Chapter 9
Hoofdstuk 9 van Twintig Duizend Meilen onder Zee. Deze LibriVox opname is vrij van auteursrechten. Opname door Bart de Leeuw. Twintig Duizend Meilen onder Zee door Jules Verne. Hoofdstuk 9. Woede van Netland. Hoe lang die slaap duurde weet ik niet, maar het moet lang geduurd hebben, want we waren geheel van onze vermoeienissen hersteld.
Ik werd het eerste wakker. Mijn makkers bewoogden zich nog niet en bleven als wezenloze wezens in een hoek liggen. Noudig was ik van mijn vrijhardleger opgestaan of mijn geest was weer helder, mijn denkvermogen opgeklaard. Ik begon onze cel opnieuw nauwkeurig te onderzoeken.
Niets was er veranderd. We waren gevangen en gebleven. Gedurende onze slaap had de hofbeester de tafel afgedomen. Niets duidde dus aan dat onze toestand spoedig zou veranderen en ik vroeg mij ernstig af of wij bestemd waren om altijd in die kooi te leven. Dit vooruitzicht schreef mij des te onaangenaamder toe,
omdat, al was mijn hoofd helderder dan de vorige dag, ik een zonderlinge gedrukteheid op de borst voelde. Ik haalde moeilijk adem. De zware lucht was voor mijn longen niet meer voldoende. Hoe groot onze cel ook was, het was duidelijk dat wij het grootste deel van de daarin aanwezige zuurstof verbruikt hadden.
Ieder mens toch verbruikt in één uur de zuurstof, welke in 100 liter lucht vervat is en die lucht, met een bijna even grote hoeveelheid koolzuur bezwaggert, wordt dan ongeschikt voor de ademhaling. Het was dus hoogst noodzakelijk om de lucht in onze gevangenis te verversen en zonder twijfel ook de lucht in het gehele vaartuig.
Hier deed zich een vraag bij mij op. Hoe handelde de kapitein van die drijvende toestel? Verkreeg hij lucht langs scheikundige weg? Door de zuurstof door middel van warmte uit glosuren potash af te zonderen en koolzuur met breitende potash te verbinden?
In dat geval moest hij toch in enige betrekking staan met het land, ten einde zich de nodige grondstoffen te verschaffen, welke hier toen nodig waren. Of bepaalde hij zich er slechts toe om de lucht onder deze drukking in bewaarplaatsen op te hopen en die te verspreiden
naarmate het scheepsvolk er behoefte aan had? Misschien. Of gebruikte hij een gemakkelijker, goedkoper en dus ook waarschijnlijker middel, namelijk om aan het oppervlakte der zee als een walvis te komen ademhalen en zijn voorraad lucht voor 24 uur te vernieuwen?
Hoe het ook zij en welk zijn stel zou waren, het kwam mij voor dat hij voorzichtig handelen zou als hij het zonnen lang te wachten in het werk stelde. Ik moest reeds sneller ademhalen om het weinige zuurstof het welke de cel nog bevatte in mijn longen te brengen
toen ik plotseling verfrist werd door de zuivere zeelucht. Ik opende de mond wagenwijd en mijn longen werden met verse lucht verzadigd. Tegelijkertijd voelde ik een schommeling, een kleine stingering, maar welke volkomen duidelijk te herkennen was. Het vaartuig, het metalen monsten, was naar de oppervlakte van de oceaan gerezen
om maar even als de walvissen adem te halen. De wijze van luchtverversing van het vaartuig had ik dus duidelijk herkend. Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd zocht ik naar de geleidingsbuizen welke die weldadige luchtstroom tot ons deden komen
en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat waardoor een stroom verse lucht kon binnenkomen om de bedorven atmosfeer van onze cel te verversen. Zover was ik met mijn opmerkingen gekomen
toen Ned en Koenraad bijna tegelijk door die stroom van verse lucht wakker werden. Ze vreven zich de ogen, rekte de armen uit en waren in een ogenblik op de been. Heeft meneer goed geslapen? vroeg Koenraad bij met zijn gewoden beleefdheid.
Heel goed mijn jongen, antwoorde ik. En jij Ned Lent? Als een os, meneer de professor, maar ik weet niet of ik mij vergis, het is alsof ik zeelucht inadem.
Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen en ik vertelde wat er gedurende hun slaap had plaatsgehad. Zo, zei hij. Dat verklaart voorkomen het gebroed dat wij hoorden toen de Abraham Lincoln de zogenaamde eenhoorn in het gezicht kreeg.
Zo is het net, het was zijn ademhaling. Maar meneer Argon, nou, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe laat het is, of het moest het uur van het middagmeil zijn. Het uur van ons middagmeil, brave harponier?
Zeg liever het uur van het ontbijt, want we zijn zeker reeds meer dan een dag hier. Dat bewijst, antwoorde Koenraad, dat wij 24 uur geslapen hebben. Zo denk ik er ook over, antwoorde ik.
Ik spreek u niet tegen, hernam net Lent, maar middagmaal of ontbijt de hofbeestel zal welkom zijn als hij het een en ander brengt. Het een en het ander, zei Koenraad. Juist, antwoorde net.
