Chapter 8
Hoofdstuk 8 van Twintig Duizend Meilen Onder Zee. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen Onder Zee door Gilles Verne. Hoofdstuk 8, Mobiles in Mobile.
Dat naar binnen slepen was vrij lomp, toch had men de snelheid van de bliksen plaatsgehaald. We hadden de tijd niet gehad om tot onszelf te komen. Ik weet niet wat mijn makkers ondervonden toen zij in die drijvende gevangenis naar beneden werden gehaald, maar wat mij aanging, ik voelde een kille huivering door mijn ledigaan. Met wie hadden wij te doen?
Zonder twijfel met zeerovers van een nieuwe soort die op hun wijze de zee doorkruisten. Nolijks was het enge luik gesloten of ik bevond mij in volslagen duisternis. Mijn ogen, die nog verbliet waren door het daglicht, zagen niets. Ik voelde met mijn blote voeten de treden van een ijzeren trap. Net Lent en Coen werden stevig aangegrepen en volgden mij.
Onder aan de trap opende zich een deur die onmiddellijk achter ons met tof geluid gesloten werd. We waren alleen. Waar? Ik kon het niet zeggen, maar nolijks voorstellen. Alles was donker, maar zo volslagen donker dat na enige minuten wachtens mijn ogen zelfs nog geen van die onbepaalde schemeringen zagen,
welke men zelfs in de donkerste nacht bemerkt. Net Lent was woedend over die wijze van handelen en liet zijn verontwaardiging de vrije loop. Duizend duivels, riep hij, dat zijn lui aan wie de Caledoniens nog een lesje in de gastvrijheid zouden kunnen geven. Het ontbreekt er nog maar aan dat het menseneters zijn. Het zou me niet verwonderen, maar ik verklaar dat ik mij niet zonder tegenstand zal laten opeten.
Bedaar, vriend Net, bedaar, antwoordde Coen Radkamp, maken u voor de tijd niet boos. We liggen nog niet in de pan te braden. In de pan nee, zei Net, maar in de oven wel. Het is hier waarachtig donker genoeg. Gelukkig heb ik mijn mes nog en ik zie genoeg om er mij van te bedienen.
Ik liep al tastende vooruit. Na vijf of zes stap stiet ik tegen een ijzeren muur van platen met bouten vastgeklonken. Toen ik mij omkeerde voelde ik een houten tafel, waarbij verscheidende bankjes stonden. De vloer was bedekt met een dikke mat, welke het geluid onze schreden verdoofde. Aan de naakte wanden voelde ik niets wat op deur of venster geleek.
Coen Raad, die langs de tegenovergestelde kant was rondgetast, kwam weer bij mij, waaruit het ons bleek dat de hut zowat twintig voet lang en tien voet breed zijn moest. Wat de hoogte aangaat, net Lent kon, hoewel hij nogal lang was, de zolder niet bereiken. Er was een half uur voorbij gegaan, zonder dat de toestand veranderd was, toen onze ogen van de diepste duisternis plotseling tot het scherpste licht over gingen.
Eensklaps werd onze gevangenis verlicht, dat is te zeggen dat zij met zolken schitterend licht vervuld werd, dat ik het aan de ogen niet verdragen kon. Aan de helderheid en de witheid herkende ik het als een elektrische schijnsel dat rondom het overseese vaartuig dat prachtige lichtverschijnsel had teweeggebracht. Nadat ik de ogen enige ogenblikken onwillekeurig had gesloten gehouden, opende ik ze weer en
zag dat het licht viel uit uw gepoleiste halve bol, welke in de zoldering der hut was aangebracht. Nu kan men tenminste zien, riep Ned, die met zijn mes in de hand zich ter verdediging gereed hield. Ja, antwoorde ik, maar onze toestand blijft er niet tenminste even duister om.
Laat meneer slechts geduld nemen, zei de kalme Koenraad. De plotselige verlichting der hut liet mij die in de kleinste bijzonderheden zien. Er waren slechts een tafel en vijf bankjes in te vinden. De onzichtbare deur moest hermetisch gesloten zijn, geen het minste geluid trof ons oog. Alles scheen dood in het vaartuig.
Ging het voorwaarts? Dreven het aan de oppervlakte van de oceaan? Of was het in de diepte gedeeld? Ik kon het niet gissen. Echter was dat licht niet voor niets ontstoken.
