chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 40

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 40 van Twintig Duizend Meilen Onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen Onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 40, geen lucht.

Derhalve een ondoordringbare ijsmuur boven, beneden en rondom de nauteles. We zaten in de ijsbank gevangen. De Amerikaans sloeg met een vuist op tafel. Koenraad zweeg. Ik keek de kapitein aan.

Zij geluid had de gewone kam te hernomen. Hij had de armen over elkaar geslagen, er is geen na te denken. De nauteles bewoog zich niet. Daarna nam de kapitein het woord. Mijn heren, zei hij op een dader toon, er zijn twee wijzen van sterven in de omstandigheden

waarin wij verkeeren. Deze onverklaarbare man had iets van een hoogleraar in de wiskunde die voor zijn leerlingen de een of andere stelling bewijs. De eerste manier vervolgde hij is om te sterven door verplettering, de tweede door verstikking. Ik spreek niet van de mogelijkheid om de honger snel te sterven, want de proviand van de nauteles

zal langer duren dan wij. Laten we dus alleen over de beide eerste gevallen spreken. Voorstikke behoeven we niet bang te zijn kapitein, antwoordde ik, want onze vergabakken zijn vol. Juist, hernam Nemo, maar dat is maar voor twee dagen genoeg. We zijn nu al zes en dertig uur onder water, zodat het zeer nodig is de lucht in de nauteles

te verversen. Over twee maal 24 uren zal onze voorraad uitgeputst zijn. Wel nu kapitein, dan moeten we voor die tijd bevrijd zijn. We zullen het tenminste beproeven door de muur te doorboren die ons insluit. Aan welke kant, vroeg ik?

Dat zal de peiling leren. Ik zal de nauteles op de onderkant van de tunnel laten rusten en dan zullen mijn manschappen met hun scaphenders aan de ijsberg aan het minst dikke zijde aantasten. Mogen de wanden van de salon open? Zeker, want we liggen stil.

De kapitein ging heen. Een gesis onderrichtte mijn weldra dat de waterbakken volstromden. De nauteles daalde langzaam en stuitte eindelijk op de ijsvloer op een diepte van 350 meter. Vrienden, zei ik, de toestand is ernstig, doch ik reken op uw moed en geestkracht. Meneer, antwoordde de Amerikaan, ik zal u nu niet vervelen met mijn klaaglideren.

Ik ben bereid om alles te doen voor het algemeen behouds. Goed zo net, zei ik, terwijl ik hem de hand toestak. En ik vroeg er nog bij, hernam hij, dat ik een vergoed het hoogheel als de harpoen hanteren en dat als de kapitein denkt dat ik hem nuttig kan zijn, hij over mij kan beschikken. Hij zal je hoop niet weiger, kom maar mee.

Ik bracht de Amerikaan naar het vertrek waar de mannen van de nauteles bezig waren de skephenders aan te doen. Ik deelde de kapitein net voorstel mee dat hij aannam. De Amerikaan tocht een skephender aan en was even spoedig als de anderen gereed. Ook hun er droeg een toestel van roekerol met een voeraad zuivere lucht op de rug.

De vergabakken van de nauteles werden daardoor nogal beroofd, toch het was nodig. De lampen van Roemkorf waren onnodig in dit elektrisch verlichte water. Toen net was aangekleed ging ik naar de salon terug, waar de wanden geopend waren en naast Koenraad staande bekeek ik de ijsmuren eens waar tussen de nauteles lag. Enkele ogenblikken later zagen wij in twaalf tal mannen op het ijs komen.

Net Lent was door zijn lengte te herkennen. De kapitein was er ook bij. Voordat hij in de muren liet hakken bevalt hij boringen te doen om de goede uitslag te verzekeren en te verhaasten. Er werden diepe gaten in de zijmuren gemaakt, nog na 15 meter diep geboogd te hebben stiep

men nog altijd op de ijsmuur. Het was onnodig de muur boven ons te onderzoeken omdat zich daar de ijsbank zelf bevond die meer dan 400 meter dik was. Toen liet de kapitein de bodem onderzoeken. Daar scheide ons bij 10 meter ijs van het water.

