menu_book Chapter 11

from Barnaby Rudge NL by Charles Dickens — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk elf, van Barnaby Rudge, door Charles Dickens, vertaald door C. M. Mansing. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Marcel Koenders. De gespannen verwachting. Die avond was een groot nieuws voor de regelmatige bezoekers van de mijboom.

Naarmate zij één voor één binnenkwamen en zich bij de schoorsteen nederzetten, deelde John Ieder met indrukwekkende langzaamheid en op een fluisterende toon het bericht mede, dat meneer Chester in de grote bovenkamer op meneer Jeffrey Herdeel zat wachten, aan wie hij, door middel van Barnaby, een brief had rezonden, buiten twijfel van een dreigende inhoud. Voor een troepje rokers en babbelaars, die zelden iets nieuws wisten te vertellen,

was dit waarlijk een fortuintje. Hier onder het dak, waar zij zaten, broeide een duister geheim, dat hen, als het ware, werd thuisgebracht om te onderzoeken, welken smaak gaf dit aan de drank en de tabak. Ieder rookte zijn pijp met een gezicht vol ernst en zag zijn makker, om zo te zeggen, geluk wensend aan.

Zo groot was de algemene opgeruimdheid, dat zij, op het voorstel van Salomon Desi, ieder John Mede gerekend, een halve schilling uitlegden, om een kan heet kruidenwijn te drinken. En wel dra stond de aangename drank geurig dampend voor de haard. Er waren echter twee personen aanwezig, die maar weinig belangstelling toonden in het algemene vergenoegen.

Een van deze twee was Barnaby, die sliep, of, om te vermijden dat men hem, met vragen lastig viel, fijnste te slapen. De ander, Joke, die insgelijks liep, had zich in het volle schijnsel van het vuur op een bank nedergeworpen. Het licht dat op zijn sluimerende gestalte viel, deed al de forse en welgemaakte evenredigheid daarvan uitkomen. Het was de gestalte van een reuzeachtig jonkman, wiens door de zonverbrand gezicht en brede borst een schilder tot model had kunnen strekken, losgekleed in een plunje van de gemeenste stof, terwijl enige strohalmen zijn gewoon bed in zijn ongekamde haren waren blijven zitten.

Was hij in slaap gevallen in een houding, evenachteloos als zijn kledij. Het woeste een ongeregelde van zijn voorkomen, met iets waar moeders in zijn gelaat verenigd, gaf hem een schilderachtig uitzicht, dat zelfs de aandacht trok der gasten die hem gemeenzaam kenden, en lange parks deed zeggen dat Joek er die avond volkomen als een stroper of struikrover uitzag. — Hij zal hier wachten, denk ik, zei de Salomon, om op het paard van meneer herdeel te passen. — Zo is het ook, antwoordde John Willet.

Hij komt anders niet dikwijls in huis, zoals gij weet. Hij is beter op zijn plaats bij de paarden dan bij de mensen, en hij is zelf ook niet veel beter dan een beest, zijn schouders ophalende met een gezicht dat de bewustheid, zijn verstandelijke meerderheid, aan de dag legde, deed hij een paar trekken om zijn pijp aan te houden, en vervolgde toen op Joek wijzende, die knaap heeft al zijn zinnen, zoals men zegt. Maar zij schijnen gekruikt en gekeurkte wezen, en hij heeft niet meer verbeelding dan Barnaby.

Hoe komt dat? De drie vrienden schudden hun hoofden en zeiden zo zonder te spreken. Hoort gij wel hoe diepsinnig onze vriend redeneren kan. Hoe komt dat? herhaalde John, met zijn vlakke hand op de tafel slaande, omdat hij nooit goed onderhanden is genomen toen hij een kind was.

Dat is de reden. Wat zou er van ons zijn terechtgekomen als onze vaders ons niet onderhanden genomen hadden? Wat zou er van mijn Jo geworden zijn als ik hem niet onderhanden genomen had? Hoort gij wel wat ik zeg, heren? Jawel, wij letten erop, antwoordde Parks.

Ga maar voort. Rel nu, hervatte Willet, die jongen, zijn moeder, werd gehangen toen hij nog een klein kind was, met nog zes anderen, omdat zij valse banknoten in omloop hadden gebracht. En het is gezegend, als men bedenkt, welk ene portie er alle zes weken daarvoor gehangen wordt. Want daaraan kan men zien hoe goed onze justitie bij de hand is.

Nu wilde ik zeggen, die jongen moest toen een goed heen komen zoeken, en op koeien passen, en vogels wegjagen, en zoal meer, om iets te verdienen en aan de kosten komen. En zo kwam hij langzamerhand zover dat hij paarden kon oppassen, en is eindelijk stalknecht in de mijboom geworden, voor kost en inwoning en ene kleinigheid in het jaar. Die jongen, wilde ik maar zeggen, kan niet lezen of schrijven, en heeft altijd onder beesten geleefd,

zodat hij waarlijk zelf niet beter dan een beest is. En daarom, aldus besloot Willet zijn betoog, daarom moet hij ook maar als een beest behandeld worden. Willet, zeide Salomon Daisy, die reeds enige malen zijn ongeduld had laten blijken, heeft meneer Chester toen hij vanmorgen... Hier kwam om de grote kamer gevraagd. Ja, zeker antwoordde John.

