menu_book Chapter 27

from Barnaby Rudge NL by Charles Dickens — automated transcript, may contain recognition errors.

Hoofdstuk 27 van Barnaby Rudge door Charles Dickens. Vertaald door Sehe Mensing. Deze LibriVox-opname is vrij van auteursrechten. Opname door Marcel Koenders. Verdere overwinningen van de heer Chester.

Herredeel bleef staan met de sleutel in de hand. Nu Chester dan varden aanstarende, Totdat de eerste, die intussen zijn handschoen had aangetrokken, Hem tot bezinning bracht, door zeer vriendelijk te vragen, Of zij dezelfde weg opgingen.

Nee, antwoordde Herredeel, onze wegen lopen ver uiteen. Zoals gij weet, ik blijf tands hier. Dat is verkeerd, Herredeel, hernam de ander. Gij zult hier melancholisch worden. Dit huis deugt volstrekt niet voor iemand van uw karakter.

Ik ben zeker dat het u in een allerakeligste stemming zal brengen. Laat het, zei de herdeel, zich nederzettende, En vermaak u daarmede. Goedenavond. Zich houdende, alsof hij de ongeduldige beweging van de sprekershand,

Welke dit farwel aan een smadelijk wegsenden gelijkmaakte, Volstrekt niet bemerkte, antwoordde Chester, Met een zeer vriendelijke zege wens, En vroeg Gabriel, welke weg hij opging. Terwijl de slotemaker aarzelde om te antwoorden,

Kwam Herredeel hem voor, door te zeggen, Ik wilde u nog even spreken, Vardem, Dan zal ik u onderhoud niet langer storen, Zeide Chester met bijzondere beleefdheid. Ik wens u beiden een genoeglijke avond.

En met deze woorden ging hij de deur uit. Een akelige stel heeft die onhandelbare man, Zeide hij bij zichzelfen terwijl hij voortging. Hij is een onverdragelijk wezen, Maar gelukkig dat hij zichzelfen straft.

Hij is een beer die zichzelfen bijt. Hier ziet men nu hoe goed het is, Als men zijn drift weet te beheersen. Onder die twee korte gesprekken, Ben ik wel vijftig malen in verzoeking geweest,

Om tegen die kerel de degen te trekken. Een ander zou het waarschijnlijk gedaan hebben, Maar door mijn drift te bedwingen, Kwets ik hem dieper en gevoeliger dan ik doen kon, Als ik de beste schermer van heel Europa was,

En hij de slechtste. Wij zeiden de laatste toevlucht van een verstandig man, Vervolgde hij op het gevest van zijn degenkloppende. Als er niets anders meer te zeggen of te doen is, Is het altijd nog tijd om u te hulp te roepen.

Hij glimlachte zo genoeglijk, Terwijl hij zo met zichzelf besprak, Dat een bedelaar daardoor moed kreeg, Om hem om een aalmoes aan te spreken, En hem een eind ver te vervolgen.

Chester gevoelde zich daardoor gestreeld, Als een blijk hoe hij zijn gelaatstrekkend inbedwang had, En liet de bedelaar tot zijn beloning hem nalopen, Totdat hij een draag koetsje had geroepen, Waarop hij hem met een hartelijke zegenwens heenzond.

Zegenen is even gemakkelijk als vloeken, Dacht hij terwijl hij zich nederzette, En veel vatsoenlijker. Naar Clerkenwell, goede vriendum, als het u beliefd. De dragers werden door deze beleefdheden inderdaad vlug,

En brachten hem op een frisse draf naar Clerkenwell, Nadat hij was afgestapt op een plek, Die hij hun tevoeren had aangewezen, En hun wat minder had betaald, Dan zij van Zulk een vriendelijk heer verwacht hadden,

Sloeg hij de straat in, waarin Gabriel woonde, En stond Weldra onder de schaduw van de gouden sleutel. Sim, die bij een lamp in de winkel stond te werken, Bemerkte zijn tegenwoordigheid niet, Voordat Chester ene hand op zijn schouder legde,

En hem verschrikt deed omkijken. Vleit is de weg tot voorspoed, zei de Chester. Meneer Teppetit, ik hoop dat gij mij termaal tijd zult vragen, Als gij Lord Major van Londen zijt. Meneer, antwoorde de leergnaap,

Terwijl hij zijn hamer neerlegde, En met zijn zwarte hand zijn neus vreef. Ik verwens de Lord Major en al wat hem aangaat. Het moet een andere tijd worden, Voordat ik Lord Major wezen wil, meneer.

