Chapter 7
Hoofdstuk 7 van Twintig Duizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen onder Zee door Sjoer Verne. Hoofdstuk 7.
Een vreemd soortige walvis. Hoewel ik door die onverwachte val geheel uit het veld was geslagen, wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zong ik ongeveer twintig meter diep in zee, toch, daar ik goed zwemmen kan, zonder erom nog zo'n held erin te zijn als bijvoorbeeld Byron die de straat van Constantinople overzwom,
verloor ik de kop niet en door een paar fermeslagen kwam ik weer poven. Mijn eerste week was om eens naar het frigat rond te zien. Had de equipage mijn verdwijning opgemeekt? Had de Ebram Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een sloep in zee gezet?
Kon ik hoop op redding koesteren? Het was verschrikkelijk donker. Ik zag nog even een zwarte massa, welke zich naar het oosten verwijderde en welke lichten langzamerhand verdwenen. Het was het frigat.
Ik voelde dat ik verloren was. Help! Help! Riep ik, terwijl ik wanhopige pogingen aanwende om naar de Ebram Lincoln te zwemmen. Mijn kleren hinderden mij.
Het water plakte zich vast aan mijn lichaam. Mijn bewegingen werden er door verlamd. Ik zonk. Ik stikte. Help!
Help! Het was mijn laatste kreet. Mijn mond kwam vol water. Ik worstelde en zonk naar de afgrond. Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleren gegrepen.
Ik voelde mij naar de oppervlakte slepen en ik hoorde, ja, waarachtig, ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen. Als meneer zo goed wil zijn om op mijn schouders te leunen, zal hij veel gemakkelijker zwemmen. Ik greep de arm van mijn trouwe Coenraad. Hoeh, bent jij het?
vroeg ik. Ikzelf meneer, antwoordde Coen, tot meneers dienst. Heeft die schokke u tegelijk met mij in zee geworpen? Nee meneer, maar daardoor ik in meneers dienst ben, ben ik meneer gevolgd. De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.
En het frigat? vroeg ik. Het frigat, antwoordde Coenraad, terwijl hij zich op de rug draaide. Ik geloof dat meneer er maar niet meer op rekenen moet. Wat zegt gij?
Ik zeg dat op het ogenblik dat ik in zeesprong ik de stuurlui hoorde zeggen, de schroef en het roer zijn stuk. Stuk? Ja, door de tand van het monster verbrijzelt. Het is geloof ik de enige averij welke het schip gekregen heeft, maar het is ongelukkig
voor ons omdat er geen stuur meer in zit. Dan zijn we verloren. Misschien, antwoordde Coenraad bedaard, maar we hebben toch nog enige uren voor ons en in enige uren kan er heel wat gebeuren. De onvrikbare kroomte van Coenraad beurde mij wat op.
Ik zwom met meer kracht, maar daardoor mijn kleren zo zwaar als lood waren geworden, kon ik mij bijna niet boven houden. Coenraad merkte het. Als meneer mij veroordeelt ze los te stijden, zei hij, en hij sneed met zijn mes mijn kleren over hun gehele lengte open.
Daarop trok hij ze maar handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op mijn beurt bewees ik hem dezelfde dienst en wij zwommen daarna weer naast Okandervoort. Onze toestand was echter met dat al vreselijk. Misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al was dit het geval, dan kon het frigat toch tegen de wind in niet naar ons toekomen, daardoor het van zijn roer beroofd was.
Wij konden dus slechts op de sloepen rekenen. Coenraad ridde neer de kalmvoort en maakte dien overeenkomstig zijn plan. Zonderling karakter, die vlechtbatieke jongen praatte alsof hij thuis was. Daar onze enige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen om ons zo lang mogelijk boven water te houden,
ten einde ze af te wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdelen, ten einde ze niet gelijktijdig uit te putten. En zie hier wat wij besloten. Terwijl een van ons beiden onbeweegelijk met over Okander gekruiste armen en gestrekte benen op de rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem voorwaarts doen.
Wij zouden elk niet meer dan tien minuten die rol van slepen vervullen en als we Okander al dus aflosten, zouden we nog urenlang, misschien wel tot de morgen toe, kunnen bovenblijven. Het was een geringe kans, maar de hoop is in het menselijk hart zo diep ingewordeld. En ik bekend het, hoewel het onwaarschijnlijk lijkt dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.
De ontmoeting tussen het frigat en het monster had omstreeks elf uur s'avonds plaats gehad. Ik rekende er dus op dat wij tot zons opgang acht uur moesten zwemmen. Dit was wel te doen als we Okander aflosten. De zee die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door de golfslag. Soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien, welke door niets werd afgebroken
dan enkele malen door het lichtende zee vlak voor ons. Ik zag die lichtende golven welke op mijn lichaam braken en die dan enige mate schitterden. Men zou gezegd hebben dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen een uur morgens was ik erg vermoeid. Mijn leden verstijfden door hevige krampen.
