chevron_left All chapters 20.000 Mijlen onder Zee home Home

menu_book Chapter 44

from 20.000 Mijlen onder Zee by Jules Verne — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 44 van 20.000 Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. 20.000 Meilen onder Zee door Zio Ferne. Hoofdstuk 44. 47 graden 24 minuten noorderbreedte en 17 graden 28 minuten oosterlengte. Door die storm waren wij oostwaarts geworpen, waardoor de hoop op een ontvluchting naar New York of St. Lawrence in rook verdween. De armen net was vanhopig en zonderde zich,

evenals Capitain Nemo, af. Koen en ik verlieten ook al niet meer. Ik heb gezegd dat de Nautilus oostwaarts was gedreven. Het zou nauwkuriger geweest zijn als ik gezegd had noord-oostwaarts. Gedurende enige dagen dwalde ons vaartuig dan op, dan onder de golven, terwijl er op zee een mist hing die voor de scheepvaart zo gevaarlijk is. Deze mist ontstaat door het smelten van het ijs waardoor de dampkring zeervochtig blijft. Hoe

veel schepen zijn er in deze streken niet vergaan terwijl zij de onzekere lichten aan de kust opzochten? Welke rampen werden niet door die dikke misten veroorzaakt? Hoe menig schip stiet op een klip, omdat de bemanning door het gebulden van de wind de branding niet hoorde? Hoeveel schepen stieten niet tegen een okander, hoewel zij de lichten ontstoken hadden en aanhoudend door schilfluiten of klokluiden waarschuwden? De bodem der zee geleek dan ook veel op een slagveld,

waar al de overwonnenen waren gezonken. Sommige schepen reeds oud en met zeeplanten begroeid, andere nog nieuw, zodat de lichttralen van onze lantaarn op het ijzer- en koperwerk weer kaatsten. Hoeveel schepen waren daar niet onder die met man en muis, met een scheepslading landverhuizers waren vergaan omdat zij op die gevaarlijke plaatsen op riffen en banken hadden gestoten? Want zedat verscheidene jaren waren er heel wat slachtoffers, gevoegd bij al hetgeen de

zee reeds had verzwogen. De Koninklijke Meel, de Inman en Montréal-lijnen hadden daartoe tovenboten geleverd. De Solway, de Isis, de Paramata, de Hungarrian, de Canadian, de Anglo-Saxon, de Humboldt, de United States, die alle gestoten hadden. De Arctic, de Lyonnais, die door aanzeiling vergaan. De President, de Pacific, de City of Glasgow, die door onbekende oorzaken verdwenen waren. Dit waren alle sombere wrakken, tussen welke de Nautilus doorvoeg,

alsof zij tussen een rij doden doorging. De 10e mei waren wij tegenover de zuidelijke punt van Newfoundland. De zich daar bevindende zandbank bestaat uit een opeenstapeling van allerlei aanslipsel van de zee, uit de verzameling van de organische bestanddelen, welke of door de golfstromen van de Evenaar of door de koudwaterstroom, die langs de Amerikaanse kust gaat, van de Noordpool worden aangevoerd. Daar stapelden zich ook die grote zwerfblokken

op door de ijsschollen meegeslept. Daar is het grote knekelhaas van vissen, weekdieren of zoafieten, welke er met miljoenen omkomen. Bij die zandbank is de zee niet diep, enige honderden vademen op zijn hoogst. Maar zuidwaarts wordt de diepte plotseling zeer aanzienlijk, namelijk 3000 meter. Daar verbreedt zich de golfstrom. Hij verliest zijn snelheid en temperatuur, hij wordt een zee. Onder de massavissen die wij in dichte drommen voorbij de ramen zagen zwemmen, trokken vooral

de kabeljouwen onze aandacht die zich bij voorkeur op de zandbanken van New Fountainland ophouden. Men kan deze kabeljouw de bergvis noemen, want New Fountainland is niets anders dan een onderzeese berg. Toen de nauteles door de dichte scholen van die dieren heen stoof, kon Koenraad de volgende opmerking niet voor zich houden. Wat? Kabeljouwen? Ik dacht dat ze zo plat waren als bot of tron. Wat zei het geilnozel? Zeg ik. De kabeljouw is plat bij de kruidenier, hij is opengesneden,

platgeslagen en gedroogd als stokviks voor de ramenlicht. Maar in het water zijn ze rond en juist geschikt om te zwemmen. Ik wil het wel geloven, meneer, antwoordde Koenraad. Maar wat een zwerm, het lijkt wel een mierenest. En er zouden er nog veel meer zijn, merkte ik op, zonder hun vijanden, de zeeschorpioenen en de mensen. Weet u wel hoeveel eieren een enkel wijfje bij zich heeft? Ik zal eens goed raden, zei Koenraad. Vijfhonderdduizend. Elf miljoen, mijn vriend.