We hebben recht op een dubbelmaal. En wat mij aangaat, ik zal aan beide eer genoeg bewijzen. Wel nu net, laat ons wachten, antwoorde ik. Het is duidelijk dat die onbekenden ons niet van honger willen laten sterven,
want in dat geval zou het eten van gisterenavond ongeruimd zijn. Of men moest ons willen vetmesten, hernam net. Dat spreek ik tegen, zei ik. We zijn niet in handen van menseneters gevallen. Eens is nog geen gewoonte, merkte de harponier ernstig op.
Wie weet of die kerels niet sinds lang naar versvlees hebben uitgezien, en in dat geval zijn drie gezonde en goed gebouwde mensen als meneer Koen en ik verband toch die gedachten net en neem daaruit vooral geen aanleiding om u boos te maken tegen die mensen, want dat zal onze toestand slechts verergeren.
In alle gevallen, sprak net, heb ik een honger als de duivel en middagmalen van het bijt, we schijnen geen van beiden te krijgen. Zeg eens net, gaf ik ten antwoord. Wij moeten ons aan de scheepswet onderwerpen, en ik houd ervoor dat onze maag voor is bij het holose van de kok.
Wel nu, dan zal ik haar gelijk zetten, sprak Koenraad bedaard. Daaraan herken ik u weer, vriend Koen, zei de ongeduldige net. Gezet niet toonig of zenuwachtig, altijd bedaard. Ge zout in staat zijn om te danken in plaats van te bidden en eerder van honger te sterven dan u te beklagen.
Waartoe zou dat ook dienen, vroeg Koenraad. Alleen om haar te klagen, en dat is reeds iets. Als die zeerovers, ik noem ze zeerovers om meneer Nieter Ergeren, die verbiedt om zijn menseneters te noemen, als die zeerovers zich verbeelden dat ze mij in die stinkende kooi zullen houden,
zullen nog eerst te horen met welke verwensingen ik aan mijn woede lucht geef, dan zullen zij zich bedriegen. Spreek eens vrij uit, meneer. Zou het gij denken dat ze ons lang in die ijzeren kooi houden? Om u de waarheid te zeggen net, weet ik er niet veel meer van dan gij.
Maar wat veronderstelt gij dan? Ik veronderstel dat het toeval ons in het bezit gesteld heeft van een belangrijk geheim. Indien dus de equipage van dit vaartuig er belang bij heeft om het te bewaren, dan geloof ik dat ons leven groot gevaarlopen. In het tegenovergestelde geval zal het monster dat ons heeft ingeslokt
ons wel weer op de bewoonde aarde uitspoeien. Of we moesten ons onder de equipage opnemen, zei Koenraad, en ons zó lang houden. Tot op het ogenblik, antwoordde Netlend, dat enig frigat dat harder stomt en behendiger is dan de Abraham Lincoln,
zich van dit nest van zeeschamers meester maakt en de equipage, en ons, aan het uiteinden van de grote ra voor de laatste malen luchtje laat scheppen. Mooi gezegd net, hervatte ik. Maar voor zover ik weet, heeft men ons nog geen voorstel in die geest gedaan. Het is dus onnodig om te twisten over de partij welke wij moeten nemen als dit gebeurt.
Ik herhaal het u dat wij moeten wachten. Laat ons met de omstandigheden terradige gaan en niets doen, omdat we toch niets doen kunnen. Integendeel meneer de professor, zei de harpoenier, die niet vast een stuk te brengen was. Men moet iets doen. En wat dan, baas Lent?
Vluchten. Om uit een aardse gevangenis te ontsnappen is soms zeer moeilijk, maar om uit een onderzeezen gevangenis te ontkomen schijnt men geheel onmogelijk. De harpoenier was zich bij verlegen en zweeg. Een ontvluchting was in ons geval bepaald onmogelijk,
maar een inboorling van Canada is zowat een halve Fransman. En dat beweest net Lent door zijn antwoord. Maar dat is niet het enige ogenblikken nadenkens, wat mannen moeten doen die niet uit hun gevangenis kunnen ontsnappen. Nog niet, mijn vriend.
Dat is doodevoudig. Daar moeten zij beproeven om er zo goed mogelijk in te blijven. Dat geloof ik wel, zei Koenraad. Het is toch beter erin dan erop of eronder. Maar als men sipier en oppassers eruitgooit, voert de net Lent erbij.
Wat net? Zouden we dan denken om u van dit vaartuig meester te maken? Zeker, antwoordde de harpoenier. Dat is onmogelijk. Waarom, meneer?