Er moest dus een stuk worden uitgehakt dat zo groot was als de doorsnee van ons vaartuig. Er waren dus 6500 kubikameter op te ruimen om daardoor een gat te krijgen waardoor wij onder het ijsveld weer in het vaarwater zouden kunnen komen. Het werk werd onmiddellijk aangevangen en met onvermoeide werkzaamheid voortgezet. In plaats van om de nauteles te graven, want dit zou een zeer moeilijk werk zijn geweest,

liet de kapitein een grote geul op 8 meter afstand rondom de nauteles afmakenen. Daarna boorde zijn manschappen er op verschillende punten tegelijk in. Wel draag viel men met het hou-wil op deze vaste massa aan waarvan men spoedig grote blokken loshakte. Volgens de wetten der zwaartekracht vloogen de blokken die minder wogen dan het water

om zo te zeggen naar het gewelf dat daardoor zoveel dikker als de bodem dunner werd. Doch dit kwam er niet op aan als de bodem aanslonk. Na twee uren van onafgebroken arbeid kwam Ned Lent afgemaakt weer binnen. Zijn makkers en hij werden door anderen vervangen, waartoe ook Koenraad en ik behoorden. De stuurman van de nauteles bestierde onze arbeid.

Het scheen me toe dat het water erg koud was, doch ik werd spoedig warm door het werk. Ik was vrij in mijn bewegingen, hoewel mijn lichaam een drukking van dechtig atmosferen ondervond. Toen ik na twee uren werkens weer binnenkwam om wat te eten en te rusten, vond ik een merkbaar

verschil tussen de lucht uit de toestel van Rukiron en de atmosfeer die ons in de nauteles omringde. Zeder 2 maal 24 uur was de lucht niet vervest en de levenskracht er dus van afgenomen. Echter hadden wij in 12 uren tijds maar 1 meter dikte van het ijs opgeruimd. Als dus het werk op diezelfde wijze werd doorgezet dan zouden wij nog 5 nachten en 4 dagen

hebben nodig gehad om te eindigen. 5 nachten en 4 dagen, zei ik tot mijn makkers, en we hebben maar voor 2 dagen lucht in onze vergabakken. Zonder nog te rekenen dat als we uit die vervloekte gevangenis verlost zijn, zei Ned, wij dan nog onder de ijsbank zitten en geen gemeenschap hebben met de buitenlucht.

Die opmerking was juist, want wie kon berekenen hoeveel tijd wij op z'n minst nodig hadden voor onze bevreding? Zouden wij niet gestikt zijn voordat de nautilus weer de oppervlakte kon bereiken? Was het vaartuig bestemd in het ijsgraaf te verdwijnen met allen die erin waren? Onze toestand scheen verschrikkelijk, maar ieder onze staarde die toekomst moedig tegen

en allen waren vastbesloten om ten einde toe hun plicht te doen. Zoals ik dacht was er gedurende de nacht weer een meter dikte van het ijs afgehakt, toch toen ik de volgende morgen met mijn scaphander aan onder een temperatuur van 6 tot 7 graden onder nul door het zeewater liep, zag ik dat de zijmuren ons langzamerhand naderden. Het water dat op enige afstand niet verwarmd werd door onze arbeid en door de beweging begon

langzamerhand te stollen. Wat betekende tegenover dit nieuwe en dreigend gevaar onze kansen op behoud? En hoe zouden wij deze ijsvorming kunnen tegengaan die de nautilus als een stuk glas uit de kanten zou doen springen? Ik deelde mijn makkers dit nieuwe gevaar niet mee, waarom behoefd ik de geestkracht uit

te doven die zij voor hun reddingswerk zozeer nodig hadden. Toch toen ik weer aan boord kwam deelde ik de kapitein deze omstandigheden mee. Ik weet het, antwoordde hij op die kalme toon die de vreselijkste omstandigheden niet konden doen veranderen. Het is een gevraagde meer, maar ik zie geen middel om het te verhoeden.

Onze enige kans op behoud is sneller te werken dan de vorst. Het is erom te doen de eerste te zijn. Dat is alles. De eerste te zijn. Ik had me toch reeds moeten gewennen aan die wijze van spreken.

Die dag werkte ik verschijne uren, zo hard ik kom. Dit werken gaf mij moed. Bovendien, met werken kon ik de nautilus en die bedorven atmosfeer van ons vaartuig verlaten en dus wat zuivere lucht inademen. Tegen de avond was de groeven nog een meter dieper gemaakt.