Ik hoopte dus dat enige der equipage zich wel draait zouden vertonen. Als men de mensen wil vergeten, verlicht men hun gevangenis niet. Ik bedroog mij niet. Een geschuin van grendels deed zich horen, de deur ging open en twee mannen traden binnen. De één was klein, maar sterk gespierd, breed van schouders, zwaar gebouwd van leden, met
een krachtig hoofd, zwaar en zwart haar, een dikke knevel en een levendig en doordringend oog. Zijn gehele persoon drukte die zuidelijke levendigheid uit, welke in Frankrijk het kenmerk is der bewoners van Provence. De tweede, onbekende, verdiend uitvoeriger beschrijving. Een gelaadkundige zou op dienst aangezicht als in een openboek gelezen hebben.
Ik herkende zonder aarzelen een heerszuchtig karakter, vol vertrouwen op zichzelf, want zijn hoofd stond edel op zijn schouders, en zijn zwarte ogen zagen u aan met koele zekerheid. Hij was kalm van natuur, want aan de lichtgekleurde huid was het te zien dat zijn bloed langzaam stroomde. Hij bezat geestkracht, blijkens het snel samentrekken zijn er wekbrauwen.
Eindelijk moest hij moed bezitten, want zijn ademhaling beweest dat hij grote levenskracht bezat. Ik voeg erdoorbij dat iemand trots was, dat zijn vaste en kalme blik grote gedachten verriet, en dat hij stellig openhartig zijn moest, omdat de uitdrukking zijn er bewegingen, geheel met die van zijn gelaat overeen kwam. Onwillekeurig voelde ik mij in zijn tegenwoordigheid zeker, en ik voorspelde mij veelgoed van die samenkomst. Was die man vijfentertig of vijftig jaar?
Ik zou het niet juist hebben kunnen zeggen. Hij was lang van gestolten, had een breed voorhaft, een fijne rechte neus, een scherp getekende mond, prachtige tanden en schone lange handen. Het was zeker wel de verwonderlijkste type welke ik ooit ontmoet had. Als iets bijzonders merkte ik op dat zijn ogen, welke een weinig ver van ook anders stonden, tegelijk een vierde gedeelte van de gezichtseinder konden omvatten, waardoor, zoals mij later bewezen werd, zijn gezicht nog
veel scherper was dan dat van net land. Als die onbekende na enig voorwerp zag, volgde hij de wingbrauwen, trok het oog zo te samen dat sterkste pupil zichtbaar bleef, beperkte daardoor de blik alleen tot het bedoelde voorwerp en keek. Maar met welke blik? Hoe werden de door de afstand kleiner worden de voorwerpen verduidelijkt? Hoe drongt blik in de ziel door? Hoe drong hij ook door in die vloeistof, welke voor ons oog ondoosichtig is? Hoe las hij in de diepte der zee?
De twee onbekenden hadden mutsen van bevevel op en lazen aan van de huid van een walrus. Ze droegen kleren van bijzonder weefsel die de lichaamsvormen gunstig deden uitkomen en grote vrijheid van beweging toelieten. De grootste van de twee, waarschijnlijk de bevelhebber van het vaardag, bekeek ons met bijzondere opmerksamheid zonder een enkel woord te zeggen. Toen wende hij zich tot zijn makker en onderhield zich met hem in een mij geheel onbekende taal. Het was een
wel luidende, harmonische, buigsame taal, welke klinkers op verschillende wijze schenen te kunnen worden uitgesproken. De ander beantwoorde met een hoofd schudden en voerde er slechts twee of drie volkomen onverstaanbare woorden bij. Daarop scheed hij mij met zijn blik te willen ondervragen. Ik antwoordde in het Frans dat ik zijn taal niet verstand, maar hij scheen mij niet te begrijpen. Die toestand werd vrij lastig. Als meneer onze geschiedenis eens zou vertellen, zei Koeraad,
dan zouden die heren er mogelijk enige woorden van begrijpen. Ik begon het verhaal van onze lot gevallen terwijl ik op mijn woorden een bijzondere nadruk legde en geen enkele bijzonderheid vergat. Ik gaf onze namen en hoedanigheden op. Daarop stelde ik hem volgens de wetten der wellevendheid, de hoogleraar Arona, zijn knecht Koeraad en meester Ned Lent de harponier voor. De man, met die zachte en kalme oogopslag, hoorde mij bedaard, beleefd en met de grootste oplettenheid aan.