Hij zeide tenminste dat hij een groot vertrek wilde hebben. Dan zal ik u eens wat zeggen, hernam Salomon fluisterend, en met een ernstige blik. Hij en meneer Herdeel zullen daarin duelleren. Iedereen zag de herbergier aan, toen de koster deze onrustbarende voorspelling waagde. Maar Willet staarde enige ruime poos in het vuur bij zichzelf overleggende, van welke invloed zulke voorval waarschijnlijk op zijn herberg zou zijn.

Hmm, ja, zeide hij eindelijk. Ik herinner mij nu, dat hij, toen ik het laatst boven kwam, licht op de schoorsteen wilde hebben. Het is zo duidelijk, hervatte Salomon, als de neus op Parks zijn gezicht. Parks, die een grote neus had, vreef die en scheen de vergelijking enigszins beledigend te vinden. Zij moeten duelleren, hervatte Desi.

Gij weet wel hoe gewoon het is, dat heren van Fatsoen in koffiehuizen zonder getuigen met elkander vechten. Misschien zal een van beiden hier in huis gekwetst of doodgestoken worden. Dat papier dat Barnaby gebracht heeft, was der helve een uitdaging, zeide John. Ik durf wedden, dat er een strook papier in was. Met de maat van zijn degen erop, hervatte het manneke.

Wij weten allemaal, wat voor een man meneer Herdeel is. Gij hebt ons verteld, wat Barnaby zeide, van zijn gezicht, toen hij terugkwam. Gij kunt er u op verlaten, dat ik gelijk heb. Nu begon de hete wijn eerst recht te smaken, een duell, in de grote kamer boven, en het beste bed reeds gereed voor de gekwetste. Zouden zij het met degens of met pistolen doen, zeide John.

De hemel weet het. Misschien met allebei, antwoordde Salomon. Zulke heren dragen altijd degens, en misschien hebben zij pistolen in hunne zakken. Het is weldenkelijk. Als zij misgieten, zullen zij van leer trekken, en dan in goede ernst aan de gang gaan.

Het gezicht van Willet betrok, terwijl hij aan gebroken vensten ruiten en geschondene meubelen dacht. Maar toen het hem inviel, dat waarschijnlijk wel een van beide partijen zou blijven leven, om de schade te vergoeden, helderde het wederop. En dan, vervolgde Salomon rondzienden, dan zullen wij ook een van die vlekken op de vloer hebben, die nooit uitgaan. Als meneer Herdeel het wint, kunt gij verzekerd wezen, dat de vlek groot zal wezen. En als hij het verliest, misschien nog groter, want wij weten wel, dat hij het nooit opgeeft, voordat hij afgevochten is.

Daar kennen wij hem wel voor, dat denk ik, fluisterden al de overige leden van het gezelschap. En wat het uitgaan betreft, hervatte Salomon, zulk ene vlek gaat er nooit uit. Gij weet wel, hoe dikwijls het beproeft is, in zeker huis, dat wij allen wel kennen. Het herenhuis, riep John uit, daar heb ik nooit van gehoord. Er zijn weinig mensen die het weten, maar ik weet het toch.

Zij schaafden de planken af, maar de vlek bleef er altijd in. Zij legden nieuwe planken, maar op een plek kwam zij toch wederdoor. En luister, meneer Jeffrey heeft van die kamer zijn studeervertrek gemaakt, en zit daar altijd met zijn voet op die vlek. En hij gelooft, dat die nooit verdwijnen zal, voordat hij de man vindt, die de moord gepleegd heeft. Toen zij, na het einde van dit verhaal, dichter bij het vuurschoven, hoorde men buiten het stampen van een paard.

Daar is hij, riep John opspringende. Joek, joek! De slaper stond waggelend op, en snelde hem achterna. John kwam spoedig terug, gevolgd door de lang verwachte bezoeker, wie hij met veel eer biedt de kamer inleide. Want herdeel was zijn huishier, en die met zware laarzen stampend binnetrad, en de nederige buigingen der groep bij de haard beantwoorden door even zijn hoed op te lichten.

Er is een vreemdeling hier, Willet, die mij een boodschap heeft gezonden, zeide hij met een zware stem. Waar is hij? In de grote kamer boven, meneer, antwoordde John. Licht mij dan, want de trap is donker, naar ik weet. Goedenavond, heren.

Dit zegende stapte hij de deur uit en de trap op, terwijl John hem volgde met een kaars, die hij in zijn verbijstering zo hield, dat haar schijnsel van geen de minste dienst was, terwijl hij zelf bij elke voetstap struikelde. Blijf hier, zei herdeel, toen zij op het portaal waren gekomen. Ik behoef niet aangediend te worden. Hij trad binnen en deed de deur achter zich dicht. Willet had volstrekt geen lust om alleen te blijven staan luisteren, vooral daarnet muren zo dik waren.

Hij ging derhalve naar beneden, met veel groter vlugheid dan hij naar boven was gegaan, en voegde zich weder bij zijn vrienden. Einde van hoofdstuk 11.

CAPTIONS
Loading...