Lincoln zich inspanden. Ik voor mij bleef bij de overigen niet achter en ik liet aan niemand mijn aandeel in het

dagelijks uitkijken over. Het frigat zou honderd mal eerder Argus hebben moeten heten. Koen Rathelen was onverschillig voor de zaak, welk ons alle gespanning hield en deelde niet in de algemene geestrift. Ik heb reeds gezegd dat kapitein Ferregut het frigat zorgvuldig voorzien had van allerlei

werktuigen om de grote vis te vangen. Een walvisvaarder zou niet beter zijn uitgerust. We hadden alle mogelijke instrumenten van de harpoen die met de hand geworpen wordt tot de met weerhaken voorziene pijlen die door donderbussen en de ontplofbare kogels, welke door ganzen roeren worden afgeschoten.

Op de voorsteven stond een voortreffelijk achterlaatkanon met dikke wanden en nauwe ziel waarvan een model op de tentoonstelling van 1867 zou worden ingezonden. Dit prachtige stuk geschut van Amerikaanse oorsprong slingende een puntkogel van 4 kilogram op een gemiddelde afstand van 16 kilometer. De Ebram Lincoln miste dus geen enkel verdieningswerktuig, maar ze had nog beter, namelijk Ned Lent,

de koning der harpoeniers. Ned Lent was uit Canada afkomstig en wist zo buitengemeen handig met de harpoen om te gaan dat hij in dat gevaarlijke bedrijf zijn gelijken niet had. Hij was behendig en koelbloedig, stout en listig in de hoogste mate en het moest wel een slimme walvis of een bijzonder listige potvis zijn die aan zijn harpoen ontsnapte.

Ned Lent was omstreeks 40 jaar oud, hij had een lengte van meer dan zes Engelse voet, was fors gebouwd, had een ernstig gelaad, sprak weinig, was soms erg driftig en werd zelfs woedend als men hem tegenwerkte. Zijn persoon trok de opmerkzaamheid tot zich en zijn doordringend oog gaf een zonderlinge uitdrukking aan zijn gelaad.

Ik geloof dat de kapitein wijs gehandeld had met die man voor de tocht aan te werven. Hij was, wat de scherpte van zijn blik en de kracht van zijn arm aangaat, alleen een geheel equipage waard. Ik kan hem nergens beter bij vergelijken dan bij een krachtige verrekijker die tegelijk voor canon kan dienen.

Wie van Canada spreekt, denkt aan Frankrijk en hoe weinig Ned Lent zich ook met anderen bemoeide, moet ik toch bekennen dat hij een zekere vriendschap voor mij opvatte. Mijn afkomst trok hem zeker aan. Hij had daardoor gelegenheid die oude taal van Rabelais te spreken, welke in sommige streken van Canada nog in gebruik is en die ik zo graag ne hoorde.

Het geslacht van de harpoenier was uit Quebec afkomstig en telde reeds tal van stoutmoedige vissers in de tijd toen deze stad uit Frankrijk behoorde. Ned kreeg langzamerhand meer lust in het praten en ik hoorde gaarden het verhaal zijn er avonturen in de Poolzeeën. In de verhalen van zijn visvangsten en gevechten, ademde een natuurlijke poëzie.

Zijn geschiedenissen kregen de vorm van helderdichten en tussen beide dacht ik een Canadase homerisch te horen die de Ilias der Poostreken zong. Ik beschrijf die stoutmoedige makker zoals ik hem nu ken. We zijn oude vrienden geworden en verbonden door een onverbreakbare vriendschapsband, zoals slechts de verschrikkelijkste gebeurtenissen kan in het leven roepen.

Ik zou honderd jaar willen leven, dapperen net, om mij uwer des te langer te kunnen herinneren. En hoe danig was nu het gevoelen van Ned Lent over het zeemonster. Ik moet bekennen dat hij niet aan de eenhoorn geloofde en dat hij de enige aan boord was die de algemene overtuiging niet deelde. Hij vermeet het zelfs om over die zaak te spreken, waarover ik evenwel hoopte hem wel

eens aan het praten te krijgen. Op een prachtige avond, 30 juni, drie weken na ons vertrek, was ons vergad op de hoogte van de Witte Kaap, 30 kilometer van de kust van Patagonië. We waren de Steenbokskeekring gepasseerd en de straat van Maghohaan lag op iets minder dan 700 kilometer meer zuidwaarts.

