Chapter 5
De reis van de Ebram Lincoln werd gedurende enige tijd door niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Netherlands een proefje van zijn bewonderenswaardige handigheid toonde en dat beweest welk vertrouwen men in hem stelde kom. Het is een verhaal dat de reis van de Ebram Lincoln niet meer bewaard is. Het is een verhaal dat de reis van de Ebram Lincoln niet meer bewaard is.
Het is een verhaal dat de reis van de Ebram Lincoln niet meer bewaard is. Het is een verhaal dat de reis van de Ebram Lincoln niet meer bewaard is. De kapitein wilde zich echter liever niet in deze bochtige doorvaart wagen en veleer Kaaphoorn om zeilen. De equipage gaf hem een parig gelijk en inderdaad was het wel waarschijnlijk dat wij de Eenoorn in die nauwe straat ontmoeten. Verscheidene matrozen verzekerde dat de dier er niet door kon omdat het er te dik voor was.
Op de 6e juli zeilde de Ebram Lincoln op 15 kilometer om de zuid van het eenzame Rots eilandje dat zo verloren tegenover het uiteinde van het Amerikaanse vasteland ligt en waar aan de Hollandse zeevader Schouten de naam van zijn vaderstad Horengaf. De stevig werd naar het noordoosten gewend en de volgende dag kniefde het frigat eindelijk de golven van de stille Zuidzee. Nu de kijkgaten open zeilde de matrozen van de Ebram Lincoln en zij spauwten de ogen wijd open. Begin de ogen en kijkers geen ogenblik rust omdat Elk begerigd was naar de uitgelovende prijs van 2000 dollar voor hem die het monster het eerste zag.
Nacht en dag liet men het oog over het vlak der zeeweiden en zij die beter bij nacht dan bij dag konden zien deden al hun best om de prijs te verdienen waardoor de kans om het monster te ontdekken 50% groter werd. Hoewel geen geldelijke beloning mee aanzette was ik toch niet tenminste op lettende aan boord. Ik besteedde me enkele minuten aan mijn middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillend voor regen of wind en van het dek niet af te slaan.
Dan ging ik eens voor, dan achter op het dek over de verschansing en stade met begerige blikken op het schuimende kielwater dat zover het ook reikte achter het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering van de officieren en van de equipage als het dartelen walvis soms zijn zwarte rug uit de golven omhoog stak. In een oogwenk was dan het dek vol. Officierende matrozen stoomden door de luiken naar boven. Elk staarde met heigende borsten en vorstend oog naar de gang van het dier. Ik keek zelf alsof ik er met netverlies bij wilde verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaagd en kalm tot mijn zijde.
Als meneer zo goed wilde zijn om zijn ogen minder wide open te spoken, dan zou meneer Vrijwald beter kunnen zien. Maar eidene hoop. De ebrem Lincoln veranderde van koes, stoomde op het aangewezen dier los en als men het naderde, bleek het slechts een gewone walvis of gemene potvis te zijn die Wildraa onder tal van verwensingen verdween. Het weer bleef echt goed en de reis werd onder de gunstigste omstandigheden voortgezet.
Het slechte jagen tijden was anders in die streken ingevallen want de maand juli komt daar met onze maand januari overeen. Maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grote afstand overzin. Net Lent toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof. Hij hield zichzelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht had, tenminste als er geen walvis in het gezicht was. En toch zou zijn scherp oog grote dienst hebben kunnen bewijzen.
Maar gedurende acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijn hut waar hij las of sliep. Honderd maal verweed ik hem zijn onverschilligheid. Ach kom, antwoordde hij, er is niet mijn dal, meneer Arona, en al was er eens een beest, welke kans hebben we dan nog om het te zien? Dwaal we niet op avontuur rond. Mijn heefd zegt men dat ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien.
Ik wil het eens aannemen. Maar er zijn reeds twee maanden voorbij gegaan zee dat dit gebeurd is. En als ik let op de aard van uw eenhoeren dan houdt hij er niet van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer gemakkelijk. Wel nu, gij weet het beter dan ik, meneer de professor.
De natuur doet niets in verkeerde zin en zij zou aan geen dier dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen als het beest dit niet nodig had. Als de halve duur dier bestaat is het reeds ver weg. Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar. Wij zochten in de blinde ronds. Maar hoe kon het anders?
Onze kansen waren dus zeer gering. Echter twijfelde niemand nog aan de goede uitslag en elke matroos aan boord zou een wens hebben willen aangaan dat de eenhoeren bestond en wel draa zou opdagen. De 20 juli passeerde wij op 105 graden westen lengte de Steenbokskerkring en de 27e van dezelfde maand de Evenaar op 110 graden westen lengte. Toen hiervan hoogte was genomen richtte het frigat zijn koers meer naar het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van de grote oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste gedeelte van de oceaan te bevaren en zich van het vaste land of de eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te vermijden.
Zonder twijfel omdat hij daar geen water genoeg heeft, zei de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben, stoomde het frigat in de verte langs de Pomoto eilanden, de Marquise en de Sandwich eilanden. Passeerde de Kreftskerkring op 132 graden westen lengte en zette koers naar de Chinese Zee. Eindelijk waren wij dan in die streken waar het bolster zich het laatst vertoond had. Om de waarheid te zeggen, men had aan boord maar een halfleven.
Elk hart klopte vreselijk. En menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg een ongeneselijke kwaal op de hals. De gehele equipage verkeerde in zulke zenuwachtige spanning, dat men er zich ter nauwe nood een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, mens liep bijna niet. Twintig keer daags veroorzaakte een vergissing of een zinsbedrog van een de matrozen in de raas ene ondraaglijke teleurstelling.
