Chapter 45
Hoofdstuk 45 van Twintigduizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintigduizend Meilen onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 45, een zoenoffer. Deze wijze van spreken. Het onverwachte van dit toneel. Het kran verhaal van het schip, dat met zijn vaderlands liefende bemanning gezonken was. De ontroering, waarmee de zonderlinge man
de laatste woorden had uitgesproken. De naam van de vangeur, welks betekenis mij niet kon ontstappen. Alles verredigde zich om mij te treffen. Ik had de ogen van de kapitein niet afgewend. Hij had de handen voor zich uitgestrekt en beschouwde met een vuurig oog het beroemde vrak. Misschien zou ik nimmer te weten komen wie hij was, waar hij vandaan kwam en waar hij heen ging, maar ik zag meer en meer de mens zich uit de geleerde ontwikkelen. Het was geen gewone mensenhaat
die de kapitein en zijn makkers in de nautulus hield opgesloten, maar een monsterachtige of verheven haat die de tijd niet kon verzwakken. Zog deze haat zich te vreken? Dit zou de toekomst mij wel draa op helderen. De nautulus steeg ondertussen weer langzaam naar de oppervlakte en ik zag de onduidelijke vormen van de vangreur verdwijnen. Wel draa bemerkte ik door een geringe schommeling dat wij aan de oppervlakte waren. Op dit ogenblik hoorde ik een doffe knal. Ik keek
de kapitein aan. Deze bewoog zich niet. Kapitein? vroeg ik. Hij antwoordde niet. Ik verliet hem en ging naar het plat waar Koen en de Amerikaan reeds waren. Waar komt die knal vandaan? vroeg ik. Ik keek in de richting van het schip dat ik reeds had opgemerkt. Het was naarbij de nautulus gekomen en ik kon zien dat het hard aanstroomde. Het was nog maar zes kilometer van ons af. Een kanonschot, antwoordde Nedlent. Als ik het tuig en de kleine masten bezie, zei de Amerikaan, dan zou ik wedden
dat het een oorlogsschip is. Ik wou dat het bij ons toe kwam en deze vervloekte nautulus als het nodig was in de grondboorden. Vriend Ned, zei Koenraad, wat kan het de nautulus voor kwaad doen? Zal het schip ons onder water aanvallen? Zal het ons onder in de zee beschieten? Zeg eens Ned, vroeg ik, kun jij zien aan welke natie dit schip behoort? De Amerikaan trok de wenkbrauwers samen, kneep de oogleden op okander en de ogen half dicht en keek enige ogenblikken zo scherp als
hij kon naar het schip. Nee meneer, antwoordde hij, ik kan het niet zien. Het heeft geen vlag in top, maar ik kan u verzekeren dat het een oorlogsschip is, want een lange wimpel weid van de grote mast. Gedurende een kwartier bekeken we het vaartuig dat naar ons toe kwam. Je kon evenwel niet geloven dat het op die afstand de nautulus had herkend, nog veel minder dus dat het wist wat dit voor een onderzeeswerktaag was. Wel draa vertelde de Amerikaan mij dat het een grote gepanzerde met een
spoorgewapende tweedecker was. Een dikke rookwok steeg uit de beide schoorstenen op, de gereefde zeilen zaten op de raas vastgebonden, het vertoonde geen vlag. De afstand verhinderde ons de kleur van de wimpel te onderscheiden die als een dun lientje in de lucht wapperde. Het naderde met grote snelheid. Als kapitein Nemo het schip liet naderen, woont zich een kans tot redding aan. Meneer, zei netlent, als dit schip ons op één kilometer afstand voorbij komt spring ik in zee
en nodig u uit hetzelfde te doen. Ik antwoordde niets op het voorstel van de Amerikaan en ik ging voort met het schip te bekijken dat zichtbaar groter werd. Of het een Engelsman, Fransman, Amerikaan of Rus was, het is zeker dat het ons goed zou opnemen als wij het konden bereiken. Meneer zal zich wel willen herinneren, zei Coen Rathoen, dat wij nogal iets van zwemmen kennen. Hij kan zich op mij verlaten om hem naar dit schip te sturen als hij het goed vindt om vriend net
te volgen. Ik wilde antwoorden toen een lichte witte rookwok uit een van de zijde van het schip tevoorschijn kwam. Nog enige seconden later spoot het water door toedoen van een zwaarvallend voorwerp over de achterplecht van de nauteles en nog iets later trof een knal mijn oor. Wat, schieten ze op ons? riep ik. Bravenlui, mompelde de Amerikaan. Zij ziet ons dus niet voor schipbreukelingen aan op een vlot. Als meneer het niet kwalijk neemt, mooi riep net,
terwijl hij het water van zich afschudde waarmee een nieuwe kogel hem bespad had. Als meneer het niet kwalijk neemt, hebben ze de eenhoorn herkend en ze schieten op hem. Maar ze kunnen toch zien dat zij met mensen te doen hebben, antwoorde ik. Het is misschien juist daarom, he nam net lent, terwijl hij mij aankik. Het werd in mijn geest plotseling helder. Zonder twijfel wist men nu waaraan men zich met het bestaan van het zogenaamde monster houden moest.