Voor er acht dagen om waren, zoude Abraham Lincoln de golvende stille Zuidzee klieven. Op de campagne gezeten, praatte Ned Lent en ik over koetjes en kalfjes, terwijl wij onze blikken over die geheimzinnige zee lieten dwalen, weer diepte tot nochtoe voor de menselijke blik ondoordringbaar waren gebleven. Ik bracht zeer natuurlijk het gesprek op de reuzeachtige eenhoorn en ik ging de verschillende

kansen van het al of niet gelukkig onze onderneming na. Toen ik zag dat Ned mij slechts liet praten, zonder zelf iets te zeggen, ging ik meer op de man af. — Hoe komt het toch, Ned? vroeg ik.

Dat jij niet overtuigd bent van het bestaan van de eenhoorn die wij vervolgen. Heb je dan bijzondere redenen om zo ongelooflijk te zijn? De harponier keek mij enige ogenblikken aan, voordat hij een antwoord gaf. Drukte, zoals hij gewoonlijk deed, de brede hand tegen het voorhoofd, neemde ogen toe als om een besluit te nemen en zei eindelijk.

— Misschien wel, meneer Arona? — Kom aan, Ned. Jij, een walvisvader van uw ambacht, jij die met de grote zoogdieren der zee gemeenzaam geworden bent, jij die u gemakkelijk het bestaan van zulke zee-monsters voorbeelden kunt, jij moest de laatste zijn van onder zulke omstandigheden nog twijfel te voeden.

— Daarin bedriegt jij u juist, meneer de professor, antwoordde Ned. Het domme volk mogen geloof slaan aan buitengewone kormeten die door het hemelruim vliegen, of aan het bestaan van voorwereldelijke monsters die nog binnen in de aarde leven. Ik laat dat gaan. Maar sterrenkundigen, nog geologen, hechten aan zulke hersenschimmen.

Met een walvisvader is dit hetzelfde geval. Ik heb er al heel wat vervoerd, een groot deel met mijn harpoen getroffen, verscheidenen gedood, maar hoe sterk of hoe goedgewapend zij ook waren, nog hun staart, nog hun tanden of andere verdedigingsmiddelen zouden de ijzeren platen van een stoomschip ooit hebben kunnen aantasten.

Maar toch, Ned, noemt men schepen die door de Eenhoorn doorboord zijn. Houten schepen, dat is mogelijk, maar ik heb ze nooit gezien. Zolang ik niet van het tegendeel overtuigd word, ontken ik dat walvissen, potvissen of Eenhoorns zoiets zouden kunnen doen. Hoor eens, Ned, nee, meneer, nee, al wat jij wilt, maar dat nooit.

Misschien een rozachtere polyp. Nog minder, Ned, de polyp is een weekdier en die naam alleen doet u reeds horen hoe weinig vastheid haar vlees heeft. Al was zij ook vijfhonderd voet lang. Dan nog zou de polyp, die niet tot de klasse D-gewerve van de dieren behoort, geheel onschadelijk

zijn voor schepen als de Skotiga en de Abraham Lincoln. Verhalen van kraken of andere monsters van die soort moet men dan ook geheel naar het gebied der fabelen verbannen. Dus, meneer de natuurkenner, houd jij het ervoor, hernam Ned Lent, met iets wat spotachtigs in zijn toon, dat zo'n grote Eenhoorn bestaat?

Ja, Ned, en ik herhaal dit met een overtuiging die op feiten berust. Ik geloof aan het bestaan van een krachtig ontwikkeld zogendier dat tot de gewervelde dieren behoort, zoals walvissen, potvissen en dolfijnen, en dat met een buitengewone sterke hoorn voorzien is. De haponiër liet een horen, terwijl hij met het hoofd schudde als iemand die zich niet

wil laten overtuigen. Vergeet niet, hernam ik, dat als zogendier bestaat, als het de diepte van de oceaan bewoont, als het enige kilometers onder de oppervlakte daar zeeswemmen kan, dat het dan noodzakelijk een samenstel hebben moet, welke kracht alle vergelijking te boven gaat. En waarom dan, vroeg Ned?

Omdat er een onberekenbare kracht nodig is om zich in zo'n grote diepte op te houden en aan de druk van de massa water boven zich weerstand te bieden. Zo, zei Ned, terwijl hij mij aankook en een oogje knipte. Zeker, en enige cijfers kunnen u dit gemakkelijk bewijzen. Oh, cijfers, antwoordde Ned, daar doet men mee wat men wil.

In handelzaken is dit mogelijk, Ned, maar niet in de wiskunde. Hoor slecht, laat ons aannemen dat de drukking van de dampkring wordt voorgesteld door de druk van een kolom water van 32 voet hoog. In wezenlijkheid zou de kolom minder hoog zijn omdat wij hier te doen hebben met zeewater, waarvan de dichtheid veel groter is dan dat van zoetwater.