En die zodikkels herhaalde aandoeningen, hielden ons voortdurend in een staat van al te grote opgewondenheid, dan dat er niet spoedig een reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende drie maanden, waarvan elke dag een eeuw duurde, kniefde de Abraham Lincoln de golven van het noordelijk deel der stille Zuidzee.
Het frigat vervolgde walvissen, maakte eesklaps allerlei omwegen, ging soms plotseling overstag of keerde op zijn koers terug, spannde alle stroomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen en liet geen enkel punt van de zee, tussen Japan en Amerika, onbezocht. En niets, niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee,
niets dat geleek op een reuztachtige eenhoorn of op een onderzeezerots, of op een vrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het ook zij. Er was dus reactie. Moedeloosheid maakte zich van elk een meester en opende ruimbaan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich van het scheepsvolkmeester,
dat voor drietiende uit schaamte en voor zeventiende uit woede bestond. Men was dom genoeg om zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak erover in toren. Plotseling stortten alle bewijzen in okkander, welke mens zeer dat-ie jaren had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om in te halen,
want men door opoffering van tijd aan eten en slaap was tekortgekomen. Met de natuurlijke wispeltuurigheid van de menselijke geest, werd men zich van het ene oudste op het andere. De warmste voorstanders van de onderneming, werden noodlottigerwijs haar hevigste tegenstanders.
De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage, en drong eindelijk zelfs bij de officieren door. Zonder een bijzondere stijfhoofdigheid van de kapitein, zou het frigat zeker de stevend weer naar het zuiden hebben gewend. Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet.
De Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daaraan alles gedaan was om te slagen. Geen equipage van enig Amerikaanse schip, toonde ooit zoveel geduld en zoveel ijver. Het beslukken kon haar niet geweten worden.
Men kon niets anders doen dan terugkeren. Er werd een verzoek in die zin aan de kapitein gericht. Hij hield zich evenwel goed. De matrozen ontfeinsten hun ontevredenheid niet, en de dienst leed eronder.
Ik zal niet zeggen dat er een opstand aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen uitstel. Indien in die tijd het monster niet verschenen was, zou de Abraham Lincoln naar de Atlantische Oceaan terugkeren.
Deze belofte werd op de 2e november gedaan. Ze had tenminste ten gevolge dat de moed van het scheepsvokker er weinig door werd opgebeurd. Men bekeek de Oceaan weer met een vernieuwde oplettenheid. Elke een wilde er nog een laatste blik op slaan.
De kijkers werden weer met kortzige bedrijvigheid aan het oog gebracht. Het was een laatste uitdaging aan de reus, en deze kon redelijke wijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te verschijnen. Twee dagen gingen voorbij.
De Abraham Lincoln bleef onder halve stom. Men gebruikte duizendenlijn middelen om de opmerksamheid van het dier op te wekken of zijn lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het geval het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreselijke stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen,
tot grote vreugde van de haaien. Sloepen swierven in elke richting rondom het frigat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt der zee onderzocht. Maar de avond van de 4e november kwam, zonder dat men iets gevonden had. De volgende dag, om 12 uur des minnachts, was de bepaalde tijd om.
Na dit ogenblik moest de kapitein, als hij trouw bleef aan zijn beloften, naar het zuidoosten stomen en de noordelijke streken van de Grote Oceaan verlaten. Het frigat bevond zich toen op 31 graden 15 minuten noorderbreedte en 136 graden 42 minuten westerlengte. De Japanse kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd.
De duisternis viel. Het was acht uur. Grote wolken dreven voorbij de schijfter maan, welke toen in haar eerste kwartier was. De zee kabbelde kalm tegen de voorsteven van het frigat. Op dat ogenblik leunde ik op de verschansing aan stuurboordzijde.
Koudraad stond naast mij en keek voor zich. De equipage zat in het wand en beschouwde de horizon, die door het vallen van de nacht hoe langer hoe kleiner werd. De officieren keken met hun nachtkijkers in de toenemende duisternis. Soms schitterde de sombre oceaan door een straalder maan,
welke tussen twee wolken doorscheen, en dan verdween weer alle licht in de duisternis van de nacht. Toen ik Koudraad aankreek, merkte ik dat die brave jongen enigermate onder de algemene invloed stond. Tenminste, ik meende het.
Misschien trilde zijn zenuwen voor het eerst door een gevoel van nieuwsgierigheid. Kom aan, Koen, zei ik. Nu heb je voor het laatste gelegenheid om 2.000 dollar in uw zak te steken. Meneer zal mij vergunnen hem te zeggen, antwoordde Koenraad, dat ik nooit op die beloning gerekend heb.
De regering der Unie kon evengoed 100.000 dollar beloofd hebben. Ze zou er geen duit-armadoor zijn geworden. Je hebt gelijk, Koen, het is een dwaze onderneming, waarin wij ons te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, wat een nutteloze inspanning.
Sinds zes maanden zouden we reeds naar Frankrijk zijn teruggekeerd. In meneers kleine kamer, antwoordde Koenraad, in meneers museum. En ik zou al de fossielen van manier reeds hebben gerangschikt. En de herteever, papirussa, zou in de plantentuin reeds in zijn hok zitten en al de nieuwsgierigen tot zich trekken.
Het is zoals gezegd, Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk zal uitlachen. Zeker, antwoordde Koenraad bedacht. Ik denk wel dat men meneer zou uitlachen. En mag ik het zeggen? Wel zeker, Koen.
Wel nu? Dan heeft meneer slechts wat hij verdient. Waardelijk? Wanneer men zo geleerd is als meneer, dan stelt men zich niet bloot aan. Maar Koenraad kon zijn zin niet volleinden. Ten midden van de algemene stilte liet zich een stem horen.
Het was de stem van Ned Lent die schreeuwde... O he, daar is het ding, onder de wind, dwars voor ons! Het einde van hoofdstuk 5.