Hoe vaart gij? Des te beter, meneer Teppetit, Omdat ik het genoegen heb, U openhartig gelaad, nog eens te zien. Ik hoop dat gij welvarend zijt.

Zowelvarend, meneer, antwoorde Sim, Nadrukkelijk fluisterend, Als iemand onder zulke mishandelingen, Wezend kan, alswaaraan ik ben blootgesteld. Mijn leven is mij tot last,

Maar ik hoop wraak te nemen. Is juffrouw Varden thuis? Vroeg Chester. Jawel, meneer, antwoorde Sim, Hem strak aanzieende.

Wilde gij haar spreken, zeide Sim. Wacht eens, wilt gij mij vergunnen, U even iets in het oor te fluisteren? Zeer gaarne. Sim ging op de tenen staan,

Kwam met zijn mond tot vlakbij Chesters oor, Haalde toen zijn hoofd terug, Zag hem strak aan, Herhaalde dezelfde plechtigheid een paar malen, En fluisterde eindelijk,

Hij heet Jozef Willet. Psst, ik zeg niets meer. Daarop wenkte hij de bezoeker, Met een zeer geheimzinnig gezicht, Om de kamer binnen te treden,

Terwijl hij hem op de volgende wijze aandiende, Meneer Chester, Niet meneer Edward, Maar zijn vader, Laat ik u niet hinderen

In uw huiselijke bezigheden, m'juffer. Ik kwam eigenlijk Om uw moeder, Juffrouw Varden te spreken, Zeide Chester met zijn hoed

In de hand vooruitstappende, Toen hij zag welk ene indruk Dit aandienend maakte. Daar nu, riep Mix uit, In haar handen klappende,

Heb ik het niet gezegd, Hij ziet de juffrouw Voor haar eigen dochter aan, Of zij ook op elkande gelijken. Is het mogelijk,

Zeide Chester, Op een suikerzoete toon, Is dit de moeder, Maar dit meisje Kan uw dochter niet wezen,

Juffrouw Varden, Nee, zeker uw zuster, Zei je zinderdad, Mijn dochter, meneer, Zeide juffrouw Varden,

Zeer jeugdig blozende. O, juffrouw, Riep de bezoeker uit, Hoe gelukkig moet iemand wezen, Die zulk een afbeeldsel

Van zichzelf voor zich ziet, En even jong blijft, Als dat is. Gij moet mij vergunnen, U een kus te geven,

Lieve juffrouw, Het is slans gebruik En uw dochter insgelijks. Dol die toonde Enige tegenzin

In deze plechtigheid, En werd daarvoor Door haar moeder Scherpelijk berispt, Want trotsheid,

Zeide deze, Was een der zeven doodzonden, En nederigheid Een deugd. Verder aanmerkende

Dat Dol die gerust kon doen Wat zij haar moeder Zag doen, Zonder zich de moeite te geven Waardoor zij haar kinderplicht

Zou tekort doen. Al dus vermaand Gehoorzaamde Dol die, Hoewel, Geen zins gewillig,

Want Chester zag haar aan Met een blik Die haar zeer verlegen maakte. Terwijl zij Met neergeslagene ogen

Staan bleef, Wende Chester Zich tot haar moeder, En zeide, Mijn vriend, Gabriel,

Met wie ik eerst Deze avond Heb kennis gemaakt, Moet een zeer gelukkig man wezen, Je vrouw Varden.