Zonder twijfel had kapitein Ferregut van de Abraham Lincoln, toen hij er zo dichtbij was, en de Amerikaan er met de harpoon naar wierp, gezien dat de eenhoorn een onderzeeschip was, dat veel gevaarlijker kon zijn dan een bovennatuurlijk zeemonster. Ja, zo moest het zijn, en overal vervolgde men nu zonder twijfel dit verschrikkelijke verdieningswerktuig. Het was inderdaad verschrikkelijk als kapitein Nemo, zoals men wel voor onderstellen kon,
de nautilus gebruikte als een werktuig tot wraakoefening. Had hij ook in die nacht, toen hij ons in de Indische Oceanen in onze hut opsloot, geen schip aangevallen? Was die op het koradele kerkhof begraven man geen slachtoffer geweest, van een schok door de nautilus teweeggebracht? Ja, ik herhaal het, zo moest het zijn. Een deel van het geheimzinnige leven van kapitein Nemo werd daardoor ontsluicht. En indien men al niet kon ontdekken wie hij was, dan vervolgde de tegen
hem verbonden natieën niet meer een denkbeeldig wezen, maar een man die hun een onverzoelijke haat had gezworen. Het gehele vreselijke verleden kwam er weer voor de geest. In plaats van vrienden op het naderend schip te ontmoeten, konden wij er alleen vijanden zonder genade op aantreffen. Ondertussen regende het kogels rondom ons. Enige troffen slechts even de oppervlakte der zee en sprongen dan op ontzettende afstand weg, maar geen enkele trof de nautilus. Het gepanzelde vaartuig was
nog maar drie kilometer van ons af. Niet tegenstaande het hevige kanonvuur, verscheen de kapitein niet op het plat en als toch een van die kegelvormige kogels de nautilus vlak op een der platen getroffen had, zou dit noodlottig hebben kunnen worden. Toen zei de Amerikaan, meneer we moeten alles beproeven om uit die ellendige toestand te geraken, laten we zijnen geven. Duizend duivels, men zal misschien dan toch begrijpen dat we eerlijke lieder zijn. De ellend nam zijn zakdoek om ermee in de lucht te
zwaaien, doch nauwelijks had hij die ontplooit of een ijzeren hand wierp hem, niet tegenstaande netst verbazende sterkte tegen de grond. En lendeling, riep de kapitein, wil je dan dat ik je op de spoor van de nautilus vastspijk ervoor dat ik dat schip aangrijp? Kapitein Nemel was vreselijk om aan te horen, nog verschrikkelijker om aan te zien. Zijn gelaats was doodsbleek van woede, zijn ogen waren verschrikkelijk samengetrokken. Hij sprak niet meer, hij brulde. Hij stond daar
voorover gebukt en drukte de Amerikaan bijna in okander. Eindelijk liet hij hem los. En zich naar het oorlogsschip wendend, waarvan de kogels hem om hem heen regenden, riep hij met krachtige stem. O, je weet wie ik ben, vervloekt schip, ik heb je vlag niet te zien om te herkennen. Zie, ik zal je de mijnen tonen. En kapitein Nemel ontroolde volop het plat een zwarte vlag, gelijk aan die welke hij aan de Zuidpool geplant had. Op dit ogenblik raakte een kogel in bekleedsel