Misschien krijgen we wel eens een gunstige kans, en ik zie niet in waarom wij daarvan geen gebruik zouden maken. Als er maar een twintigtal aan boord zijn, dan zullen twee Fransen en net Lent toch voor zo'n handje vol volkslied bang zijn. Het was nog beter om het voorstel van de harpoenier aan te nemen,
dan erover te twisten. Daarom antwoordde ik. Laat de kans eerst komen en dan zullen we eens zien. Maar tot die tijd toe verzoek ik u uw ongeduld te bedwingen. Men kan slechts met listhandelen,
en als u u kwaad maakt, zult u zeker geen gunstige kans krijgen. Beloof mij dus, u zonder opgewonde drift in de omstandigheden te schikken. Ik beloof het u, meneer de professor, antwoordde net op weinig geruststellende toon. Er zou geen driftig woord meer uit mijn mond komen.
Geen enkele brutale handeling zal mij verraden, zelfs als wij niet zo regelmatig als wij wensen de tafel voor ons zullen zien dekken. Ik hou u aan uw woord, net, zei ik. Daarop zwegen wij stil, en elk onzer gaf zich aan zijn overpijmzingen over. Ik bekend dat ik niet tegenstaande de verzekering van de harpoenier
mij geen illusie maakte. Ik geloofde niet aan die gunstige kans waarvan net Lent gesproken had. Om zo goed bestuurd te worden had het vaarder zeker een touwrijke equipage nodig, en daarom zouden wij, bij een worsteling, met een veel te grote overmacht te doen hebben. Overigens moesten wij voor alles vrij zijn, en dat waren wij niet.
Ik zag zelfs geen enkel middel om uit de goed gesloten ijzeren hut te geraken, en als de vreemde kapitein van dat schip een geheim te bewaren had, wat mij tenminste waarschijnlijk toescheen, dan zou hij ons niet vrij aan boord laten rondlopen. Zou hij zich nu met geweld van ons ontslaan,
of zou hij ons de enige tijd in het een of ander land afzetten? Dit bleef de vraag. Al die veronderstellingen schede mij evenwaarschijnlijk, en wij moesten harpoenier zijn om ooit op een bevrijding te hopen. Overigens begreep ik dat net Lents verbittering toenam,
na mate zijn overdenkingen zich geheel van zijn drift meester maakten. Ik hoorde hem nu en dan half verstaanbare vloeken mompelen, en ik zag dat hij opnieuw dreigende gebaren maakte. Hij stond op, liep als een wilddier in een kooi rond, en stampte met handen en voeten tegen de muur.
Bovendien verliep de tijd. De honger deed zich erg gevoelig, en de hofmeester verscheen nog niet. Als men ons goed wilde behandelen, dan vergat men ons, ongelukkige schipreukelingen, nog wat al te lang. Net Lents, wiens sterkebaar hen begon te plagen,
werd hoe langer hoe driftiger, en, hoewel hij mij zijn woord gegeven had, vreesde ik inderdaad een uitbarsting, als hij een van de equipage onder handen kon krijgen. Zijn toeren vermeerde nog gedurende twee lange uren.
Hij riep en schreeuwde, maar te vergeefs. De ijzeren muren waren doof. Ik hoorde geen het minste geluid in het vaartuig, welks bemanning dood scheen te zijn. Het schip bewoog zich niet, anders zou ik de trillingen wel bemerkt hebben,
welke een draaie ene schroef veroorzaakt. Het was zonder twijfel in de diepte der zee afgedaald, en behoorde niet meer tot deze aarde. Die doodse stilte was vreselijk. Ik durfde er zelfs niet naar te raden,
hoelang onze verlatenheid of onze eenzaamheid nog duren zou. Langzamerhand verdwenen de verwachtingen, welke ik na deze ontmoeting met de kapitein gekoesterd had. De zachte blik van die man, de edelmoedige uitdrukking van zijn gelaat, de waardigheid in zijn houding, dit alles verdween uit mijn herinnering.
Ik beschouwde het raadselachtige wezen slecht als onmeedogend en vreet. Ik stelde mij hem voor als onmenselijk, ongevoelig voor enig medeleiden. Hartjeeges zijn medemensen aan wie hij een eeuwige haatscheen te hebben gezoren. Maar zou die man ons van honger doen sterven, opgesloten in deze enge gevangenis,
en overgegeven aan die vreselijke gedachten welke woedende honger bij de mens soms opwekt. Dit ontzettende denkbeeld kwam langzamerhand bij mij tot rijpheid, en in mijn verbeelding gevoelde ik dat een onzinige vrees mij bekroop. Coenraad bleef kalm.
Netlend brulde nu en dan van woede. Op dat ogenblik hoorden wij enig geraas buiten onze gevangenis. Voetstappen weer klonken op de metalen vloer. Sloten werden omgedraaid. De deur ging open en de hofmeester verscheen.
Voordat ik iets kon doen om het te verhinderen, had net Lentz zich op de ongelukkige geworpen. Hij wierp hem op de grond en greep hem bij de keel. De hofmeester stikte bijna onder die geweldige vuisten. Coenraad trachte het halfdode slachtoffer aan de handen van de woedende harponier te onttrekken
en ik wilde hem helpen toen ik plotseling aan mijn plaats genageld bleef door het uitspreken van deze woorden in de Franse taal. Wees bedaard meneer Lentz. En jij, meneer de professor. Hoor mij aan. Het einde van hoofdstuk 9.