Wel nu, Ned, evenveel maar al 32 voet als jij naar beneden duikt, even zoveel atmosferen drukken er dan op uw lichaam, of een even groot aantal kilogrammen op elke vierkante centimeter van de oppervlakte uw lichaams. Daarom voort dat op een diepte van 320 voet die drukking gelijk staat met die van 10 atmosferen, en als men een diepte van 32.000 voet of ruim 10 kilometer bereiken kon, dan zouden er 1000

atmosferen op u drukken. Elke vierkante centimeter terhalve van uw lichaamsoppervlakte zou een gewichtendraag hebben van 1000 kilogram, en weet ge nu wel, mijn dapperenet, hoeveel vierkante centimeters die oppervlakte bedraagt? In het geheel niet, meneer Arona.

Ongeveer 17.000. Nog zoveel? En daarin de werkelijkheid de drukking van de dampkring nog iets meer is dan een kilogram op de vierkante centimeter, zodragen uw 17.000 vierkante centimeter op dit ogenblik een gewicht van 17.568 kilogram.

Zonder dat ik er iets van merk? Zonder dat jij het bemerkt. En daag jij door zulke drukking niet verpletterd wordt, komt omdat de lucht met een even grote drukking in uw lichaam doordringt, vandaar een volmaaktevenwicht het welke het u gemakkelijk doet dragen.

Maar in het water is het een ander ding. Jawel, dat begrijp ik, antwoordt Annette, die wat oplettener was geworden, omdat het water mij omringt en niet in mijn lichaam doordringt. Juist, Annette, derhalve onder gaat jij 32 voet onder water een drukking van 17.568 kilogram. En zo voortgaande hebt jij bijvoorbeeld op een diepte van 32.000 voet een gewichtopu

van 17.568.000 kilogram. Jij zou dan zo platgedrukt zijn alsof je uit een hydraulische pers kwam. Drommels, zei Annette. Wel nu, mijn weide harponier, als gewervelde dieren van enige honderden meter lang en dik naar evenredigheid zich in zulke diepte ophielden, zouden zij, omdat de oppervlakte van hun

lichaam zoveel groter is, een gewicht van miljoenen maal miljoenen kilogram te dragen hebben en bereken dan maar eens welke weerstandsvermogen hun skelet en welke kracht hun samenstel hebben moet om zulke drukking te weerstaan. Dan zouden ze van acht duim staalplaten gemaakt moeten zijn, zoals de gepanzende frigaten. Zo is het net.

En denk dan eens aan de verwoesting, welke zulke massa kan teweegbrengen als zij met de snelheid van een spoortrein tegen de rom van een schip aankomt. Ja, inderdaad. Misschien, antwoordde Annette in de war gebracht door de cijfers, hoewel hij zich nog niet wilde gewonnen geven.

Wel nu, heb ik u overtuigd? Ge hebt me van een zaak overtuigd, meneer de natuurkenner, en dat is dat als zulke dieren in de diepte der zee bestaan, zij noodzakelijk zo steek moeten zijn als gij zegt. Maar als zij niet bestaan, koppen ge haar ponier, hoe verklaar je dan het ongeluk van de scotia?

Het is misschien, zei Annette aarzelend, wat dan? Omdat het niet waar is, antwoorde Annette, terwijl hij zonder te weten een beroemd antwoord van Arago herhaalde. Doch dit antwoord beweest de stijf hoofdigheid van de harponier, en anders niets. Die dag klampte ik hem niet verder aan boord.

Het gebeurde met de scotia kon niet ontkend worden. Het gat bestond en men had dit moeten dichtmaken, dat wel het beste bewijs zou zijn voor het bestaan van het lek. Dat gat was er niet vanzelf ingekomen en omdat het niet door onderzeese rotspunten of onzichtbare verdieningswerktuigen er in geboord was, moest het natuurlijk aan het werktuig van een dier

worden toegeschreven. Volgens mij was het dier om alle opgezomde redenen een eenhoorn. Om die behoorlijk te kennen, moest men het onbekende monster in stukken kunnen snijden, om het stuk te snijden moest men het vangen, om het te vangen harpoenen. En dat was de zaak van het lend.

Om het te harpoenen zien, dat was de zaak van de equipage. En om het te zien ontmoeten, dat was de zaak van het toeval. Het einde van hoofdstuk 4.

CAPTIONS
Loading...