van de nautilus, echter zonder het te beschadigen en sprong dicht bij de kapitein terug in zee. Deze trok de schouders op en zei toen, kortaf tegen mij, ga naar beneden met uw makkers. Meneer, liep ik, wilt jij dit schip aanvallen? Ik ga het in de grond boren, meneer. Dat zult jij niet. Ik zal het wel doen, antwoordde de kapitein Koortjes. Krijg het dit in uw hoofd om mij te beoordelen, meneer? Het noodlot toont u iets wat jij niet moest zien. De aanval is begonnen,
de verdediging zal verschrikkelijk zijn. Ga naar binnen. Welk schip is het? Weet jij dat niet? Testen beter, dan zal ten minste de herkomst ervan een geheim voor u blijven. Ga naar beneden. We konden niets anders doen dan gehoorzamen. Een vijftiental matrozen van de nautilus omringde de kapitein en beschouwde het naderend vaartuig met een onverzoenlijk gevoel van haat. Men begreep dat het dezelfde dorst naar wraak hen allen bezielde. Ik ging naar beneden op
het ogenblik dat een nieuwe kogel weer op de nautilus afsprong en hoorde de kapitein roepen schiet, dwaas vaartuig, verspeel nutteloos je kogels. Je zult aan de spoor van de nautilus niet ontsnappen. Maar hier moet je niet tegronden gaan. Ik wil niet dat je wraak op dezelfde plaats ligt als dat van de roemrijke Van Geur. Ik ging weer naar mijn kamer. De kapitein en de stuurman waren op het plat gebleven. De schroef werd in beweging gebracht en de nautilus verwijderde
zich met grote snelheid om buiten het bereik der kogels te komen. Door de vervolging duurde voort en kapitein Nemo vergenoegde zich toen met het afstand in het oog te houden. Tegen vier uur des nabendags kon ik het ongeduld en de onrust die mij kwelden niet meer bedwingen en ik ging naar de middeltrap. Het luik stond open. Ik waagde mij op het plat. De kapitein liep er in ontroering heen en weer. Ik keek naar het schip dat op vijf of zes kilometer onder de wind van ons
afbleef. Hij draaide er als een wilddier omheen en het oostwaarts achter zich aanlokkend liet hij zich vervolgen. Evenwel viel hij niet aan. Misschien aarzolde hij nog. Ik wilde een laatste poging aanwenden maar nauwelijks had ik de mond open gedaan of hij legde mij het zwijgen op door te zeggen ik ben de rechtvaardigheid. Ik ben het recht. Ik ben de verdukte. Daar is de onderdrukker. Daardoor is al wat ik heb liefgehad, bemind en geëerd vernietigd. Vaderland, vrouw, kinderen,
vader en moeder. Al wat ik haat is daar voor mij. Zwijg dus. Ik weerp mijn laatste blik op het schip dat de snelheid vermeerderde. Daarna ging ik weer naar Koenraad en het land. We zullen vluchten, zei ik. Goed, antwoordde net. Maar wat is het voor een schip? Ik weet het niet maar waar het ook vandaan zei. Voormiddernacht is het in de grond gebocht. In alle gevallen is het beter met dit schip te zinken dan deelgenoten zijn van een wraak waarvan wij de billigheid niet kunnen beoordelen.