Elf miljoen? Dat geloof ik niet of ik moet ze zelf tellen. Telt ze maar, Koen, maar je doet beter met mij maar te geloven. Bovendien vangen de Fransen, Engelsen, Hollanders, Amerikanen, Denen, Nooren en anderen ze bij duizenden. Men eet ze in verbazende massa en zonder de wonderbaalijke vruchtbaarheid van die vissen zou de zee wel daar ontvolkt zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld in Engeland alleen vijfduizend schepen met 75.000 zeeleiden voortdurend met deze vangst bezig.

Elk schip brengt er gemiddeld vierduizend mee en dat maakt reeds twintig miljoen. Op de kusten van Noorwegen is het hetzelfde. Goed, antwoordde Koenraad, ik geloof meneer. Ik zal ze niet nartellen. Wat? De elf miljoen eieren. Maar ik wilde toch één opmerking maken. Welke? Dat als alle eieren uitkwamen vier kabeljouwen genoeg waren om Engeland, Amerika en Noorwegen van een voldoende voorraad te voorzien. Toen wij streikelings over de bank van Your Fountain heen liepen,

zag ik duidelijk de lange zetlijnen, ook met tweehonderd haken, welke elk schip met een paar dozein tegelijk uithangt. Elke lijn zat aan de oppervlakte van de zee vast aan een groot stuk kirk. Tenauteles moest behendig tussen dit onderzee zijn net doorvaren, doch hij bleef niet lang in deze streken, want het schip zette de koers voort tot op 42 graden noorderbreedte. Het is op de hoogte van dat de onderzee zijn telegraafkabel aan land komt. In plaats van verder noordwaarts te varen ging

denauteles meer naar het oosten, alsof hij de richting van de telegraafkabel wilde volgen. De zeventiende mei zag ik op ongeveer 500 kilometer van Newfoundland en op een diepte van 2800 meter de kabel op de grond liggen. Koenraad, die ik niet gewaarschuwd had, zag het in eerst voor een rustachtige zeeslang aan en wilde het op zijn gewone wijze in een klasse indelen. Doch, ik hielp hem spoedig uit zijn dwaling en om hem te troosten,

vertelde ik hem verschrijdende bijzonderheden van het leggen van die kabel. De eerste kabel werd in 1857 en 1858 vervaardigd en gelegd. Doch, nadat men ongeveer 400 telegrammen had overgezend, hield hij op te werken. In 1883 vervaardigden de ingenieurs een nieuwe kabel van 3400 kilometer lengte en 4500 ton zwaarte en scheepten die op de Great Eastern in. De 25e mei bevond de Nautilus zich op een diepte van 3836 meter juist op de plaats waar deze draad

gebroken was, waardoor de onderneming in duigen viel. Het was op 638 kilometer van de Ierse kust. Men bemerkte middags de twee uur dat de gemeenschap met Europa afgebroken was. De telegraafisten aan boord besloten de kabel af te hakken voordat men die opviste en om 11 uur s'avonds hadden zij het beschadigde gedeelte weer binnen boord gehezen. Men herstelde de breuk en de kabel werd opnieuw in zee gelaten, maar enige dagen later brak hij

weer en kon uit de diepte van de oceaan niet meer worden opgevist. De Amerikanen verloren de moed niet. De moedige Cyrus Field, de drijver der gehele onderneming die er zijn gehele fortuin aanwaagde, opende een nieuwe inschrijving. Een nieuwe kabel werd met de meeste voorzorgen vervaardigd. De geleidingsdraadten waren van Okander afgezonderd door Guta Percha en het geheel ontwoeld met werk dat weer door een metalen buis werd beschermd. De Great Eastern stak 13 juli 1866