Ach, Zuchtte Martha, Haar hoofd schuddende, Ach, herhaalde Micks, Is het zo,

Zeide Chester, Medeleidend, Meester is wel een goed man, Meneer. Zover zijn er vermogens gaan,

Zijde Micks, Naar hem toeschuivende, Maar, Hier zuchtte zij, En keek,

Schuins, Naar haar meesteres, Wij kennen nooit De volle waarde Van zekere wijnstokken

En vijgenbomen, Die verliezen, En dat is ongelukkig, Meneer, Voor hen, die het

Op hun geweten hebben, Dat zij ze hebben, Ver onachtzaamd, Als zij eens Naar een of andere plaats

Zijn verpland. En dit zegende, Keek zij naar omhoog, Om te beduiden, Welke plaats zij meende.

Deze woorden hoorden natuurlijk al Wat Micks zeide, En daar deze woorden Een voorspelling Scheen te bevatten,

Dat zij binnenkort, Onder haar beproefingen Zou bezwijken, En na de sterren verhuizen, Gevoelde zij,

Zicht terstomt, In een kwijnende toestand, Haalde een deel van het Handboek naar zich toe, En ging er

Met haar arm Op zitten leunen, Als waren zij de hoop, En dat haar anker. Dit ziende, nam Chester

Haar het boek Beleeft af, En bladerde er even in. Mijn geliefkoosde Lektuur, juffrouw,

Zeide hij. Hoe dikwijls heb ik Mijn lieve zoon Edward In zijn vroege jeugd. Hij kan het

Zich nu zeker niet meer herinneren. Dit was zeer naar waarheid Aangemerkt. De fraaie zedenlessen Voorgehouden, die ik

Uit dit boek voor hem Had getrokken. Jij kent Edward wel, Juffrouw Varden had de eer Van hem te kennen,

En vond hem een zeer Aardig jong mens. Jij zeit Een moeder, juffrouw Varden, Zeide Chester

Een snuifje neemende, En gij weet Derhalve wat ik Als vader gevoel moet Als hij geprezen wordt.

Hij veroorzaakt mij Dikwijls enige onrust, Zeer veel onrust. Hij is Loszinnig

En wispeltuurig, juffrouw, Van het ene vermaak De ene bloem Vladdert hij als een Vlinder naar de andere.

Maar hij is Nog jong en wij moeten Zulk ene Lichtzinnigheid niet te erg Opvatten.

Hij wierp een blik Naar Dolly. Zij luisterde Blijkbaar naar hetgéén Hij zeide. Dit was Juist wat hij verlangde.

Het enige Dat ik tegen deze karakter Trek van Edward heb, Vervolgde Chester, in het Voorbijgaan,

Ik bedenk mij daar Dat ik u straks Eens even alleen Moet spreken, Is dat het naar oprechtheid

Zweemt, en hoezeer Ik het uit liefde Voor Edward Voor mijzelfen Het komt altijd

In mij op, dat Al onze deugd Niets betekent, Als wij niet oprecht zijn. Als men eerlijk,

Oprecht, edelmoedig En rechtvaardig Is, dan heeft Men wel niet veel, Maar toch iets

Gewonnen, een grondslag Van vroemheid, Als het ware, waarop Wij naderhand Een heerlijk gebouw

Kunnen plaatsen. Dat is toch waarlijk Een vroem man, dacht Juve vrouw Varden Bij zichzelfen.

Nu heb ik Eens een waarkristen Voor mij, die Nadat hij alle deugden Een geepje zout

Op de staart gestrooid Bij de vlerken gepakt heeft Dat hij de hele tijd Nog denkt, dat hij niets bezit. Zij twijfelde niet

Of deze En pensant Afgelegde geloofsbeleidenis Die als het ware Zeide, ik ben

Niet trots, ik ben Wat gij hoort, Maar ik reken Mijzelfen niet beter Dan andere mensen

En wil er liefst Over spreken Moest wel oprecht wezen. De indruk Bespeurende, die

Hij gemaakt had, zette Chester zijn overwinning Voert, door Enige zedekundige waarheden En opmerkingen

Tevoorschijn te brengen. Wel, wat algemeen En onbestemd. Sommige ook, Wel, wat al te oud

En afgesleten, Maar allen, zo Zoetvloeiend en Geleidelijk voorgedragen, Dat hij iets

Zeer bijzonders scheen te zeggen. Met het boek In de ene hand Terwijl hij de andere Op zijn borst hield,