Maar geen trek van zijn gelaat verriet dat hij mij begrepen had. Toen ik gedaan had, sprak hij geen woord. Ik kon nu nog beproeven hem in het Engels aan te spreken. Misschien verstond hij die taal. Ik ken de haar en ook hoog Duits, maar beide slecht genoeg om zijn vlucht te lezen, toch niet om zijn vlot te spreken. En hier kwam het er vooral op aan om mij te doen verstaan. Nu is het uw beurt, zei ik tot de harponier. Praat jij nu eens in het beste Engels dat ooit
in Engels-Sax gesproken heeft en beproef eens of jij gelukkiger bent dan ik. Ned liet het zich geen tweemal zeggen en begon hetzelfde verhaal als het mijne. Het was in de grond hetzelfde, alleen de vorm verschilde. De harponier, door zijn driftig karakter meegesleept, sprak met zeer veel vuur. Hij beklagde zich hevig dat hij tegen alle recht en billigheid in gevangen werd gehouden, vroeg volgens welke wet men hem vasthield, riep de habeas corpus acte in,
dreigde hen te vervolgen die hem onrechtvaardig opsloten, zwijnde met zijn armen, schreeuwde en gaf eindelijk door zijn gebaren te kennen dat wij van honger stierven. Dit was volkomen waar, doch we hadden het bijna vergeten. Tot zijn grote verbazing schedet dat net even min verstaan was als ik. Onze bezoekers vertrokken zelfs geen wenkbrauw. Het was duidelijk dat zij Frans nog Engels verstonden. Ik was verlegen omdat wij onze welsprekendheid te vergeefs hadden
uitgeput en wist niet meer wat te doen, toen Koenraad mij vroeg, als meneer het goed vindt, zal ik de zaken eens in het hoog Duits vertellen. Wat, ken jij Duits, riep ik uit, een weinig, zoals bijna elke Nederlander, meneer. Ga uw gang daar maar, mijn jongen. En Koenraad vertelde met de grootste bedaagdheid voor de derde maal onze lotgevallen. Maar niet tegenstaande de vrije volzinnen en het schone stemgeluid van de verteller slaarde het Duits even min.
Eindelijk tot het uiterste gebracht, trachte ik mij alles nog te herinneren, wat mij van mijn eerste studie was bijgebleven en ik pogde hun onze geschiedenis in het Latijn te vertellen. Cicero zou zich de oren hebben toegestopt en had mij naar de keuken gejaagd, maar ik bracht het er redelijk wel af. De uitslag echter was even ontmoedigend. Toen deze laatste poging bepaald mislukt was, wisselden de beiden onbekenden enige
woorden in hun onverstaanbare taal en vertrokken, zonder ons zelfs met enige geruststellende beweging te groeten. De deur ging weer dicht. Het is een schandaal, schreeuwde Netlent, die voor de twintigste maal losbarste. Wat, men spreekte de Frans, Engels, Duits en Latijn aan en geen van die schavuiten heeft de beleefdheid van te antwoorden. —Bedaar, vriend Net, zei ik tot de woedende harponeer, uw toren leidt tot niets.
—Weet je dan wel, meneer de professor, hernam en licht geraakte metgezel, dat men in deze ijzeren kooi best van honger kan sterven? —Kom, kom, zei Koenraad, met een beetje filosofie kan men het lang uithouden. —Vrienden, zei ik, men moet niet wan hopen. We hebben reeds in vrij wat erger omstandigheden verkeerd. Doet me dus het genoegen om nog te wachten voordat jij een oordeel over de kapitein en de equipage van dit vaartuig veldt. —Mijn oordeel is reeds gevormd, antwoordde Netlent.