weer in zee. Het werk ging goed, evenwel gebeurde er iets dat noodlottig had kunnen worden. Verscheidene hadden de ingenieurs opgemeekt dat er kort tevoren spijkers in de kabel waren geslagen, om deze van binnen te vernielen of te bederven. Kapitein Anderson hield een vergadering met zijn officieren en ingenieurs en daar werd besloten dat als de schuldige aan boord werd gevad, hij zonder vondens in zee zou geworpen worden. Zener dat ogenblik werd de misdadige poging niet

weergewaagd. De 23 juli was de Great Eastern nog slechts op 800 km van Newfoundland toen men uit Ierland de tijding overseinde van de wapenstilstand tussen Pruysen en Oostenrijk na de slag van Sadoa. De 27e zag men door de Nevel heen de haven van Hearts Content. De onderneming was gelukkig geslaagd en het jonge Amerika zijnde naar het oude Europa, het eerste deze woorden welke zo zelden begrepen worden. Iere zegelt in de hoogste hemelen en

vrede op aarde in de mensen een welbehagen. Lucas. Hoofdstuk 2 vers 14. Ik verwachtte wel dat ik de telegraafkabel niet in zijn oorspronkelijke toestand terug zou zien, zoals hij uit de fabriek gekomen was. De lange slang was bedekt met schelpen en geheel bekleed met een korst van steenachtige kalk, haar beschermend tegen weekdieren die er soms schaadtjes in konden boren. De kabel lag stil, zonder iets te gevoelen van de beweging der zee

en onder een drukking welke gunstig werkt op het overbrengen de elektrische funken van Amerika naar Europa in 32 honderdste van een seconde. De kabel kan oneindig lang duren, want men heeft opgemerkt dat het omkleedsel van Gutapestia beter wordt door het zeewater. Bovendien ligt de kabel op dit zo gelukkige koosje plateau nimmer op zulke diepte dat hij kan breken. De nautulus volgde hem tot op de grootste diepte, 4431 meter, en daar zag ik hem nog liggen zonder dat hij gespannen scheen te

zijn. Daarop nadende wij de plaats waar in 1863 het ongeluk met de tweede kabel had plaatsgehaald. De bodem der zee vormde daar een brede valet van 120 kilometer waarin men de Mont Blanc had kunnen plaatsen zonder dat dan de top nog boven het vlak der zee had uitgestoken. In het oosten wordt deze valet afgesloten door een steile muur van 2000 meter hoog. We kwamen er de 28e mei en de nautulus bewond zich toen op niet meer dan 150 kilometer afstand van Irland. Zou kapitein Nemo

nog verder opwaarts varen om in de nabijheid van Groot-Brittannië te komen? Nee, tot mijn verbazing wende hij de stevende Zuidwaarts en voer weer naar de Europese zeeën. Een ogenblik zag ik Kaap Klier en de vuurtoren der fast netrots die als baken dient voor de duizenden schepen van Glasgow en Liverpool. Een belangrijke vraag deed zich toen voor mij voor. Zou de nautulus zich in het kanaal durven wagen? Lettland die weer voor de dag was gekomen zedert wij het landsbergen genaderd,

deed mij honderden vragen. Wat kon ik hem antwoorden? Kapitein Nemo bleef onzichtbaar. Nadat hij de Amerikaan even de kusten van zijn vaderland had laten zien, wilde hij mij misschien die van Frankrijk even tonen. Ondertussen voerde de nautulus steeds Zuidwaarts. Opdichtigbij hadden wij Lens-End en de Soorling-eilanden in het zicht. Als Nemo het kanaal wilde binnen gaan moest hij oostwaarts varen, toch hij deed het niet.

Gedurende de 31e mei beschreef de nautulus een menig te kringen, welke mij zeer nieuwsgierig maakte. Hij schede plaats op te zoeken die hij slechts met moeite kon vinden. Om 12 uur nam de kapitein zelf zonshoogte, maar zij niet. Hij scheen somberder dan ooit. Wat kon hem zo treurig stemmen? Was het de nabijheid van het Europese strand? Herinnerde hij zich zijn vaderland? Wat gevoelde hij dan, prou of smart?