Zat hij aller aangenaamst Te praten En betoverde Al zijn toehoorders Hoe verschillend

Hun belang en stemming Ook wezen mocht. Zelfs Dolly, terwijl Zijn strakke blikken En het aanstaren

Van Sim, haar Van verlegenheid Dedeblozen, kon niet Nalaten bij zichzelf Te bekennen

Dat zij nooit iemand Zo inneemend Had horen spreken. Zelfs Mix, wie hard Verdeeld was

Tussen bewondering Voor Chester en Jean-Louis Op haar jonge meesteres Lied zich winnen, Zelfs teppertit,

Hoewel hij gelijk wij Zagen het staren Tot zijn hoofd sterk maakte, Kon niet Nalaten te luisteren.

Je vrouw Varden Dacht bij zichzelf Dat zij nooit In haar leven Zo gesticht was geweest

En toen Chester Nadat Hij was opgestaan En verlof had verzocht Om haar afzonderlijk te spreken

Haar bij de hand nam En naar boven Leide, hield zij Hem bijna voor een engel In mensengedante.

Lieve juffrouw Zeide hij, haare hand Aan zijn lippen drukkende Ga zitten Zij ging zitten

Gij zult Mijn oogmerk wel gissen Vervolgde hij Een stoel bij haar schuivende Ik ben

Een liefhebbend vader Je vrouw Varden Daarvan ben ik verzekerd Meneer, antwoordde Marta Ik dank u

Maar vatte Chester Op het deksel van Zijn snuifdoos Tikkende Een vader heeft

Een zware verantwoordelijkheid Je vrouw Varden Marta hief even Haare handen op Schudde haar hoofd

En keek naar de grond Alsof zij Door de dikte Van de gehele aardbol Ik kan u

Volkomen vertrouwen Hervatte Chester Ik heb mijn zoon Tederlief, je vrouw En daarom wilde ik verhoeden

Dat hij Zichzelf Volkomen ongelukkig maakt Jij kent zijn Genegenheid voor me juffer

Herdeel Jij hebt hem Daarin voortgeholpen Van u gedaan Ik ben u zeer verplicht

Voor uw belangstelling In hem Maar ik verzeker u, je vrouw Dat zij in dit opzicht Eene verkeerde strekking had

Je vrouw Varden Stamelde Dat het haar zeer speet Laat u nooit Iets spijten, je vrouw

Dat gij met een goed Oogmerk gedaan hebt Ik wil hij haar in de reden Maar er bestaan Gewichtige redenen

Familibelangen En bovendien punten Van verschil in de godsdienst Welke Hunne vereniging

Onnogelijk, Volkomen onmogelijk maken Ik zou hierover Met uw man Gesproken hebben

Maar neem het mij Ik walijk Dat ik dit zeg Hij heeft Uwe vlugheid van begrip

En uw diepte van gevoel niet Hoe luchtig is dit huis En hoe zindelijk Voor iemand als ik Die zolang weenuwnaar ben

Hebben deze tekenen Van vrouwelijke zorg Iets zeer aandoenlijks Je vrouw Varden Begon te denken

Niet recht waarom Dat de jonge heer Chester Ongelijk En de oude heer Gelijk moest hebben

Mijn zoon Edward Begon haar verzoeker Weder op zijn meest Innemende toon Is namen mij

Gezegd heeft Door uw lieve dochter En uw rondborstige echtgenoot Geholpen Dan door mijn meneer

Zeide je vrouw Varden Ik heb dikwijls Getwijfeld het is een Een slecht voorbeeld Vult de Chester aan

Dat is het zeker Euwe dochter Is op een ouderdom Waarin het bijzonder Onraadzaam is

Haar te laten zien Dat jonge lieden Aangemoedigd worden Om zich in zulk een gewichterstuk Tegen hun ouders te verzetten

Gij hebt volkomen gelijk Ik had zelf Daaraan moeten denken Maar ik moet bekennen Dat het mij

Niet is ingevallen Zover lieve juffrouw Gaat uw seksen De onze in doorzicht En schranderheid

Te boven Varden zette een gezicht Als had zij inderdaad Iets gezegd Om zulk een compliment