Zo denk ik er ook over, antwoordde net. Lend bedaard. We moeten de nacht afwachten. De nacht kwam. Er heerste dodelijke stilte aan bocht. Het kompas deed ons zien dat de nautilus niet van richting veranderd was. Ik hoorde het geraas van de schroef die zich met grote regelmatigheid bewoog. Het vaartdag bleef op de oppervlakte en een lichte dijning deed het heen en weer schommelen. Mijn makkers en ik hadden besloten om te vluchten op het ogenblik dat het
schip dicht genoeg bij was. Het zij om ons te horen, het zij om ons te zien, want de maan die over drie dagen vol moest zijn stond helder aan de hemel. Als we maar eerst aan boord van het schip waren, zouden wij, als wij de slag, waar het mede bedreigd werd, niet konden afwennen, alles doen wat in ons vermogen stond en de omstandigheden ons zouden veroorloven. Verscheiden en malen meende ik dat de nautilus zich gereed maakte tot de aanval, maar hij vergenoegde zich met zijn vijand te laten
naderen en dan zette hij, na weinige ogenblikken, zijn vlucht voort. Een gedeelte van de nacht ging voorbij zonder dat er iets voorviel. Wij loeiden op een gelegenheid om ons plan te volbrengen. We spraken weinig, want we waren te ontroerd. De dente had wel in zee willen springen. Ik dwong hem te wachten. Volgens mijn gevoel zou de nautilus de tweedekker op de oppervlakte aanvallen en dan waren het niet alleen mogelijk, maar zelfs gemakkelijk om te vluchten. Om drie uur morgens ging ik vol
ongerustheid naar het plat. Kapitein Nemo had het niet verlaten. Hij stond overeind, voorop bij zijn vlag, welke in een zacht koeltje boven zijn hoofd deed wapperen. Hij verloor het schip niet uit het oog. Zijn buitengewoon scherpe blik scheen het aan te trekken, te begogelen en zekerder met zich mee te slepen dan dat hij het op sleeptauw had. De maan was toen op zijn grootste hoogte. Jupiter kwam in het oosten op. Ten midden van die stille natuur werd ijverden lucht en zee in koomte en de nachtworstin
liet haar stralen schitteren in de schoonste spiegel waarin haar stralen ooit weer kaatst hadden. En als ik dacht aan deze koomte der elementen en deze vergeleek met al de hartstacht en de geramtschap die in de onbegrijpelijke nautilus waren opgesloten, dan voelde ik een rilling door mijn leden gaan. Het schip bleef op twee kilometer afstand. Het was daarbij gekomen, altijd vooruitstomende in de richting van die lichtglans die de tegenwoordigheid van de nautilus aanduidde. Ik zag het groene en
rode seinlichter stoomboot en de heldenwitte lantaarn die aan de fokkenmast hing. Het tuig werd door de maanenschein slechts flauw in zee teruggekaatst en ik kon zien dat het de vuren vreselijk opstalkte. Een menig te vonken stukjes brandende kolen vloogen uit het schoorstenen als sterren door de lucht. Ik bleef tot zes uur morgens op het plat zonder dat de kapitein mij schijn gezien te hebben. Het schip hield op anderhalf kilometer achter ons en met het krikken van de dag
opende het opnieuw zijn kanonvuur. Het ogenblik kon niet ver meer af zijn dat de nautilus zijn vijand zou aanvallen en mijn makkers en ik de man die ik niet durfde beoordelen voor altijd zouden verlaten. Ik wilde naar beneden gaan om hen te waarschuwen toen de stuurman op het plat kwam. Verschrijdend matrozen kwamen mee. Kapitein Nemo zag hen niet of wilde ze niet zien. Er werden enige toebereidselen voor het gevecht gemaakt. Deze waren zeer eenvoudig. De leuding om het plat werd
neergeslagen. Evenals werden de lantaarn en het uitstek van de stuurstoel naar binnen geschooven, zodat zij niet boven het buitenkleedsel van de nautilus uitstaken. Op de oppervlakte van de lange ijzeren cilinder stak niets meer uit wat in de beweging kon hinderen. Ik ging weer naar de salon. De nautilus dreef altijd boven. Het zeewater werd door de morgensschemering reeds enigszins van licht. Bij de dijding der golven werden de ramen van de salon van tijd op tijd
roodgekleurd door de stralen der opkomende zon. De vreselijke dag van 2 juni brak aan. Om vijf uur wees de loch dat de nautilus zijn stilheid verminderde. Ik begreep dat hij het stoomschip liet naderen. Daarin boven konden wij de kanonschoten duidelijker horen. De kogels vielen in het water en drongen daar met zonneling gesis in door. Vrienden, zei ik. Het ogenblik is gekomen. Een handdruk en God helpe ons.