Lang hield mij deze gedachte bezig en ik had als het ware een voorgevoel dat het toevallig mij binnenkort het geheim van de kapitein zou doen ontdekken. De volgende dag, 31 mei, deed de nautulus nog hetzelfde. Het was duidelijk dat hij een bepaald punt van de oceaan opzocht. Kapitein Nemo kwam zonshoogte nemen, evenals hij de vorige dag gedaan had. De zee was kalm, de hebel helder. Acht kilometer oostwaarts van ons zag ik een groot stoomschip aan de gezichtseinder.

Het toonde geen vlag, zodat ik niet kon zien tot welke natie het behoorde. Kapitein Nemo nam enige minuten voordat de zon door de meridiaan ging zijn seks stand en keek met de grootste oplettenheid. De kromte der zee maakte zijn waarnemingen des te gemakkelijker. De nautulus lag onbeweegelijk en zingende of stootte niet. Ik stond op dat ogenblik op het plat. Toen de waarneming was afgelopen zei de kapitein slechts, hier is het. Hij ging door het luik naar beneden.

Had hij het stoomschip gezien dat langzamer liep en ons scheen te naderen? Ik zou het niet kunnen zeggen. Ik kwam in de salon. De luiken gingen dicht en ik hoorde het water in de vergarebakken stromen. De nautulus begon te zakken. Enige minuten later bleef hij op een diepte van 833 meter op de bodem der zee rusten. Het licht aan de zoldering van de salon ging uit. De ramen werden geopend en door het glas zag ik het zeewater op een halve kilometer in de ronde sterk door onze lantaarn

verlicht. Aan bakboordzijde bespeurde ik niets als het oneindige stille water. Aan stuurbord echter zag ik iets zeer groots in de hoogte steken dat mijn aandacht trok. Men zou gezegd hebben dat het bouwvallen waren, begraven onder een massa witte schelpen, welke deze als een sneeuwkleed overdekten. Toen ik die massa nauwkeuriger bekeek meende ik de vormen van een schip te herkennen, waarvan de masten gedeeltelijk gebroken waren en dat met de voorsteven het eerst moest

gezonken zijn. Dit ongeluk had zeker al zeer lang geleden plaats gehad. Dit vrak, als het waren omkorst door de uit de zee afgescheiden kalk, moest daar al heel wat jaren op de bodem van de oceaan gerust hebben. Welk schip was dit? Waarom bezocht de nauteles dat graf? Was het dan geen schipbreuk waardoor dit schip te gronden was gegaan? Ik weet niet wat ik ervan denken moest toen ik vlak naast mijn kapitein met langzamer stem het volgende hoorde zeggen. Vroeger heette

dat schip de Marseillais. Het had 74 stukken en liep in 1762 van stapel. In 1778 street het op 13 augustus onder kapitein Le Poivre Ventrieux dapper tegen de presten. Op 4 juli 1779 woonde het met het escadre van admiral d'Esteing de inneming bij Van Granada. In 1781 nam het op 5 september deel aan het gevecht door Graaf de Gas in de Chesapeake Bay geleverd. In 1794 veranderde de regering der Franse Republiek de naam van het schip. De 16 april van hetzelfde jaar voegde het

zich te best bij het escadre van Villarai Joieuse die in last had een konvoi met graan te begeleiden dat onder de admiral van stapel uit Amerika kwam. Op 11 en 12 prerol van het tweede jaar ontmoette het escadre de Engelse schepen. Het is hele de 13e prerial. 1 juni 1868 meneer, het is vandaag juist 74 jaar geleden dat op dezezelfde plaats op 47 graden 24 minuten noorderbreedte en 17 graden 28 minuten oosterlengte dit schip na een heldhaftige strijd zijn drie masten verloor dat het water in

het ruim binnendrong, dat een derde van de bemanning buitengevecht gesteld was, toch dat het liever met zijn 258 zelieden wilde zinken dan zich overgeven. De vlag werd op de achtersteven vastgespeikerd en het slagschip verdween onder de golven met de kreet Leve de Republiek. De Van Geur, riep ik. Juist meneer De Van Geur, een schone naam, mopperde kapitein Nemo terwijl hij de armen over Rokander kruisten. Het einde van hoofdstuk 44

CAPTIONS
Loading...