Toen ik weer aan boord kwam stikte ik bijna door het kolenzuur waarmee de atmosfeer daar binnen verzadigd was. O, waarom hadden wij geen scheikundige middelen om dit gas te verdrijven? Aan zuurstof hadden we geen gebrek. Het water bevatte een grote hoeveelheid en als we dit door onze toestand wisten te ontbinden

zou het ons door de zuurstof nieuwe levenskracht hebben geschonken. Ik dacht er wel aan, doch waartoe zou het gediend hebben, daartoe het kolenzuur in alle delen van ons vaartuig was doorgedrongen. Om het kolenzuur weg te nemen hadden we grote vasen met bijtende potash moeten vullen en die aanhoudend schudden.

En juist deze stof ontbrak aan boord. Die avond moest de kapitein de kranen van zijn luchtvergaderbakken openen om zodoende de atmosfeer in de nautilus enigszins te verversen. Zonder die voorzorg zouden wij de volgende morgen niet zijn opgestaan. De volgende morgen 26 maart begon ik weer te werken.

We waren aan de vijfde meter bezig. De zij- en bovenmuren van de ijsbank naderden ons van ogenblik tot ogenblik. Het was duidelijk dat zij ons zouden insluiten voordat de nautilus los was. Ik werd één ogenblik wanhopend. Het hw viel mij bijna uit de handen.

Waarom behoefde ik nog te hakken als ik toch moest stikken in het water dat tot ijs stolde. Het was een graf die de grootste vreetaart niet zou hebben uitgedacht. Ik dacht dat ik tussen de vreselijke kaken van een monster zat die onweerstaanbaar tot Okander naderde. Op dat ogenblik kwam de kapitein, die het werk bestierde, toch zelf ook meewerkte,

langs mij heen. Ik stied hem aan de arm en wees hem op de muren om zijn gevangenis. Aan stuurboordzijde was de muur tot op vier meter van de nautilus genaderd. We gingen naar binnen en trokken onze scaphenders uit, waarna ik met hem in de salon ging. Meneer Argonaut zei hij, we moeten iets groots wagen of we zullen in het water, even als

in cement, worden vastgemetseld. Ja, antwoordde ik, maar wat dan? O, riep hij uit, als mijn nautilus aan die drukke weerstand kon bieden zonder verpletterd te worden. Wel nu, vroeg ik, daar ik hem niet begreep.

Begrijp jij niet dat die vorst ons dan te hulp zou komen? Zie je niet dat zij dan die ijsbank die ons ingesloten houdt, zou doen van eenspringen, alsof het ijs de hardste stenen doet splijten? Gevoelt jij niet dat die vorst dan ons reddingsmiddel zou zijn in plaats van ons te verdelgen? Ja, kapitein, misschien, maar welke grote krachten nautilus ook bezit?

Zo zou hij toch aan die verbazende drukking geen weerstand kunnen bieden en geheel plat gedrukt worden. Ik weet het, meneer. We moeten erhalve niet rekenen op de hulp der natuur, maar op onszelf. Wij moeten dat invriezen beletten.

Niet alleen naderen ons die zijmuren, doch voor en achter ons hebben wij niet veel meer dan tien voet water. Aan alle kanten vriezen wij in. Hoe lang kunnen wij met behulp van de luchtvergaarbakken nog adem halen, vroeg ik. De kapitein keek me aan en zei, overmorgen zijn ze leeg.

Een huivering liep mij over de lenen en toch behoefde ik mij over dit antwoord niet te verwonderen. De 22 maart was de nautilus in de open posé ondergedoken, we hadden nu de 26e. Zedat vijf dagen leefden wij van samengeperste lucht en wat er nog overbleef moest voor de werklieden bewaard blijven.

Nu ik deze dingen beschrijf, gevoel ik daarvan nog zozeer de indruk, dat een onwillekeurige huivering zich van mijn meester maakt en ik mijn verbeeld gebrekt te hebben aan verse lucht. De kapitein dacht ondertussen naar en stond onbeweeglijk. Het was duidelijk dat een denkbeeld hem door het brein voer, maar hij scheen dit weer te verwerpen, want hij schudde met het hoofd.

Eindelijk mompelde hij... Kookend water? Kookend water, vroeg ik. Ja, meneer. We zijn in een betrekkelijk kleine ruimte opgesloten.