Te verdienen En haar geloof In haar eigene Schranderheid Werk bijzonder versterkt

Lieve juffrouw Zij Chester Jij geeft mijn moed Om zonder omwegen Te spreken

Mijn zoon en ik Heb een verschil Omtrent dit punt De jonge juffrouw En haar voogd

Inschelijks En het geen Alles afdoet Is dat mijn zoon Door zijn plicht

Jegens mij Door zijn eer Door al Wat heilig kan wezen Om te trouwen

Verbonden om een andere juffer Te trouwen Riep juffrouw Varden uit Hij is met dat Voornemen

Grootgebracht En opgevoed Lieve juffrouw Mijn juffer Herdeel Moet een zeer bekoorlijk

Meisje wezen Naar ik hoor Ik ben haar voetstermoeder Wel kennen Antwoordde Martha

Zij is een allerliefst meisje Ik twijfel Er volstrekt niet aan En gij die zulk Enetedere betrekking

Op haar hebt Zijd verplicht Om haar geluk In het oog te houden Hoe kan ik nu

Gelijk ik tegen Herdeel Gezegd heb Hoe men met mij instemt Hoe kan ik nu Geduldig toelaten

Al is zij Van ene katholieke familie Dat zij zich wegwerpt Aan een jongen Die volstrekt

Geen gevoel heeft Dit strekt Hem niet tot schande Want het is het geval Met de meeste jongelieden

Die zich in de Veelheden der wereld verdiepen Ik geloof zelfs niet Dat ik Nog gevoel had

Toen ik zo oud was Als Edward O meneer Zeide je, vrouw Varden Dat moet gij zeker wel

Het is onmogelijk Dat gij Die nu zo diep gevoeld Ooit zonder gevoel Kunt geweest zijn

Misschien antwoordde hij Nedig zijn de schouders Ophalende Maar om op Edward Terug te komen

Gij hebt, toen gij hem Zo welwillend Behulpzaam waart Zeker gedacht Dat ik iets in me juffrouw

Herdeel had af te keuren Zeer natuurlijk Maar het is Juist andersom Ik heb veel

Zeer veel in Edward Af te keuren Juffrouw Varden Stond versteld Over deze ontdekking

Hij heeft, als Hij de plicht vervult Waarvan ik u gesproken heb En dat moet hij doen Of hij is mijn zoon niet

Een groot vermogen Binnen zijn bereik Hij is gewoon Aan grote verteringen En indien hij

In een ogenblik van Verblinding deze Jongen je vertrouwde En zich aldus van de middelen Beroofde om de neigingen

Te voldoen Welke hem tot Een en tweede natuur Zijn geworden Zou hij het lieve

Meisje het hart Breken Juffrouw is zoiets te dulden Is een vrouwelijk hart Iets

Om zo mede te spelen Vraag uw eigen Hart Bid ik u Hij is waarlijk een heilige

Dacht Juffrouw Varden Maar vroeg zij En die vraag Was niet onnatuurlijk Als hij juffer Emma

Haar minnaar ontrooft Hoe zal het dan Met het hart van het Arme meisje gaan? Dat is juist het punt

Waarop ik u brengen wilde Antwoordde Chester Vollstrekt niet verlegen Een huwelijk met Mijn zoon wie ik

Dan zou moeten verzaken Zou door Jaren van ellende gevolgd Moeten worden Maar het afbreken

Van deze betrekking Die gelijk wij beiden wel weten Meer ingebeeld Dan wezenlijk is Zal het meisje slechts

Enige tranen kost hem En dan is zij Weder gelukkig Neem eens het geval Van uw eigen dochter

Die Uw levend afbeeldsel is Juffrouw Varden Kuchte Een jong mens

Met leedwezen Moet ik zeggen Een losse jongen Die een zeer dubbelzinnige naam heeft Van wie ik

Etwaard heb horen spreken Bullet Heet hij, nee, Bullet, Mullet Er is een jonkman

Die Joseph Willet heet Meneer, Zij de juffrouw Varden Juist, dat is hij Riep Chester uit

Onderstel nu eens Dat die Joseph Willet De genegenheid Van uw dochter Trachtte te winnen