Koenraad moest mij ondersteunen en nu rustte de zorgvolens behoud op hem alleen. Ik hoorde de arme jonge heigen. Zijn ademhaling werd kort en gejagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon. Laat me los!
Laat me los! Meneer loslaten? Nooit, riep hij. Ik hoop nog voor meneer te verdrinken. Op dat ogenblik kwam de maan tussen de wolken welke de wind naar het Oostenjoeg tevoorschijn.
De zee schitterde door haar stralen. Dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn hoofd weer op. Ik keek naar alle kanten rond en zag het frugat. Het was vijf kilometer van ons af en vertoonde slechts een sombere, nauwmerkbare klomp.
Maar geen enkele sloep. Ik wilde roepen. Wat zou dit op zaken afstand helpen? Mijn opgezwollen lippen lieten geen enkel geluid door. Koenraad kon enige woorden stamelen en ik hoorde hem enige malen help, help roepen.
We hielden ons in ogenblik stil en luisterden. Was het misschien het zuizen in mijn oor veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg? Of hoorde ik inderdaad een kreet die op Koenraads geroep antwoord gaf? Heb jij het gehoord? stamelde ik.
Ja, ja. En Koenraad riep nogmaals op wanhopige toon. Ditmaal vergisten wij ons niet. Een menselijke stem gaf ons antwoord. Was het de stem van een ongelukkige of enig ander slachtoffer van de schok die het frigat
ondervonden had? Of was het wellicht een sloep van de Ebram Lincoln die ons in de duisternis zocht? Koenraad spande een laatste poging in. Hij richtte zich op mijn schouders op terwijl ik hem met inspanningen mijn laatste krachten ondersteunde.
Hij hief zich ten halve lijven uit het water op en viel toen uitgeput weer neer. Wat heb jij gezien? Ik zag, stamelde hij, ik zag. Maar laat ons niet praten, laten we al onze krachten bewaren. Wat had hij gezien?
Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor het eerstemaal in de gedachten. Maar die stem dan? De tijden waren toch voorbij dat een Jonas in de buik van een walvis zat. Koenraad stiet mij altijd voor zich uit. Nu en dan lichte hij het hoofd op, zag voor zich uit en riep waarop een andere stem, welke
ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijn krachten waren uitgeput, mijn vingers waren verstijft. Ik kon niet meer op mijn handen steunen. Mijn mond, die ik zenuwachtig opende, liep vol zeewater. IJs koude overviel mij.
Een laatste maan lichte ik het hoofd nog eens op en toen zonk ik in de diepte. Op dit ogenblik stiet ik op een hard voorwerp. Ik klamte me er aan vast. Toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde. Ik haalde ruimer adem en viel in zwijn.
Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn omdat men mij duchtig vreef. Ik opende de ogen. Koenraad, fluisterde ik. Heeft meneer mij gebeld? antwoordde Koenraad.
Op dat ogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande maan een gelaat dat niet van Koenraad was, maar het welke ik aanstond herkende. Net! riep ik uit. Hijzelf, meneer, en ik loop mijn premie naar, antwoordde Netlens. Zijd je door de schok in zee geworpen?
Ja, meneer de professor, maar gelukkiger dan jij ben ik bijna onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen. Een eiland? Ja, of beter gezegd op een reuztachtige eenhoorn. Verklaar u duidelijker, Net? En nu begreep ik aanstond sporen mijn harpoen hem niet heeft getroffen en op zijn huid is afgesprongen.
Waarom dan, Net? Waarom? Omdat dit beest, meneer de professor, van stalen platen gemaakt is. Ik moest een ogenblik tot mijn zin in komen en mijn herinneringsvermogen te hulp roepen. Ik moest mijn eigen beweringen nog eens nagaan. De laatste woorden van Net hadden een plotselinge opbekeer in mijn hersens de weg gebracht.
Ik kroop naar het hoogste gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken en waarop wij een toevlucht hadden gevonden. Ik stamte er met de voet op. Het was klaarblijklijk een hard, ondoordringbaar voorwerp en niet die weke zelfstandigheid waaruit de massa der grote zeedieren is samengesteld.
Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn, zoals dat van voorwereldneke dieren. En ik zou het monster misschien kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zoals schildpadden en alligators. Wel nu, dit was niet het geval. De zwartachtige rug waarop wij zaten was glad, gepoleist, ongerimpeld.