Zouden stromen kookend water, die de pompen van de nautilus voortdurend kunnen aanvoeren, de temperatuur niet genoegzaam kunnen doen stijgen, om bevriezing tegen te houden? Wij kunnen het proberen, zei ik vastberaden. Ik zal het doen, meneer. De thermometer wees buiten toen 7 graden.

Ik ging met de kapitein naar de keuken, waar grote destilleerketels stonden, om onstringbaar water te bezorgen. Ze werden vol water gevuld en daarna werd al de elektrische warmte der toestellen door de slangen gelaten. Binnen weinige minuten kookte het water.

Het werd naar de pompen geleid, terwijl er telkens weer nieuw water in de ketels kwam. De warmte was zo groot, dat als het koude zeewater alleen door de toestellen heen was gegaan, het kookend in de pompen kwam. De werking begon en 3 uur daarna wees de thermometer 6 graden onder nul aan. We hadden dus 1 graad gewonnen.

2 uur en later wees de thermometer maar 4 graden aan. We zullen slagen, zei ik tot de kapitein, nadat ik herhaaldelijk de thermometer had waargenomen. Ik geloof het wel, antwoordde hij. We zullen niet verpletterd worden, we hebben dus alleen nog maar voor verstikking te vrezen. Gedurende de nacht steeg de temperatuur tot 1 grad onder nul.

Hoger konden we niet komen, maar daaraan het zeewater eerst bij een koude van 2 graden bevriest, was ik eindelijk verzekerd dat wij niet konden invriezen. De volgende dag, 27 maart, was het dikte van 6 meter weggehakt. We moesten nog door 4 meter heen, dus nog 48 uur werken. In de nautelus kon de lucht niet verversd worden, zodat het die dag hoe langer hoe benauder werd.

Een onbeschrijfelijke zwaarte drukte mij. Tegen 3 uur in de namiddag werd ze onuitstaanbaar. Ik deed niets als vreselijk gapen. Mijn borst heigde naar adem. Verdoving overviel mij.

Ik lag bijna kracht en bijna wezenloos uitgestrekt. Mijn brave Koen had dezelfde gewaarwoordingen, maar verliep mij niet. Hij vatte mij bij de hand en sprak mij moed in. Ik hoorde hem zelfs mompelen, al als ik maar niet behoefde te ademen om meneer meer lucht te geven.

De tranen kwamen mij in de ogen toen ik dit hoorde. Daar onze toestand in het vaartuig ontdraaglijk was, token we haastig en tevreden onze skephenders aan om op onze beurt aan het werk te gaan. De haweelslagen weer klonken op het ijs. Onze armen werden moeden.

De handen deden ons pijn. Toch, wat betekende dit? We ademden verse lucht in. We ademden. En toch werkte niemand langer dan hij mocht.

Als zijn taak voorbracht was, gaf ieder aan zijn heigende opvolger het toestel over, dat hem nieuwe levenskracht deed toestromen. Als het ogenblik daar was, gaf hij zijn toestel aan een ander en kwam hij weer even bedaard zondermorgen in de bedorven atmosfeer van het vaartuig. Die dag werd het werk met nog groter kracht voortgezet.

Er moesten nog maar twee meter worden losgehakt. Slechts twee meter scheiden ons van de open zee, waar de vergaarbakken waren bijna leeg. Het weinige lucht dat er nog over was, moest voor het werkvolk bewaard blijven. Niets voor de nauteles. Toen ik weer bij de boot kwam, stikte ik bijna.

Welk een nacht! Ik kan die niet beschrijven. Zulk leiden kan niet beschreven worden. De volgende morgen was ademhaling bijna onmogelijk. Ik had zware hoofdpijn en alles duizelde mee alsof ik dronken was.

M'n makkers gevoelden hetzelfde. Enige matrozen der bemanning lagen stervende. Die dag, de zesde na onze insluiting, vond kapitein Nemo dat het met houwelen en bijlen te langzaam ging en wilde hij de ijsbank, die ons nog van de open zee scheide, doorstoten. Die man had zijn kalmte en geestkracht behouden.