En dit hem gelukte Ik weet niet Hoe hij zo onbeschaamd Zou durven zijn Riep juffrouw Varden uit

Het zou gewis Zeer onbeschaamd wezen Maar als het gebeurde Zou het gij toch Om enige tranen

Van uw schone dochter Niet nalaten Zulk enige genegenheid In haar geboorte te smoren Ik had

Op die wijze Met uw man Wille redeneren Toen ik hem vanavond Aan het huis

Van juffrouw Rutch aantrof Zou juffrouw Varden Hem snel in de reden Zou veel beter doen Als hij thuis bleef

In plaats van zo dikwils Na juffrouw Rutch te gaan Ik weet niet Wat hij daar doet Of wat reden

Hij heeft Om zich met haar zaken Te bemoeien Hoewel ik uw aanmerking Volkomen moet billiken

Op de Chester ben ik toch Enigszins blijde Dat ik hem daar gevonden heb Terwijl ik toen Hij daar zo weinig spraakzaam was

Op het denkbeeld ben gekomen Om hierheen te gaan Waaraan ik het geluk heb te danken Van een gesprek Met een vrouw

Op wie gelijk ik bespeur Het geluk en de welvaart Van haar gezin Geheel uit de wou Van haar gezin

Geheel alleen berusten Dit zegende Bracht hij de hand Van juffrouw Varden Met de uitbundige galanterie

Van die tijd Welke hij zelfs raadzaam Oordeelde Een weinig te overdrijven Nochmal aan zijn lippen

En ging toenvoort Met dezelfde afwisseling Van drogredenen En vleierijen Om deze goede vrouw

Te verzoeken Al haar invloed te bezigen Ten einde te verhinderen Dat haar man of dochter Zijn zoon Edward

Verder in zijn Minarij behulpzaam waren Juffrouw Varden Was slechts Eene vrouw

En bezat haar aandeel Van eidelheid en heersucht Zij trad in een geheim verbond Met haar Innemende bezoeker

Terwijl zij inderdaad Geloofde gelijk Menig een die hem hoorde Zou gedaan hebben Dat zij daarmee de zaak

Van recht en deugd Op ene loflijke wijze Bevorderde Zeer wel tevreden Met de goede uitslag

Der onderhandeling Toen zag Chester Haar weder in statie naar beneden En nadat Hij daar, de moeder en de dochter

Met dezelfde plechtigheid Als bij zijn komst Had gegroeid Nam hij afscheid Bij het heen gaan

Voltooide hij nog De verovering van het hart van Mix Door te vragen Of deze jonge juffer Hem zou uitlichten

Wel heren, mijn tijd Juffrouw, zei de Mix Toen zij terugkwam Wat een lief heer is dat Hij spreekt

Waardelijk als een engel En dat hij u Voor juffer Dolly Een juffer Dolly Voor uw zuster aanzag

Als ik meester was Zou ik waardelijk Wel jaloers op hem wezen Juffrouw Varden Berispte haar dienstmaart

Over deze eidelen woorden Maar zeer zachtzinnig Aanmerkende Dat zij Een onbedacht

Lichtzinnig schepsel was En zeker niet half meende Wat zij zeide Terwijl zij Er anders ernstig boos

Om zou moeten worden Ik geloof Enigszins, zei de Dolly Nadenkende Dat meneer in dat opzicht

Wel wat naar Mix gelijkt In weerwil Van al zijn beleefdheid En zijn mooi praten Geloof ik vast

Dat hij ons nu en dan Voor de gek hield Als gij het nogenswaart Om zoiets te zeggen En van de mensen

Achter hun rug Kwaad te spreken Antwoordde Juffrouw Varden hierop Zal ik u terstond Naar bed zenden

Schaamt u u niet, Dolly De lompheid Van geheel uw gedrag Deze avond Is aller schandelijkst geweest

Heeft men ooit gehoord Riep zij In tranen van spijt uitbarstende Dat ene dochter Tegen haar eigene moeder

Zeide Dat men haar voor de gek hield Zo onbestender Was het humeur Van Juffrouw Varden

Einde van Hoofdstuk 27

CAPTIONS
Loading...