Netlent was vastberaden. Koen raad kalm. Ik zenuwachtig. Ik kon mij ternauwen nood inhouden. We gingen in de bibliotheek. Op het ogenblik dat ik de deur opende die naar de middeltrap geleide, hoorde ik het luik plotseling toeslaan. De Amerikaan vloog de trap op, doch ik wilde hem tegen. Een welbekend gesis deed ons horen dat het water in de vergarebakken werd gepompt. Inderdaad, weinig ogenblikken daarna was de nautilus enige meters onder het vlak der zee gezonken. Ik
begreep die beweging. Het was te laat om te handelen. De nautilus dacht er niet aan om de tweedekker in zijn ondoordringbare panser te treffen, maar wel onder de waterlijn, waar de metalen huid het houtwerk niet meer beschermde. We waren opnieuw opgesloten en gedwongen getuigen van het treurspel dat zou aanvangen. Bovendien hadden wij nauwelijks tijd om na te denken. In mijn kamer gevlucht keken we ook
ander aan zonder een woord te spreken. Mijn geest was geheel verstomd. Ik kon niet meer denken. Ik was in de vreselijke toestand die een ontzettende uitbasting voorafgaat. Ik hoorde. Ik luisterde. Ik was geheel en al gehoor. Evenwel nam de snelheid van de nautilus sterk toe. Hij nam op die wijze zijn aanloop. Het gehele vaartuig trilde. Plotseling gaf ik een schreeuw. Een betrekkelijk geringe schok had plaats. Ik voelde de doordringende kracht van de spoor. Ik hoorde gekraak en geknars, maar de nautilus,
door grote kracht voortgestuwd, ging door het schip heen als een mes door een stuk deeg. Ik kon het niet langer uitstaan. Ontsteld en geheel ondaan vloog ik mijn kamer uit en de salon binnen. Daar was kapitein Nemo. Zwijgend. Sombig. Onverzoenlijk zag hij door het raam aan bakboord zijde. Een grote massa zonk in het water en om niets van de doodstrijd te verliezen daalde de nautilus met het schip naar de diepte. Op tien meter afstands zag ik de doorboorde kiel waar het water met donderend
geweld binnendrong. Daarna de beide rijen geschutsbochten en de verschansingen. Het dek was vol zwarte gedaanten die in doodsangst heen en weer liepen. Het water rees, de ongelukkigen vloogen in het wand, grepen zich aan de masten vast, vroegen nog onder water de handen. Het was een menselijk mierenest dat plotseling door de zee werd verzwogen. Verstijft van schrik, stom van angst, rezen mij de haren te bergen. Ik had de ogen wijd open gespaukt, haalde ternavonoot adem. Ik kon
geen geluid geven en keek toe. Een onweerstaanbare aantrekingskracht dwong mij voor het raam te blijven staan. Het kolossale schip zonk langzaam. De nautilus volgde het en bespiede al zijn bewegingen. Plotseling had er een ontploffing plaats. De samengeperste lucht deed het dek openbasten alsof de kruitkamer vuur had gevad. Het water werd zo teruggeslagen dat de nautilus erdoor opzijde werd geduwd. Toen zonk het ongelukkige schip sneller. De masten daalden, vol slachtoffers onder water. Daarna
de raas die boogen onder de menigde scheepelingen en eindelijk de top van de grote mast. Toen verdween de sombere massa en daarmee al de lijken die in een ontzettend sok werden meegesleept. Ik keerde mij naar de kapitein. De vreselijke richter, wezenlijk aartsengel van de haat, staarde nog altijd naar zijn slachtoffers. Toen alles gedaan was ging kapitein Nemo naar zijn kamer en tat hij binnen. Ik volgde hem met de ogen. Op de wand recht voor mij uit zag ik onder
de portretten zijn er helden, de afbeeltjes van een nog jonge vrouw en twee kleine kinderen. Kapitein Nemo zag zijn enige ogenblikken aan, stak toen de armen ernaar uit en barste in snikken uit, terwijl hij op zijn knieën viel.