Hij onderdrukte door zijn zielkracht zijn lichamelijk leiden. Hij dacht, berekende en handelde. Op zijn bevel werd het vaartuig verlicht, dat is te zeggen door de zwaarte te verminderen. Toen het door het uitpompen van enig water uit de vergaarbakken dreef, bracht hij het boven de grote opening die men juist volgens de omtrek van de Nautilus gehakt had.

Toen de vergaarbakken daarna weer vol werden gepompt, zakte het vaartuig juist in de opening. Op dat ogenblik kwam de gehele bemanning weer binnen boord en werden de dubbele deuren gesloten. De Nautilus rustte toen op een ijskost die nauwelijks een meter dikter had en overal doorboord was. De kranen der vergaarbakken werden toen waagwijd opengezet en 100 kubike meters water stroomde naar binnen waardoor de zwaarte van de Nautilus met 150.000 kg vermeerderde.

Wij wachten, wij luisterden en vergaten in gespannen verwachting ons leiden. Ons behoud stond als het ware op een laatste worp. Niet tegenstaande het gesuis in mijn hoofd hoorde ik wel draaien gekraak onder de Nautilus. We zakten, het ijs kraakte zonderling, even als papier dat gescheurd wordt, en de Nautilus daalde. We zijn erdoor, fluisterde de koelraad mij in het oog.

Ik kon geen antwoord geven, ik greep hem met de hand en drukte die onwillekeurig. Plotslinks zong de Nautilus door zijn ontzachelijke zwaarte als een kogel in het water. Het was alsof het vaartuig in een lege ruimte naar beneden viel. Toen begonnen de pompen met de grootste macht het water uit de vergaderbakken te werpen. Na weinige minuten kwam het vaartuig tot stilstand en wees de manometer aan dat wij rezen.

De schroef werkte met verbazende snelheid zodat de Nautilus onder de krachtige bewegingen trilde. Wij gingen noordwaarts. Maar hoelang zou die vaart onder de ijsbank nog duren? Nog een dag? Dan was ik dood.

Half liggend, half zittend op een rustbank in de bibliotheek stikte ik bijna. Mijn gelaat was paars, mijn lippen waren blauw, al mijn krachten verlams. Ik zag nog hoorde iets meer. Ik kon aan geen tijdramte meer denken. Ik weet dus niet hoelang dit duurde, maar ik begreep dat mijn doodstrijd begon.

Ik voelde dat ik ging sterven. Plotsling kwam ik weer bij zinnen. Een zuivere lucht drong in mijn longen. Waren we aan de oppervlakte? Waren we eindelijk onder de ijsbank uit?

Nee, het waren Ned en Koeraad, mijn twee wakkere vrienden, die zich opofferden om mij te redden. In een van de toestellen bleef nog een beetje lucht over. In plaats van dit voorzicht te behouden, hadden zij het voor mij bewaard. En terwijl zij zelf voor beide stikten, goten zij mij het leven in. Ik wilde het toestel van mij afstoten, toch ze hielden bij de handen vast en ik ademde

enige ogenblikken met het grootste genot. Ik keek naar de klok, het was elf uur in de morgen. We moesten dus 28 maart hebben. De Nautilus voer met een duizendingwekkende snelheid van veertig kilometer per uur. Waar was de kapitein?

Was hij bezweken? Waren zijn bakkers dood, even als hij? Op dat ogenblik wees de manometer aan dat wij nog maar ruim zes meter ijs boven ons hadden. Een betrekkelijk dunne ijskost scheide ons dus van de dampkring af. Kon het niet doorbroken worden?

Misschien, in alle gevallen scheen de Nautilus het zullen beproeven. Ik gevoelde inderdaad dat het vaartuig een schuine stand aannam, dat de achtersteven daalde en de spoor zich naar de hoogte hief. Er was slechts enig water nodig geweest om deze verplaatsing van het zwaartepunt teweeg te brengen.

Toen begon de krachtige schroef te werken en werd de Nautilus als een ram tegen het ijsveld gebruikt. Het vaartuig deed de ijsbank spleiden door stoot op stoot. Eindelijk bastte zijn geheel open en de Nautilus sprong met een vreselijke aanval op de ijsbasser die hij door zijn ontzettend gewicht verbrijzelde.

Het luik werd geopend of liever losgerukt en de lucht drong in alle delen van ons vaartuig door. Het einde van hoofdstuk 40

CAPTIONS
Loading...