Als men erop stamte gaf hij een metaalachtige klank van zich en hoe ongelooflijk het ook scheiden mogen, hij scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in onkande geklonken te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk. Het dier, het monster, het wonderlijke verschijnsel dat de gehele wereld in spanning had gehouden,
dat de verbeelding der zeeelieden van de beide hoofdronnen had opgewonden en getroffen, was, ik moest het er kennen, een of veel wonderlijke verschijnsel, namelijk een wonder door mensenhanden gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie zou mij niet zo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit de scheppers hand komt is doodevoudig, maar dat men plotseling iets onmogelijks voor zijn ogen ziet,
dat op geheimzinnige wijze door mensenhand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand geheel uit het veld te slaan. We behoefden evenwel niet te aarzelen. We bevonden ons bovenop een soort van onderzeesvaartuig, dat, voor zover als ik erover kon oordelen, de vorm had van een metalen vis.
Netlent had er zijn meningreeds over gevormd. Koeraad en ik konden er zo spoedig niet toekomen. Maar dan bevat dit toestel, zei ik, een werktuig om het in beweging te brengen, en een equipage om er mee om te gaan. Natuurlijk, antwoordde de harponier,
en toch heeft dit drijvend eiland gedurende de drie uur dat ik erop zit, nog geen teken van leven gegeven. Heeft het schip zich niet bewogen? Nee, meneer Arona, het laat zich door de golven voortwiegelen, maar het beweegt zich niet.
We weten toch zonder eraan te mogen twijfelen, dat het met grote snelheid vooruit kan komen, en daar er een machine nodig is om die snelheid voor te brengen, en een machinist om de machine te besturen, zo houd ik het ervoor dat wij gered zijn.
Hmm, zei Ned, zonder zich verder uit te laten. Op dat ogenblik, alsof mijn bewijsvoering te bevestigen, begon het water aan de achterste punt van dit zonnelinge werktuig heftig te borrelen, zodat de beweging zeker door een schroef moest worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit.
We hadden sterkste tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer 80 centimeter uit het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zo buitengewoon groot. Zolang het ding horizontaal doorvaart, mondpolde Ned Lent, heb ik niets te zeggen, maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken,
dan geef ik geen twee dollars voor mijn huis. Ned had er nog wel minder voor kunnen geven. Het werd dus noodzakelijk om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welk soort ook, die in dit ding zaten opgesloten. Ik zocht aan de oppervlakte een opening of een luik,
maar de reën bouten, welke vast aan de randen der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween de maan en liet ons in volslage duisternis. We moesten de dag afwachten om op middelen te pijnzen hoe wij bidden in dit onderzeesche schip zouden doordringen.
Derhalve hing ons behoud alleen af van een grill tegen heemzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden. En als het toek waren we verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen ogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen.
En inderdaad, als ze zelf geen lucht vervaardigden, moesten zij van tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voeraad verse lucht te vernieuwen. Er moest dus een opening zijn, welke het binnenste van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.
We moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Ferregut geret te worden. Wij werden naar het westen meegesteept en ik berekende dat onze snelheid zowat 12 kilometer in het uur bedroeg. De schroef bewoog zich met wiskundige regelmatigheid in het water en deed enkele malen, als hij boven kwam,
het lichtende zeewater met grote kracht opspuiten. Tegen vier uur in de morgen nam de snelheid toe en het was moeilijk om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven in onze lichaam en zweepten. Gelukkig ontmoette in het hand een grote ankerring,
die aan het bovenvlak was vastgemaakt en waaraan wij ons stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijn herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor de geest, maar één bijzonderheid valt mij nog in.
Als zee en wind eens voor een ogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen een vaak geluid, een soort van vluchtige harmonie van verwijderde akkoorden te horen. Wat was dan toch het geheim van die onderzeeze vaart? Na welke verklaring de gehele wereld te vergeef zocht?
Welke wezens leefden er in dit zonderlijke vaartuig? Welk werktuig zou het met zo'n verbazende snelheid in beweging brengen? De dag brak aan. Mooi genevils onheulde ons toch begonnen wel draag te scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak,
dat een soort van horizontaal platformde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het vaartuig langzaam bij hand voelde wegsinken. Duizend tuifos, riep net Lent, terwijl hij met zijn voet op een tof klinkende metaal stampte. Open dan, ongastvrije schippers!
Maar het was moeilijk om zich bij het verdoofende geraas van de schroef te doen verstaan. Gelukkig zonk het vaartuig niet dieper. Plotsing hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten binnen in het vaartuig. Een plaat werd opgelicht, een man verscheen, gaf een zonderlijke kreet en verdween ogenblikkelijk.
Enige ogenblikken later verschillen er acht sterke klanten met bedikt gelaat en sleepten ons in hun vervaarlijke machine naar beneden. Het einde van hoofdstuk 7