Het zijn schelmen. —Goed, en uit welk land? —Uit het land van de schelmen. —Mijn beste net, dat land staat op de wereldkaart nog niet juist aangetekend en ik bekend dat de afkomst van die beide onbekenden moeilijk te bepalen is. Men kan alleen zeggen dat het geen Fransen, Engelsen of Duitsers zijn. Evenwel houd ik het ervoor dat die kapitein en zijn stuurman dicht bij de Evenaar geboren zijn. Er is iets zuidelijks in hun voorkomen, maar hun gelaten vormen kunnen niet
doen beslissen of het Spanjaarden, Turken, Arabieren of Indiërs zijn. Hun taal is geheel onverstaanbaar. —Dat is nu het onaangename van niet alle talen te kennen, antwoordde Koenraad. Of het nadeel van niet één enige wereldtaal te bezitten. —Dat zou toch niet slijden, sprak Detlent. Hoort ge niet dat dit volk een taal op hun eigen hand heeft, een gerammel om iemand wanhopig te maken die om eten vraagt. Maar begrijpt men in alle landen van de wereld
niet wat het betekent als men de mond open doet, zijn kakenbeen op en neer beweegt en met tanden en lippen klapt? Wil dat niet overal in Quebec en op de Pomotoe-eilanden, te Parijs en in Japan zeggen ik heb honger, geef mij wat eten? —Arh, zei Koenraad, er zijn zulke onbegrijpelijke mensen. Toen hij dit zei ging de deur open, er kwam een hofmeester binnen die kleren bracht van een stof verveiligd welke ik niet kende. Ik haaste mij om ze aan te trekken en mijn makkers volgden mijn
voorbeeld. Gedurende die tijd had de hofmeester, misschien wel een doof stomme, de tafel voor drie personen gedekt. Dat lijkt toch ernst te zijn, zei Koenraad, een goed voorteken. Het zou wat, antwoordde de haatdrager in de harpoenier, wat drommel zouden we hier te eten krijgen? Schildpaddenlever, haaiergebraad, zeehondenbiefstuk. Dat zullen wij eens zien, zei Koenraad. Enige schotels met zilvere deksels werden in orde op de tafel gezet en we namen plaats.
Het was zeker dat wij met beschaartelieden te doen hadden en zonder het elektrische licht waaronder wij zaten, zou ik gedacht hebben in een hotel aan de tabelen dood te zitten. Ik moet echter zeggen dat brood en wijn geheel ontbraken. Het water was fris en helder, maar water viel in het geheel niet in de smaak van net lents. Onder de opgediende gerechten herkende ik enige heerlijke klaargemaakte vissoorten. Maar over enige, overigens lekkere schotels kon ik geen oordeel uitspreken en ik zou
zelfs niet hebben kunnen zeggen of ze tot het planten of dierenrijk behoorden. Het servies en tafelzilver waren net en smaakvol. Elk stuk, lepel, vork, mes, bord enz. was met een letter getekend waar omheen in een kringetje enige woorden stonden. Mobiles in mobile, een devis dat zeker sloeg op het vaartuig waarin wij ons bevonden en een letter N waarschijnlijk de eerste letter van de naam van de raadslachtige persoon die hier in de diepte der zee bevel voerde.
Ned en Koenraad maakten niet zoveel opmerkingen. Zee Atenmaag en ik volgde Weldra hun voorbeeld. Ik was bovendien gerust in ons lot, daar duidelijk bleek dat onze gastheeren ons niet van honger wilden doen sterven. Alles eindigt even wel hier beneden, alles, zelfs de honger van mensen die in geen vijftien uur gegeten hebben. Toen onze honger gestild was, deed zich de behoefte aan slaap geducht voelen. Het was zeer natuurlijk ook na die eindeloze nacht gedurende welke wij met de
dood geworsteld hadden. Nu zal ik wel slapen, zei Koenraad. En ik slaap al, promde Ned Lent, die even als Koenraad op de vloermatten ging liggen, waar zij Weldra vastsliepen. Ik kon de slaap nog zo gemakkelijk niet vatten. Teveel denkbeelden doorkruiste mijn geest. Teveel onoplosbare vragen kwamen in mij op. Al te veel voorstelligen hielden mijn ogen geopend. Waar bevonden wij ons? Welke vreemde macht sleepten ons mee? Ik voelde, of liever ik meende te voelen,
dat het vaartuig in het diepste gedeelte der zee daalde. Vreselijke nachtmerrien plaagde mij. Ik zag in die geheimzillige diepte het wereld van onbekende dieren welke samenleving dit onderzeese vaartuig scheen te denen. Levend, zich bewegend, even afschuwelijk van gedaante als zij. Toen werd het kalmer in mijn geest. Mijn denkvermogen loste zich op in een onbepaalde lusteloosheid en ik viel Weldra in een doffe slaap. Het einde van hoogstuk 8